Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ2889

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
AWB 08/3480 WW44-T1 en AWB 09/1393 WRO-T1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunning verleend voor de sloop van de helft van een twee-onder-een-kapwoning alsmede bouwvergunning voor de bouw van een vrijstaande woning op dit perceel. Aan vergunninghouder is voorts lichte bouwvergunning verleend voor het veranderen van de zijgevel op zijn perceel ten behoeve van de woning van eiseres. Bescherming van de woning van eiseres in verband met het slopen is voldoende gewaarborgd. Voorts doet zich geen van de andere gronden voor weigering van een sloopvergunning voor. Bouwvergunning voor nieuw te bouwen woning is in overeenstemming met bestemmingsplan. Welstandsadvies kon worden gevolgd. Verweerder heeft in redelijkheid vrijstelling kunnen geven van het bestemmingsplan voor de plaatsing van de buitenzijgevel ten behoeve van de woning van eiseres. Geen evidente privaatrechtelijke belemmering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/3480 WW44-T1 en AWB 09/1393 WRO-T1

Uitspraak in de gedingen tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. M. van Gastel, advocaat te Hellevoetsluis,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westvoorne, verweerder.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen:

[naam], wonende te [woonplaats], vergunninghouder.

1 Ontstaan en loop van de procedures

1.1 Ontstaan en loop van de procedure AWB 08/3480 WW44-T1

Bij besluit van 8 april 2008 heeft verweerder vergunning verleend voor de sloop van de helft van een twee-onder-een-kapwoning, op het perceel [adres 1] te [woonplaats]. Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder vergunning verleend voor de bouw van een woning op dit perceel.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit I) heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 3 november 2008 een verweerschrift ingediend.

1.2 Ontstaan en loop van de procedure AWB 09/1393 WRO-T1

Bij besluit van 21 mei 2008 heeft verweerder aan vergunninghouder een lichte bouwvergunning verleend voor het veranderen van een zijgevel op het perceel [adres 1] te [woonplaats], ten behoeve van de woning op het perceel [adres 2] te [woonplaats].

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, onder verlening van vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit II) heeft eiseres bij brief van 28 april 2009 beroep ingesteld.

1.3 Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gevoegd plaatsgevonden op 29 mei 2009. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Slaats. Vergunninghouder is in persoon verschenen.

2 Overwegingen

Eiseres is eigenaresse van de bungalow aan de [adres 2] te [woonplaats]. Vergunninghouder is eigenaar van de bungalow [adres 1] te [woonplaats]. Deze bungalows zijn gespiegeld tegen elkaar gebouwd. Vergunninghouder is voornemens zijn bungalow te slopen en hiervoor in de plaats een vrijstaande woning terug te bouwen. Hij heeft daartoe op 7 december 2007 een aanvraag sloopvergunning en een aanvraag bouwvergunning ingediend. Beide vergunningen zijn door verweerder verleend, waarbij bij het bestreden besluit I aan de vergunning voor de sloop van de woning aan de [adres 1] het volgende is toegevoegd: “bij de verleende sloopvergunning met nummer 2007005228 het plaatsen van een nieuwe zijgevel conform een door vergunninghouder ingediende tekening als voorwaarde op te nemen.”

Verweerder heeft daartoe overwogen dat vergunninghouder inmiddels een lichte bouwvergunning voor het plaatsen van een nieuwe linker buitenzijgevel voor de woning aan de [adres 2] heeft aangevraagd en dat deze vergunning bij besluit van 21 mei 2008 is verleend.

Verweerder heeft het door eiseres tegen de lichte bouwvergunning gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en, onder verlening van een vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO de verleende vergunning in stand gelaten.

