Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ4187

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
307985 / HA ZA 08-1346
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verknochte schulden? Buiten medeweten, met vervalste handtekening andere echtgenoot aangegane schuld niet verknocht. Slechts anders indien het geld is geleend met het oogmerk een derde te bevoordelen en de andere echtgenoot daarvan geheel onkundig te laten. Onvoldoende feitelijke grondslag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/701
JIN 2009/757 met annotatie van Steegmans
RN 2009, 94

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer : 307985 / HA ZA 08-1346

Uitspraak: 29 juli 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. Maaskant,

- tegen -

[naam],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. E.G. Karel.

Partijen worden hierna aangeduid als "de vrouw" respectievelijk "de man".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 19 mei 2008 en de door de vrouw overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- vonnis d.d. 22 oktober 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 26 februari 2009, ter gelegenheid waarvan mondeling een conclusie van antwoord in reconventie is genomen.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

Partijen zijn op 28 november 1986 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 16 januari 2007 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van [huwelijksgemeente] van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 11 december 2006.

2.2

De huwelijksgoederengemeenschap is nog niet verdeeld.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

De vordering in conventie luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad een bepaalde wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen, de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 33.353,45, te vermeerderen met de helft van de kosten van rente en incasso betreffende een schuld bij de Postbank en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alsmede de man te bevelen bepaalde roerende zaken aan de vrouw af te geven op straffe van een dwangsom, met rente en kosten.

De man heeft de vordering van de vrouw gemotiveerd betwist en geconcludeerd gedeeltelijk tot referte voor wat betreft de afgifte van goederen en tot afwijzing voor het overige, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

De vordering in reconventie luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad een andere wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen, de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 46.588,74, vermeerderd met toekomstige schade en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van het te wijzen vonnis, met rente en kosten.

De vrouw heeft de vordering van de man gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze tezamen worden behandeld.

4.1

Partijen hebben inmiddels overeenstemming bereikt over de afgifte van de door de vrouw nog verlangde roerende zaken. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vrouw haar vordering op dit punt heeft ingetrokken, zodat deze geen nadere bespreking en beslissing meer behoeft.

4.2

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen hebben partijen ook overeenstemming bereikt over de kwestie rond de door de vrouw afgesloten uitvaartpolissen in die zin dat deze aan haar kunnen worden toegescheiden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

4.3

In geschil is een negental schulden. De vrouw vordert - kort gezegd - dat de schulden aan haar worden toegedeeld en dat de man wordt veroordeeld de helft van de openstaande bedragen aan haar te voldoen. De man voert hiertegen aan dat de vrouw al deze schulden buiten zijn medeweten is aangegaan, dat de vrouw voor het doorlopend krediet bij de Postbank zijn handtekening heeft vervalst en dat de schulden bij Wehkamp en V&D reeds tijdens het huwelijk zijn afgelost. Nu de vrouw dit laatste niet heeft betwist, zullen deze twee schulden verder buiten beschouwing blijven. De man is van oordeel primair dat de vrouw aldus onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld als gevolg waarvan hij schade lijdt tot een beloop van het bedrag dat de vrouw van hem vordert (€ 33.353,45) en subsidiair dat de (resterende) schulden aan haar verknocht zijn zodat op dit punt niets te verrekenen valt. Daarnaast vordert de man een bedrag van € 5.881,04 ter zake van betalingen aan de Postbank in de periode dat hij van het bestaan van die schuld niet afwist, alsmede een bedrag van € 2.931,25 voor advocaatkosten in de procedure tegen de Postbank over deze schuld. Ten slotte vordert de man een bedrag van € 4.423,-- zijnde de helft van de herstelkosten van de voormalige echtelijke woning.

De vrouw betwist de stellingen van de man.

4.4

De meest verstrekkende stelling van de man is dat de vrouw door buiten zijn medeweten schulden aan te gaan onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Deze stelling gaat in zijn algemeenheid niet op, zelfs niet indien de vrouw, hoezeer ook verwerpelijk, daarbij de handtekening van de man zou hebben vervalst. Dat laatste is hooguit onrechtmatig jegens de geldschieter, maar niet in de onderlinge verhouding tot de andere echtgenoot. Ten slotte voert de man nog aan dat het geleende geld overwegend niet is aangewend ten behoeve van de gemeenschap. Ook dat maakt het handelen van de vrouw nog niet onrechtmatig jegens de man. Een vergelijking kan worden gemaakt met een echtgenoot die schulden maakt in het kader van een gokverslaving. Daar profiteert de gemeenschap ook niet van, maar het aangaan van gokschulden levert niet een onrechtmatige daad jegens de andere echtgenoot op. Het vorenstaande leidt ertoe dat de in reconventie door de man gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen.

4.5

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de schulden aan de vrouw verknocht zijn en daarom niet als schulden van de gemeenschap kunnen worden aangemerkt. De man stelt dat de schulden buiten zijn medeweten zijn aangegaan, dat de vrouw voor het doorlopend krediet bij de Postbank zijn handtekening heeft vervalst en dat de geleende gelden overwegend niet aan de gemeenschap ten goede zijn gekomen.

Het enkele feit dat schulden buiten medeweten van de man zijn aangegaan, maakt niet dat deze schulden verknocht zijn aan de vrouw. Nergens is voorgeschreven dat alleen een schuld die met medeweten van de andere echtgenoot is aangegaan kan worden aangemerkt als een schuld van de gemeenschap. Ook buiten medeweten geleend geld kan immers ten goede zijn gekomen aan de gemeenschap. Maar zelfs dat hoeft niet. Ook hier kan een vergelijking worden gemaakt met eerdergenoemde gokschulden. Naar gangbare maatschappelijke opvattingen is de andere echtgenoot hiervoor mede aansprakelijk, omdat in ieder geval één van de deelgenoten in de gemeenschap erbij was "gebaat" (het gokken). Dit vloeit voort uit de aard van de verbintenis tussen echtelieden. Dit wordt niet anders indien degene die het geld heeft geleend, daartoe zelfs de handtekening van de ander heeft vervalst.

