Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ3826

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-07-2009
Datum publicatie
27-07-2009
Zaaknummer
330217 / BO RK 09-1011
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Klacht ex art. 41 Wet BOPZ. Dwangbehandeling (separatie). Behandelingsplan, mobilisatieschema. Middelen en Maatregelen, beperking van bewegingsvrijheid. Meldingsplicht bij dwangbehandeling. Beslissingsbevoegdheid bij noodsituaties. Wet BOPZ art. 38 lid 5, art. 39, art. 39a, art. 40 lid 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 27 juli 2009

Zaaknummer: 330217

Rekestnummer: BO RK 09-1011

Beschikking in de zaak van:

[naam verzoeker], hierna te noemen: verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

advocaat mr. D.S. Lösing.

t e g e n

Delta Psychiatrisch Centrum, hierna te noemen: Delta PC,

gevestigd te Poortugaal, gemeente Albrandswaard, Albrandswaardsedijk 74,

advocaat mr. drs. P.A. de Zeeuw.

Het verloop van de procedure

Verzoeker heeft op 8 mei 2009 een verzoekschrift ingediend met het verzoek een beslissing te nemen op zijn klachten van 23 februari 2009 alsmede hem een schadevergoeding toe te kennen en te bepalen dat het door hem te betalen griffierecht wordt vergoed.

De behandeling van het verzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2009.

Gehoord zijn: mr. D.S. Lösing, de advocaat van verzoeker, alsmede de behandelend arts van het Delta psychiatrisch centrum te Poortugaal, drs. A.C. Hagendijk en de geneesheer-directeur, drs. Noorlander, beiden in bijzijn van mr. drs. P.A. de Zeeuw.

Ter zitting heeft mr. drs. P.A. de Zeeuw pleitaantekeningen overgelegd.

Zoals afgesproken bij de behandeling zijn van de zijde van Delta PC nog stukken aan de rechtbank toegezonden, zulks bij brief met bijlagen van 15 juli 2009.

Bij brief van 20 juli 2009 heeft mr. Lösing, namens verzoeker, naar aanleiding van genoemde stukken gereageerd.

Van de zijde van Delta PC is een brief ingekomen, gedateerd 21 juli 2009.

De vaststaande feiten

Bij beschikking van 5 november 2008 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verleend tot uiterlijk 6 november 2009.

De beoordeling

Verzoeker heeft bij de klachtencommissie van het Delta Psychiatrisch Centrum klachten ingediend tegen - kort weergegeven - de separatie tussen 9 en 26 februari 2009, de (onverkorte) toepassing van het mobilisatieschema, het separeren in andere kleding dan in eigen kleding en de beperking van de bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis.

Bij verslag van bevindingen en oordeel van 20 maart 2009 heeft de klachtencommissie een beslissing gegeven op voornoemde klachten van verzoeker.

Verzoeker verzoekt ondermeer de klachten gegrond te verklaren.

Gronden separatie en toepassing mobilisatieschema

Verzoeker is van mening dat bij zijn separatie gebruik is gemaakt van het mobilisatieschema. Op zondag 15 februari 2009 is hij gesepareerd waarbij blijkbaar met stap 4 van het schema is begonnen. Daarop is het mobilisatieschema aan verzoeker uitgereikt. Verzoeker betwist dat een en ander in overleg met hem zou zijn gegaan. Hieruit blijkt dat het schema wel degelijk is toegepast.

Daarnaast is verzoeker van mening dat het - volgens zijn eigen zeggen - onverkort toepassen van het mobilisatieschema bij elke opname in strijd is met de wet BOPZ en de "Richtlijn besluitvorming dwang: opname en behandeling", opgesteld door NVvP-commissie Richtlijn besluitvorming dwang. Tevens is verzoeker van mening dat, naast het onverkort toepassen van bedoeld mobilisatieschema en het aldus niet per dag beoordelen van de gevaarssituatie, er gronden worden genoemd die het separeren niet rechtvaardigen.