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.5.1. van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180, hierna: de Invoeringswet) blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 9.1.11 van de Invoeringswet blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

De aanvraag voor de bouwvergunning voor de woning op het perceel [adres 1] is bij verweerder ingekomen 7 december 2007, en de aanvraag voor de bouwvergunning (en vrijstelling) voor het plaatsen van de nieuwe zijgevel op 8 april 2008, zodat in het onderhavige geval, voor zover het de Woningwet en de WRO betreft, het recht van toepassing is zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Wro.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening Westvoorne 2008 (hierna: de Verordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

Voor zover hier van belang mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet worden geweigerd indien:

c) het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d) het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Dezelfde weigeringsgronden gelden op grond van artikel 44, derde lid, van de Woningwet eveneens voor de beoordeling van een aanvraag voor een lichte bouwvergunning.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, zoals dit artikel luidde tot 1 juli 2008 en voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Eiseres betoogt – kort en zakelijk weergegeven – het volgende. De sloopvergunning is voortijdig verleend en bij de verlening ervan is onvoldoende rekening gehouden met welstandsaspecten. De bouwvergunning voor de woning aan de [adres 1] is volgens eiseres verleend strijd met het bestemmingsplan en in strijd met redelijke eisen van welstand. Ten aanzien van de vergunning voor het veranderen van de zijgevel van de woning aan de [adres 2] (hierna: voor de plaatsing van de buitenzijgevel) – stelt zij dat onvoldoende rekening is gehouden met eigendomsverhoudingen en dat de vergunning voorbarig is verleend. Verder betoogt zij dat geen redelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden bij de verlening van de vrijstelling.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.1 De sloopvergunning

De sloopvergunning is verleend op grond van artikel 8.1.6 van de Verordening. Verweerder heeft bij de vergunningverlening overwogen dat de nieuwe zijgevel van het pand aan de [adres 2] dient te voldoen aan het Bouwbesluit 2003 en dat tijdens het slopen de nodige zorgvuldigheid in acht genomen dient te worden om schade aan dit pand te voorkomen.

De rechtbank overweegt primair dat eiseres in haar bezwaar tegen de sloopvergunning heeft aangevoerd dat na de sloop een nieuwe buitenmuur tegen de bestaande muur (thans een binnenmuur) van [adres] dient te worden opgemetseld. Hoewel verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard, heeft hij in bezwaar aan de vergunning toegevoegd dat een nieuwe zijgevel conform een door vergunninghouder ingediende tekening wordt geplaatst. De rechtbank constateert dat verweerder deels aan de bezwaren van eiseres tegemoet is gekomen en derhalve ten onrechte haar bezwaar ongegrond heeft verklaard. Het beroep van eiseres is in zoverre gegrond en het bestreden besluit I moet op dit punt vernietigd worden.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om – in het kader van een finale geschilbeslechting tussen partijen – te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand kunnen blijven.

Artikel 8.1.6 van de verordening noemt limitatief vijf gronden voor weigering van een sloopvergunning. Ingevolge artikel 8.1.6, aanhef en onder b, van de Verordening moet een sloopvergunning worden geweigerd indien de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op voldoende peil kan worden gewaarborgd.

In bezwaar is bij de sloopvergunning opgenomen dat een nieuwe buitenzijgevel wordt aangebracht tegen de na sloop vrijkomende binnenmuur van de woning aan de [adres 2]. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank de bescherming van deze woning in verband met het slopen voldoende gewaarborgd. Verder doet zich geen van de andere gronden voor weigering van een sloopvergunning zich voor, zodat verweerder de sloopvergunning niet op grond van artikel 8.1.6 van de verordening kon weigeren.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar betoog dat de sloopvergunning voortijdig zou zijn verleend. Eiseres voert daartoe aan dat het bezwaar tegen de voor de sloop benodigde vergunning voor het veranderen van de zijgevel van het pand aan de [adres 2] naar verwachting zal worden gehonoreerd. Vaststaat dat de vergunning voor de plaatsing van de buitenzijgevel is verleend en dat het bezwaarschrift tegen deze vergunning bij besluit van 17 maart 2009 ongegrond is verklaard. Dit betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

De rechtbank overweegt verder dat het beroep tegen de sloopvergunning voor het overige ziet op welstandsaspecten. Welstand is, gezien de limitatieve gronden voor de weigering van een sloopvergunning als genoemd in artikel 8.1.6 van de Verordening, geen relevante factor bij het verlenen van een sloopvergunning. Voor het verlenen van een sloopvergunning is geen welstandsadvies nodig, omdat welstand ziet op een nieuw op te richten gebouw of bouwwerk en niet op een (na sloop) resterend deel daarvan. De welstandsbezwaren die eiseres tegen de sloopvergunning aanvoert, kunnen derhalve niet leiden tot het oordeel dat de sloopvergunning in rechte geen stand kan houden.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I inzake de sloopvergunning in stand te laten.

