Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ2775

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
279883 HA ZA 07-664
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schadestaat nav arbeidsongeval matroos- complicaties ivm britse werkgever/verzekeraar-grenzen regresrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 279883 HA ZA 07-664

Uitspraak: 18 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser],

wonende te Tallinn, Estland,

2. de rechtspersoon naar het recht van het land van vestiging NAVIGO MANAGEMENT CO,

gevestigd te Limassol, Cyprus,

2. de rechtspersoon naar het recht van het land van haar vestiging THE UNITED KINGDOM MUTUAL STEAMSHIP ASSURANCE ASSOCIATED (BERMUDA) LTD,

gevestigd te Hamilton, Bermuda,

eisers,

advocaat mr. O.E. Meijer,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROTTERDAM SHORT SEA TERMINALS B.V.

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Partijen worden hierna aangeduid als "eisers" dan wel, eisers elk afzonderlijk, als “[eiser]”, “Navigo” en “UKM”, respectievelijk “RST”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 12 februari 2007 en de door eisers overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met productie.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 31 december 1999 is [eiser], volmatroos op het m.s. Comma, tijdens het lossen van de Comma te Rotterdam als gevolg van een val van een container gewond geraakt.

2.2

Bij vonnis van 1 december 2004 (zaak/ rolnr: 143376 HA ZA 00-1901) heeft deze rechtbank RST veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. In dat vonnis is overwogen, dat [eiser] voor 20% eigen schuld heeft aan het hem overkomen ongeval. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3

Tegen het vonnis in de zaak met rolnr. 00-1901 is appel ingesteld.

2.4

Aan [eiser] is $ 50.000,= betaald. Een in dat verband opgemaakte deed of release, die een omschrijving van het voorval bevat en getekend is op 29 augustus 2000 vermeldt op dat punt: “settlement figure $ 50.000,= (…) to the extend of the settlement figure outlined hereunder, the applicant ([eiser], opm rb) hereby irrevocably assigns any such claims and or recoveries which he may have and/or receive in respect of the claim described hereunder to Navigo (…)”.

3 Het geschil

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van € 6.868,36, GBP 282 en USD 116.479,= aan eisers, met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van (een deel van) de vaststaande feiten hebben eisers aan de vordering, kort en zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat de gevorderde bedragen de schade uitmaken die eisers hebben geleden als gevolg van het ongeval.

RST heeft gemotiveerd verweer gevoerd; het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van eisers in de kosten van het geding. Op de stellingen in dat kader zal hierna, voor zoveel nodig, worden teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1

Nu het hier een schadestaatprocedure betreft moet de aansprakelijkheid als vaststaand worden aangemerkt; daaraan doet het ingestelde appel niet af, omdat het vonnis in de zaak met rolnr 00-1901 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Uiteraard zal, indien het komt tot een veroordeling, het vastgestelde eigen schuld-percentage verdisconteerd moeten worden. Daarover twisten partijen op zich ook niet. Voorlopig zal daarbij uitgegaan moeten worden van 20% eigen schuld, maar vanzelfsprekend moet dat percentage worden aangepast als het hof bij het te wijzen arrest tot een ander percentage komt.

Nu blijkens de dupliek RST kennelijk al in 2007 van grieven heeft gediend, en dus vermoedelijk eisers inmiddels ook een memorie van antwoord hebben genomen, acht de rechtbank het uit proceseconomische redenen geraden een comparitie van partijen te gelasten, bij welke gelegenheid de stand van zaken in de appelprocedure en de daaraan eventueel te verbinden consequenties besproken kunnen worden.

RST wordt verzocht tenminste twee weken voor de zitting de memorie van grieven alsmede eventuele nadere stukken toe te zenden. Eisers dienen de mogelijk reeds genomen memorie van antwoord toe te zenden.

4.2

Ter comparitie zal voorts met partijen over de thans voorliggende vordering worden gesproken, waarbij wellicht afspraken te maken zijn over de voortgang van de procedure.

Met het oog daarop wordt reeds thans het volgende overwogen.

4.3.1

Er bestaat geen wettelijk beletsel voor het reeds thans vorderen van schadeloosstelling voor zover de schade vast staat, waarbij later op de overige posten wordt teruggekomen; gesteld noch gebleken is dat dit zozeer in strijd is met de goede procesorde dat deze aanpak om die reden onacceptabel zou zijn. Dat neemt niet weg dat het uit proceseconomische overwegingen de voorkeur verdient als alle schadeposten thans worden voorgelegd; dat moet inmiddels, 9 jaar na het ongeval, redelijkerwijs mogelijk zijn.