Delta PC heeft aangegeven dat verzoeker een mobilisatieschema uit een voorgaande periode betrekt op de thans voorgelegde periode. Tijdens de opname vanaf 9 februari 2009 is dit mobilisatieschema niet gehanteerd. In de eerste week van zijn opname, van maandag

9 februari 2009 tot en met vrijdag 13 februari 2009, is drs. Hagendijk met verzoeker in gesprek gegaan, werden dagelijks afspraken met betrokkene gemaakt omtrent zijn behandelcondities en is hij vanuit de separeer naar de afdeling gegaan. In het weekend van 14/15 februari 2009 volgde echter een nieuwe escalatie waardoor separatie wederom noodzakelijk was. Alleen in dat weekend is door de verpleegkundigen een onderdeel uit het oude acht stappenplan gebruikt. Dit is echter een eenmalig moment geweest. Van een herinvoering van het stappenplan is verder geen sprake geweest. Op maandag 16 februari 2009 heeft de behandelend arts direct een second opinion laten uitvoeren.

Gronden separatie

De rechtbank overweegt dat twee wetsartikelen van de Wet BOPZ in dit verband van belang zijn. Artikel 38 lid 5 is van belang, met betrekking tot een patiënt die met een rechterlijke machtiging is opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis, voor zover het overleg over het behandelingsplan niet tot overeenstemming heeft geleid dan wel wanneer een patiënt zijn instemming intrekt. Het behandelingsplan kan in die gevallen tegen de wil van een patiënt worden toegepast wanneer dat volstrekt noodzakelijk is om gevaar voor de patiënt of anderen voortvloeiende uit de stoornis van de geestvermogens, af te wenden. In deze regeling wordt geen termijn gegeven gedurende welke dwangbehandeling mag plaatsvinden. De geneesheer-directeur moet uiterlijk bij het begin van de dwangbehandeling hiervan kennis geven aan de inspecteur.

Daarnaast is artikel 39 van belang. Op grond van dit artikel geldt dat met betrekking tot een patiënt die met een rechterlijke machtiging is opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis, anders dan ter uitvoering van een behandelingsplan met in achtneming van artikel 38b of 38c, geen middelen of maatregelen kunnen worden toegepast dan ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties welke door de patiënt in het ziekenhuis als gevolg van de stoornis van de geestvermogens worden veroorzaakt.

In het Besluit middelen en maatregelen BOPZ worden de middelen en maatregelen opgesomd. Tevens is daarin geregeld de maximale termijn van 7 dagen voor deze maatregelen. Ratio voor deze termijn is dat deze voldoende wordt geacht om tot een behandelingsplan te komen.

De beslissing om middelen en maatregelen te gebruiken moet worden genomen door de behandelend arts, bij diens afwezigheid ligt deze bevoegdheid bij het verpleegkundig afdelingshoofd of diens vervanger.

Tevens is er een meldingsplicht voor de geneesheer-directeur aan de wettelijk vertegenwoordiger en de inspecteur. Deze melding moet zo spoedig mogelijk geschieden.

Uit de verklaring van de behandelend arts blijkt dat in de periode van 9 februari tot 16 februari 2009 de basis voor de separatie en noodmedicatie-behandeling artikel 39 Wet BOPZ is geweest.

Gronden voor toepassing van het mobilisatieschema

De rechtbank is van oordeel dat van een integrale herinvoering van het mobilisatieschema niet is gebleken. Een element uit het omstreden mobilisatieschema is in het weekend van 14/15 februari 2009, in een escalerende situatie naar de omstandigheden van dat moment, toegepast. Tegen de achtergrond van het ziektebeeld van verzoeker is dit besluit proportioneel in de gegeven situatie en begrijpelijk. Het verwijt van verzoeker dat het oude mobilisatieschema zonder meer is toegepast is door het Delta PC gemotiveerd betwist. Alleen in voornoemd weekend is, in geval van een noodsituatie, een onderdeel uit het schema toegepast. Voorkomen moest worden dat verzoeker in zijn manie zou doorschieten en het gevaar, met name gericht tegen de verpleegkundigen, zou escaleren. Niet het totale programma is toegepast. Het gaat hier dan ook om een voorbehouden handeling op grond van artikel 36 wet op de Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG), voor welke handeling achteraf de toestemming van de behandelend arts is vereist. De behandelend arts heeft daags na de escalatie, die heeft geleid tot de bestreden separatie, een second opinion laten uitvoeren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door de behandelaren proportioneel is gehandeld, waarbij de belangen van alle betrokkenen op het moment van separatie zorgvuldig zijn afgewogen.

Grondslag toepassing van dwang: ter overbrugging van een noodsituatie of behandeling.

Volgens verzoeker heeft de klachtencommissie van het Delta PC geoordeeld dat het toepassen van dwang ter overbrugging van een noodsituatie of behandeling formeel onjuist is. Echter acht verzoeker het belangrijk om dit onderdeel alsnog te laten toetsen door de rechtbank.