2.2 De bouwvergunning voor de woning

Eiseres betoogt dat de woning, vanwege de breedte van de te bouwen woning in relatie tot de feitelijke breedte van het perceel waarop de bouwplannen betrekking hebben en die volgens eiseres 18 meter bedraagt, op kortere afstand van een niet-aaneengebouwde zijde van een woning wordt gebouwd dan de volgens de geldende bestemmingsplanvoorwaarden vereiste drie meter. Zij onderbouwt de door haar gestelde breedte van het perceel niet nader.

Partijen verschillen van opvatting over de breedte van het perceel op de locatie [adres 1]. Verweerder heeft aangegeven dat uit een nameting in het gemeentelijk kadastrale systeem is gebleken dat de breedte van het perceel enkele centimeters meer bedraagt dan 18,02 meter. Ter zitting is dit aan de orde geweest en dit is door eiseres niet bestreden. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het perceel tenminste 18,02 meter is. Nu, als niet weersproken, de breedte van de bouwen woning 12,02 meter is en de woning op het midden van de breedte is geprojecteerd, is, zoals ook blijkt uit de bij de vergunning gevoegde bouwtekening, de afstand van de woning tot de beide perceelsgrenzen drie meter. In dit opzicht worden de toepasselijke bestemmingsplanvoorwaarden derhalve niet overschreden.

Dat de bouwtekening voor de woning aan de [adres 1] uitgaat van een situatie waarbij de woning aan de [adres 2] is gebouwd tot de perceelsgrens, maakt dit niet anders. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de woning aan de [adres 1] in strijd met het bestemmingsplan is vergund omdat (naderhand) is vergund een buitenzijgevel aan het pand aan de [adres 2] op te richten die 20 centimeter over de perceelsgrens van de locatie [adres 1] heen wordt gebouwd. Weliswaar zal, uitgaande van een perceelsbreedte van de locatie [adres 1] van 18,02 meter, nadat de vergunde bouwwerkzaamheden zijn voltooid, de afstand tussen de nieuwe woning aan de [adres 1] en de woning aan de [adres 2] minder bedragen dan 3.00 meter, maar voor de bouw van de nieuwe zijgevel aan de woning aan de [adres 2] (over de perceelsgrens heen) wordt vrijstelling verleend van de bestemmingsplanvoorwaarde dat in een zone van 3.00 meter aan een niet-aaneengebouwde zijde van een woning niet mag worden gebouwd. Voor deze kortere afstand is derhalve bij de lichte bouwvergunning vrijstelling verleend.

Eiseres betoogt verder dat de welstandstoets gebrekkig is geweest. Ter staving hiervan heeft eiseres een advies ingebracht van dr. J. Vredenberg van 8 april 2008 (hierna: het advies van Vredenberg). Volgens dit advies kent de bebouwing aan de [straatnaam], hoewel het gebied waar het bouwplan is geprojecteerd door de gemeente is omschreven als W2 “individuele bouw”, wel samenhang, omdat de rij bungalows aan de [straatnaam] als één geheel is ontworpen. Op het niveau van straat is daarom sprake van samenhang uit oogpunt van architectuur en stedenbouw. De massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling van de vergunde woning aan de [adres 1] hebben geen enkele samenhang met de omgevingsbebouwing aan de [straatnaam]. Gevelopbouw, geleding en plasticiteit dienen ook binnen W2 gebieden ten minste in grote lijnen aan te sluiten op de in de omgeving aanwezige karakteristieken. Hiervan is bij het plan voor de [adres 1] geen sprake. Bovendien mist het overgebleven deel van de twee-onder-een-kapwoning door de sloop een samenstellend deel. Op de locatie [adres 2] ontstaat een situatie die uit oogpunt van welstandszorg onwenselijk is en bij een bouwplan nooit zou worden goedgekeurd, aldus het advies van Vredenberg.