Slechts indien een van de echtgenoten buiten medeweten van de ander, met vervalsing van diens handtekening, geld heeft geleend met het oogmerk een derde te bevoordelen en de andere echtgenoot daarvan geheel onkundig te laten, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verknochte schuld. In dat geval kan van de andere echtgenoot niet worden gevergd dat hij daar in de interne verhouding tussen partijen aan meebetaalt.

Dit brengt mede dat van de 7 nog in geschil zijnde schulden, alleen het doorlopend krediet bij de Postbank aan een nadere beschouwing moet worden onderworpen. De overige schulden voldoen niet aan de gestelde criteria en vallen derhalve in de gemeenschap.

4.6

Vooronderstellend dat de vrouw voor het doorlopend krediet bij de Postbank de handtekening van de man heeft vervalst, ligt het op de weg van de man aannemelijk te maken dat de vrouw zulks heeft gedaan met het oogmerk een derde te bevoordelen en de man daarvan geheel onkundig te laten. De man heeft op dit punt aangevoerd dat het meeste geld naar de zoon van de vrouw uit een eerdere relatie zou zijn gegaan, dat de rest aan de vrouw zelf ten goede is gekomen of aan de verbouwing van de echtelijke woning. De vrouw heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen uitvoerig aangegeven waar het geleende geld volgens haar aan is uitgegeven. De uitgaven zijn voornamelijk ten behoeve van beide partijen gedaan gedeeltelijk ten behoeve van de vrouw zelf en gedeeltelijk alleen ten behoeve van de man. De man heeft hier tegen wederom aangevoerd nooit van enige lening of schuld te hebben geweten. Verder heeft hij de hoogte van enkele door de vrouw opgesomde uitgaven betwist.

Voor zover de vrouw in de ogen van de man gelden zou hebben geleend om ofwel aan zichzelf ofwel aan de echtelijke woning te spenderen, geldt hetgeen hierboven onder 4.5 is overwogen. Dan rest slechts de stelling dat de vrouw geld zou hebben verstrekt aan haar zoon. Deze stelling is echter op geen enkele wijze nader onderbouwd, hetgeen van de man toch wel mocht worden verwacht. Zijn stelling levert daarom op dit punt onvoldoende feitelijke grondslag op om hem tot bewijslevering toe te laten. Ook de schuld bij de Postbank behoort derhalve tot de gemeenschap. De vordering van de man met betrekking tot betaling door de vrouw van een bedrag van € 5.881,04 ter zake van betalingen aan de Postbank dient dan ook te worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde advocaatkosten van € 2.931,25 met betrekking tot de procedure tegen de Postbank.

4.7

In reconventie vordert de man tot slot nog een bedrag van € 4.423,--, zijnde de helft van de herstelkosten van de voormalige echtelijke woning voor het geval hij die woning ooit mocht verlaten. Hij stelt daartoe dat de vrouw reeds voor hun huwelijk in die woning woonde. De vrouw acht deze vordering prematuur.

Nog daargelaten dat onduidelijk is wat de grondslag is van deze vordering, geldt dat deze vordering inderdaad prematuur is. De herstelkosten zijn immers nog helemaal niet gemaakt.

Dit betekent dat in reconventie alle vorderingen moeten worden afgewezen.

4.8

De man heeft de hoogte van de door de vrouw gestelde schulden niet weersproken. De rechtbank zal dan ook van die bedragen uitgaan. Uit de stukken van het geding is gebleken dat de man ter zake van de diverse schulden met de Postbank een minnelijke regeling heeft getroffen, inhoudende dat hij met ingang van 30 juni 2008 maandelijks € 150,-- betaalt, tot een totaal van € 12.500,--. Het is redelijk en billijk daarmee bij het bepalen van de hoogte van het door de man aan de vrouw te betalen bedrag rekening te houden. De vordering van de vrouw zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 33.353,45 minus € 12.500,-- is € 20.853,45. De schulden zullen voor het overige in zijn geheel door de vrouw worden afbetaald.

4.9

De door de vrouw gevorderde wettelijke rente kan niet worden toegewezen omdat de man nog niet in verzuim is. Ook incassokosten kunnen niet worden toegewezen nu deze nog niet zijn gemaakt. Artikel 237, lid 4 Rv biedt hiervoor de oplossing.

4.10

In de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten zijn en het onderhavige geschil uit die vroegere verhouding voortvloeit, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

De rechtbank,

in conventie

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen het bedrag van € 20.853,45 (zegge: twintigduizendachthonderddrieënvijftig euro en vijfenveertig eurocent;

bepaalt dat de schulden van de gemeenschap, met uitzondering van dat gedeelte van de schuld bij de Postbank dat de man zelf rechtstreeks aan de Postbank terugbetaalt, voor het overige in zijn geheel door de vrouw worden voldaan;

deelt toe aan de vrouw:

- een uitvaartpolis op het leven van [naam verzekerde], geboren [geboortedatum], polisnummer [polisnummer];

- een uitvaartpolis op het leven van [naam verzekerde], geboren [geboortedatum], polisnummer [nummer];

- een uitvaartpolis op het leven van [naam verzekerde], geboren [geboortedatum], polisnummer [nummer];

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

wijst de vorderingen af;

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Gruijl-van Benthem.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.