Het Delta PC heeft bevestigd dat dit klachtonderdeel door de klachtencommissie gegrond is verklaard. Het Delta PC is dan ook van mening dat betrokkene in dit klachtonderdeel niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Gebleken is dat de klachtencommissie de klacht van verzoeker op dit punt gegrond heeft verklaard en dat het Delta PC zich hiertegen niet heeft verzet.

Nu verzoeker dit punt aan de rechtbank heeft voorgelegd, dient de rechtbank een oordeel hieromtrent te geven.

Uit de verklaringen ter zitting en de na de zitting overgelegde stukken is gebleken dat de behandelend arts in de eerste week van de opname van verzoeker zich heeft ingespannen om met verzoeker te komen tot werkbare afspraken door te onderhandelen over medicatie en behandeling. Daarbij is uitgangspunt geweest escalatie zoveel mogelijk te voorkomen maar anderzijds wel zover te kunnen komen dat kon worden overgegaan tot toediening van de noodzakelijke medicatie. Deze strategie leek succesvol, verzoeker was immers vrijdags weer op zaal met medicijnen. Deze aanpak heeft ertoe geleid dat verzoeker in de periode van 9 tot 16 februari 2009 van tijd tot tijd in acute noodsituaties gesepareerd is geweest, maar ook wanneer zijn toestand dat toeliet weer is gemobiliseerd. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de gronden voor toepassing van middelen en maatregelen aanwezig waren en dat de duur daarvan tegen de achtergrond van de bekendheid met zijn behandelhistorie bij de behandelaren niet de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden.

Op grond van vorenstaande verklaart de rechtbank de klacht ongegrond.

Melding inspecteur voor de gezondheidszorg

Verzoeker is van mening dat, gelet op de verstrekkendheid van de maatregel, alsmede gezien de omstandigheid dat hij zich verzette tegen de separatie, de geneesheer-directeur te laat uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 39 lid 3 Wet BOPZ. De ratio van de melding is dat de inspecteur een controlerende taak heeft dat ziet op een verantwoorde behandeling, verpleging, verzorging en bejegening van personen wier geestvermogens zijn gestoord. Een dergelijke controle heeft in het onderhavige geval echter niet kunnen plaatsvinden. Het feit dat een secretariële en administratieve verwerking van de gegevens noodzakelijk zijn, doet hier niet aan af.

Volgens Delta PC is het een onvermijdelijk gegeven dat een administratieve verwerking tijd kost. Tevens is Delta PC van mening dat de geneesheer-directeur zich afdoende heeft ingespannen om een en ander bijtijds, zo spoedig mogelijk, te doen verwerken.

Artikel 39 lid 3 BOPZ bepaalt dat "De geneesheer-directeur geeft zo spoedig mogelijk na het begin van de toepassing van een middel of maatregel als bedoeld in de vorige leden daarvan kennis aan de echtgenoot, de wettelijke vertegenwoordiger of, ingeval deze ontbreken, de naaste (familie)betrekkingen, en in ieder geval aan de inspecteur." Ter zitting is door Delta PC naar voren gebracht dat daarbij conform het protocol middelen en maatregelen is gehandeld en dat daar toebehoort de melding. Echter uit de later aan de rechtbank toegezonden schriftelijke stukken blijkt niet dat deze melding is geregistreerd. Hierdoor is de nakoming van de wettelijke verplichting niet controleerbaar. Nu de wet daarop geen sanctie stelt kan de rechtbank daaraan geen consequenties verbinden. Gebleken is dat, nadat op 16 februari 2009 dwangbehandeling is ingezet, op 20 februari 2009 de melding conform artikel 38 lid 5 BOPZ aan de inspecteur is gedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de geneesheer-directeur binnen een redelijke termijn na de toepassing van de maatregel de tweede melding aan de inspecteur heeft gedaan en derhalve de klacht ook op dit punt ongegrond moet worden verklaard.

Separeren in eigen kleding

Verzoeker was tijdens het separeren gekleed in andere kleding dan in zijn eigen kleding. Volgens hem gaat de Wet BOPZ ervan uit dat het separeren in beginsel in eigen kleding geschiedt. Indien dat niet geschiedt, dan dient daar een weloverwogen beslissing aan ten grondslag te liggen. Het is voor hem onbegrijpelijk dat hij zelfs tijdens de rustmomenten van één uur niet in eigen kleding in de separeer mocht verblijven.