De rechtbank constateert dat de welstandcommissie op 14 januari 2008 een positief welstandsadvies heeft gegeven. Naar aanleiding van het advies van Vredenberg heeft de commissie op 25 juni 2008 een nadere reactie gegeven. De commissie licht daarin toe dat het welstandsniveau in het desbetreffende gebied “basis” is. Dit is het laagste niveau van welstandstoetsing. Toetsing is beperkt tot de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, schaal en geleding van het gebouw, het overwegende materiaalgebruik en de gebruikte kleurtoon. De commissie blijft bij haar eerdere advies dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, conform het welstandsniveau in het gebied. Zij merkt overigens op dat bij een second opinion de welstandsnota leidraad voor toetsing/beoordeling van een bouwplan dient te zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt het advies van Vredenberg niet tot twijfel over de inhoud en de wijze van totstandkoming van het welstandsadvies als gegeven op 14 januari 2008 en de nadere reactie van 25 juni 2008. Verweerder heeft deze aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mogen leggen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat een welstandscommissie primair tot taak heeft de bestaande situatie te beschermen. De welstandscommissie dient een haar voorgelegd bouwplan te toetsen aan de ter plaatse geldende eisen van welstand. Dit heeft de commissie in haar advies van 14 januari 2008 en de nadere reactie van 25 juni 2008 gedaan. In de nadere reactie is voldoende toegelicht waarom het advies van Vredenberg niet doorslaggevend wordt geacht voor de beoordeling van de welstand. Bovendien heeft verweerder in zijn overwegingen kunnen betrekken dat, zoals ook uit ter zitting overgelegde foto’s is gebleken, in het betreffende gebied bij meer woningen wordt afgeweken van de bouwstijl van eenlaagse bungalows. Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, heeft de welstandscommissie in haar advies buiten beschouwing kunnen laten dat, naar eiseres stelt, de welstand van het overgebleven deel van de twee-onder-een-kapwoning wordt aangetast door de sloop.

De rechtbank is niet gebleken dat de welstandscommissie, zoals eiseres betoogt, in haar advies buiten haar bevoegdheden is getreden. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het object van de welstandstoets het bouwplan is, bezien op zichzelf als in relatie met zijn omgeving. Het bestemmingsplan laat ruimte voor de bouw van een vrijstaand huis. De welstandstoets mag niet zo ver strekken dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, illusoir worden. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 18 februari 2000, AB 2000, 186 en in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 juni 2006, LJN: AX8507.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de woning aan de [adres 1] en die aan de [adres 2] deel uitmaken van hetzelfde bouwwerk en dat het veranderen van dit bouwwerk zonder bouwvergunning verboden is. Elk van de woningen is blijkens de situering en de inrichting bedoeld om afzonderlijk te bewonen, zodat zij niet beschouwd kunnen worden als deel van hetzelfde bouwwerk. Dat de woningen als twee-onder-een-kap woning zijn gebouwd, leidt niet tot een andere conclusie. Voor de sloop van woning aan de [adres 1] is derhalve geen bouwvergunning voor woning aan de [adres 2] noodzakelijk.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep tegen de bouwvergunning ongegrond is. Het bestreden besluit I kan op dit punt in rechte stand houden.

2.3 De bouwvergunning en vrijstelling voor de plaatsing van de buitenzijgevel

Krachtens artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m² en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 meter. Het bouwplan voor de plaatsing van de buitenzijgevel ten behoeve van de woning aan de [adres 2] voldoet hieraan.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres tegen de vergunning voor de plaatsing van de buitenzijgevel ongegrond verklaard, en onder verlening van een vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO de vergunning in stand gelaten. Verweerder is in zoverre aan de bezwaren van eiseres tegemoet gekomen en heeft derhalve ten onrechte haar bezwaar ongegrond verklaard, zodat het beroep op dit punt gegrond is en het bestreden besluit II in zoverre vernietigd dient te worden.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om – in het kader van een finale geschilbeslechting tussen partijen – te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand kunnen blijven. De rechtbank zal daartoe de beroepsgronden die eiseres tegen het bestreden besluit II heeft ingebracht, beoordelen.

Eiseres stelt terecht dat de sloopvergunning en de bouwvergunning voor de woning aan de [adres 1] nog niet onherroepelijk zijn. Daaraan kan echter niet de conclusie worden verbonden dat de vrijstelling en de bouwvergunning voor de plaatsing van de buitenzijgevel prematuur zijn verleend. Zoals eiseres eveneens terecht stelt, komt de vergunninghouder zonder sloopvergunning niet toe aan het plaatsen van de nieuwe buitenzijgevel. De zijgevel komt immers pas vrij na de sloop. Dat pas na sloop feitelijk gebruik gemaakt kan worden van de bouwvergunning voor het plaatsen van de buitenzijgevel, betekent echter niet dat verweerder de aanvraag om een vrijstelling en vergunning voor de plaatsing van de buitenzijgevel buiten behandeling had dienen te laten, te meer niet omdat aan de sloopvergunning is verbonden dat de nieuwe buitenzijgevel wordt geplaatst.

Eiseres betoogt verder dat verweerder zich er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat hij vergunning en vrijstelling heeft verleend voor het bouwen van een nieuwe buitenzijgevel aan een bouwwerk dat geen eigendom is van de vergunningaanvrager.

Voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de vrijstelling in de weg staat is slechts aanleiding, wanneer zo'n belemmering een zekere evidentie heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden en eiseres de mogelijkheid heeft dat antwoord te verkrijgen (zie onder meer een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 december 2006, LJN: AZ4260). Van een zodanige privaatrechtelijke belemmering is in dit geval geen sprake. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de nieuwe buitenzijgevel wordt geplaatst op het perceel waarvan vergunninghouder eigenaar is. De gevel wordt weliswaar vastgebouwd aan de eigendom van eiseres, maar dit is, gelet op het bepaalde in titel 5 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, geen evidente privaatrechtelijke belemmering.

De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen overgaan. Bij het verlenen van vrijstelling heeft verweerder op niet onredelijke wijze de belangen van vergunninghouder bij de plaatsing van de buitenzijgevel, welke is vereist op grond van de aan vergunninghouder verleende sloopvergunning, afgewogen tegen het door eiseres gestelde belang dat niet aan haar woning wordt gebouwd door een derde. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat eiseres gebaat is bij het herstellen van de zijgevel van haar woning, omdat anders na de sloop van de woning aan de [adres 1], een binnenmuur de buitenzijde van haar woning zou vormen.

Voorzover eiseres gronden aanvoert die zien op de sloopvergunning voor de woning aan de [adres 1] en de bouwvergunning voor de nieuwe woning op deze locatie, kunnen deze niet worden betrokken in de beoordeling van het beroep tegen de bouwvergunning voor de plaatsing van de buitenzijgevel. De rechtbank heeft deze gronden onder punt 2.1 en 2.2 in haar overwegingen betrokken.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt, gezien de samenhang van de gevoegde beroepen, de proceskosten op € 966,-- aan kosten van door een derde beroeps¬matig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen gegrond,

vernietigt het bestreden besluit I voor zover dit betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het verlenen van de sloopvergunning,

vernietigt het bestreden besluit II,

bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven,

bepaalt dat de gemeente Westvoorne aan eiseres het betaalde griffierecht van in totaal € 295,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,-- en wijst de gemeente Westvoorne aan als de rechts¬persoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. J.A.F. Peters en

mr. C.A. Schreuder, leden, en door de voorzitter en mr. S.M. Joseph, ondertekend.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 14 juli 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.