De behandelend arts heeft aangegeven dat het afhankelijk is van de situatie of een patiënt in eigen kleding dan wel in speciale separeerkleding wordt gesepareerd. Het enkele feit van separeren betekent dat er sprake is van gevaar, van een noodsituatie. Volgens de interne richtlijnen van het psychiatrisch centrum is het uitgangspunt dat de cliënt in de separeer zijn eigen kleding draagt. Een uitzondering op dit uitgangspunt is gevaar, te verwachten gevaar en niet in te schatten gevaar. Doet zich een van deze situaties voor dan wordt gesepareerd in speciale kleding, tenzij dat niet nodig wordt geacht. Gelet op het verleden, waarbij verzoeker onder meer gevaarlijke situaties heeft veroorzaakt zoals brandstichting, is besloten betrokkene tijdens de separeermomenten in speciale kleding in de separeer te laten verblijven en niet in zijn eigen kleding.

De rechtbank is van oordeel dat de behandelend arts een weloverwogen beslissing heeft genomen door verzoeker niet in zijn eigen kleding te separeren. Gelet op voornoemd gevaar in het verleden, de onvoorspelbaarheid van verzoeker en het feit dat hij af en toe ook op zaal verbleef met de mogelijkheid zich dan zaken toe te eigenen waaruit gevaar voor hemzelf en anderen kon voortvloeien was er sprake van een reële dreiging van gevaar. Bovendien zou verzoeker hierdoor, in geval van separeren in eigen kleding, telkens gevisiteerd en/of gefouilleerd moeten worden. Delta PC heeft door het maken van de afweging tussen het verplichten van het dragen van speciale separeer kleding en het visiteren van verzoeker, door te kiezen voor separeer kleding, een minder ver strekkende maatregel genomen dan te kiezen voor visitatie.

Derhalve wordt de klacht ongegrond verklaard.

Beperking bewegingsvrijheid

Volgens verzoeker valt het beperken van de bewegingsvrijheid onder artikel 40 lid 3 BOPZ. Niet alleen het separeren zelf valt daaronder, doch in het bijzonder ook de beperkingen van de bewegingsvrijheid tijdens de mobilisatiemomenten. Verzoeker stelt dat hij, niet alleen in de periode van de dwangbehandeling doch ook in de periode na de dwangbehandeling, niet vrij mocht rondlopen, waardoor er sprake was van een beperking van zijn bewegingsvrijheid.

Delta PC geeft aan dat het hier niet gaat om een zelfstandige beslissing tot beperking van de bewegingsvrijheid volgens genoemd artikel, maar om een beperking die rechtstreeks voortvloeit uit de beslissing tot separatie. De situatie was van dien aard, manische ontremming van verzoeker met consequente antisociale gedragsstoornissen, dat beperking van de bewegingsvrijheid onvermijdelijk was.

De geneesheer-directeur heeft ter zitting aangegeven dat alle patiënten bij opname een folder hieromtrent krijgen uitgereikt. Hierdoor is voldaan aan de vereisten. Een dergelijke bepaling is niet in de wet BOPZ opgenomen. Overigens is niet betwist dat voor iedereen op de gesloten afdeling de deuren gesloten zijn.

De rechtbank oordeelt dat artikel 40 BOPZ doelt op individuele vrijheden. Deze individuele vrijheden kunnen worden beperkt waaronder de bewegingsvrijheid in en rondom het ziekenhuis. Deze beperkingen kunnen onderdeel van de behandeling uitmaken ook wanneer er geen sprake is van dwangbehandeling en naar het oordeel van de behandelaar ongelimiteerde bewegingsvrijheid nadelige gevolgen kan hebben voor de gezondheidstoestand van verzoeker. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende is aangetoond dat de beperking van bewegingsvrijheid, tijdens en na de dwangbehandeling, onvermijdelijk was. Derhalve wordt de klacht ongegrond verklaard.

Het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding en tot vergoeding van het griffierecht

De Wet BOPZ voorziet niet in het door de rechtbank toekennen van een schadevergoeding in gevallen als het onderhavige geval.

Gelet op vorenstaande zal het verzoek tot vergoeding van het griffierecht eveneens worden afgewezen.

Daarom wordt op grond van de BOPZ als volgt beslist.

De beslissing

Wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Lokven-van der Meer, voorzitter,

mrs. Soutendijk-van Appeldoorn en Lagerwerf-Vergunst, rechters, in bijzijn van

Landman, griffier.