4.3.2

Voorts is in beginsel noodzakelijk dat ten aanzien van elke post wordt verduidelijkt vergoeding aan wie van eisers wordt gevraagd en waarom. Anderzijds kunnen vraagtekens gezet worden bij het belang van RST op dit punt: als de rechtbank van oordeel is dat zij bedragen dient te betalen kan zij immers een eventueel toe te wijzen bedrag bevrijdend betalen aan elk van eisers, naar haar eigen keuze, waarna het aan eisers is om onderling al dan niet tot verdeling/regres over te gaan. Vanzelfsprekend geldt dit uitsluitend voor de schadeposten waarvan op zichzelf duidelijk is dat ze aan één van eisers vergoed moeten worden en de onzekerheid zich beperkt tot de vraag aan wie van hen.

Dit punt zal ter comparitie worden besproken.

4.4 schade [eiser]

Voor zover het gaat om directe schade voor [eiser] zelf als gevolg van het ongeval moet worden aangenomen dat RST gehouden is die (voor 80%) te vergoeden en doet (behoudens voor de rentevordering) niet ter zake of de betreffende post al daadwerkelijk is betaald; voldoende is dat [eiser] het betrokken bedrag verschuldigd is. Evenmin doet daarbij ter zake of de betreffende rekeningen al dan niet op naam van [eiser] zijn gesteld.

Aan de hand van de thans overgelegde stukken valt echter niet in te zien dat [eiser] zelf op dit moment nog iets te vorderen heeft van RST. Kennelijk zijn in de visie van eisers alle medische kosten en diverse bijkomende kosten (reis- en verblijfkosten) rechtstreeks door Navigo of UKM betaald. Datzelfde lijkt te gelden voor het loon van [eiser] (waarover hierna meer) en andere schade, waarvan de omvang blijkens de deed of release (productie E 2.9 bij dagvaarding) gefixeerd lijkt te zijn op $ 50.000,=. Eisers zullen ter comparitie hebben toe te lichten of en zo ja, in hoeverre en uit welken hoofde [eiser] zelf nog een vordering op RST meent te hebben.

4.5 vordering Navigo en UKM

Waar eisers vergoeding vragen van bedragen die UKM of Navigo aan dan wel ten behoeve van [eiser] hebben betaald kan, bij betwisting, van eisers wel gevergd kan worden dat de betaling wordt aangetoond, in elk geval met het oog op de gevorderde rente. Eisers zullen daarom, tenminste twee weken voor de comparitie, de betalingsbewijzen ten aanzien van de betreffende posten hebben over te leggen.

4.6 vordering Navigo voorts

4.6.1

In beginsel komt Navigo, als werkgever, een verhaalsrecht toe voor het loon dat zij [eiser] heeft doorbetaald toen hij als gevolg van het voorval niet kon werken. Daarmee is echter niet gezegd dat dat verhaalsrecht meebrengt, dat RST alle kosten die zij heeft gemaakt in verband met het voorval zonder meer van RST kan terugvorderen.

Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

RST heeft zich bij dupliek voor het eerst uitdrukkelijk beroepen op art. 6:107a lid 2 BW; wel heeft zij eerder het civiele plafond genoemd. Kennelijk zijn beide partijen van oordeel dat in casu, ook voor wat betreft de omvang van de schade, Nederlands recht van toepassing is en daarmee in het bijzonder ook het genoemde artikel. De rechtbank gaat daarvan dan ook uit.

Niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is betwist dat [eiser] als gevolg van het ongeval enige tijd niet heeft kunnen werken. De toepasselijkheid van art. 6 :107a BW betekent, dat als Navigo gehouden was [eiser] tijdens die periode zijn loon door te betalen, RST dat bedrag aan Navigo zal hebben te vergoeden. Het civiele plafond houdt echter, kort gezegd, in dat de (mogelijk voor [eiser] gunstige) bedingen in de arbeidsrelatie niet zonder meer ten laste van RST gebracht kunnen worden: RST hoeft aan Navigo niet meer te betalen dan Navigo van RST zou hebben kunnen vorderen als geen loondoorbetalingsverplichting bestond, min het bedrag dat RST aan [eiser] moet betalen. Voor wat betreft het bestaan van een loondoorbetalingsverplichting verwijzen eisers naar de arbeidsovereenkomst (prod 9 bij repliek). In dit stuk, dat blijkens de datum van ondertekening -3 december 1999- gold op het moment van het ongeval -31 december 1999-, blijkt niets van een dergelijke verplichting. Kennelijk moet deze worden gevonden in de, in de arbeidsovereenkomst toepasselijk verklaarde, “current ITF Collective Agreement”. RST heeft betwist dat de door eisers bij dagvaarding als productie 4 overgelegde tekst van toepassing is, nu het een versie betreft die niet is getekend en bovendien ziet op schepen die, anders dan de Comma, onder Duitse vlag varen. Gelet op de betwisting van RST op dat punt zullen eisers, gelet op het gestelde in de conclusie van dupliek onder 14, 15 en 31, nader hebben in te gaan op de ten tijde van het ongeval geldende collectieve overeenkomst. Indien RST beschikt over nader schriftelijk bewijs ten aanzien van de geldigheid van de overgelegde overeenkomst dient zij dat tenminste twee weken voor de comparitie toe te zenden.

Voor zover daaruit blijkt dat Navigo gehouden was [eiser] een bepaalde periode door te betalen kan zij die kosten -althans het nettoloon- met inachtneming van het eigen schuld percentage conform art. 6:107a BW op RST verhalen.

4.6.2

Voor het overige zal Navigo nader moeten toelichten hoe de toepasselijkheid van art. 6:107a lid 2 BW zich verhoudt tot haar vordering; zij wordt verzocht de (cijfermatige) bewijsstukken op dat punt tenminste twee weken voor de zitting toe te zenden.

In dat verband behoeft bijvoorbeeld nadere toelichting de grondslag van de vordering voor zover deze ziet op de nota ter zake van kosten van een vervanger van [eiser] (Tkachuk); in beginsel is dit immers een post, die door de werking van het civiele plafond van verhaal wordt uitgesloten. Voorts dient inzicht te worden gegeven in de fiscale situatie, zodat het nettoloon kan worden vastgesteld.

4.6.3

Een deel van de vordering ziet kennelijk op medische en andere kosten die [eiser] in beginsel zelf had moeten betalen en als ongevalsgevolg op RST had kunnen verhalen, doch die door Navigo (of UMK) voor hem zijn betaald. Navigo en UMK zullen hebben toe te lichten hoe hun vordering op dat punt begrepen moet worden, in het bijzonder wie van hen wat betaald heeft.

4.6.4

Voorts is aan [eiser] -volgens de stellingen van eisers door Navigo- een bedrag van

$ 50.000,= betaald als onder 2.4 hiervoor genoemd.

De exacte aard van deze betaling in de visie van Navigo en UMK is niet duidelijk; weliswaar betwisten zij dat deze als een uitkering van een sommenverzekering moet worden gezien, maar zij stellen niet hoe deze uitkering wel moet worden beschouwd.

Dit punt mist echter belang, nu Navigo kennelijk dit volle bedrag van UMK vergoed heeft gekregen (waarmee gelijk te stellen is de situatie dat UMK het bedrag uit praktische overwegingen namens Navigo rechtstreeks aan [eiser] heeft overgemaakt) zodat niet valt in te zien waarom Navigo op dat punt nog een vorderingsrecht toekomt. Het zou dus naar het zich laat aanzien hoogstens UMK zijn die ter zake iets te vorderen heeft van RST.

4.6.5

Eventuele nadere bewijsstukken op deze punten dienen eisers twee weken voor de comparitie toe te zenden aan de rechter-commissaris en de wederpartij.

4.7 de vordering van UMK

UMK vordert kennelijk op grond van subrogatie van RST de door haar, UMK, aan [eiser] en/of aan Navigo, haar verzekerde/verzekeringnemer uitgekeerde bedragen.

4.7.1

De rechtbank gaat er voorlopig van uit, dat de vraag of UMK is gesubrogeerd in de rechten van [eiser] jegens RST beoordeeld moet worden naar Engels recht, en dat naar dat recht beoordeeld de grondslag van de betalingen door UMK aan [eiser] niet ter zake doet. Dat betekent, dat UMK ingevolge de betalingen in principe gesubrogeerd is in de rechten van [eiser] jegens RST. Ook wat dat betreft is de precieze grondslag van de onder 2.4 en 4.6.4 bedoelde betaling dus niet relevant.

Partijen zullen zich omtrent het op dit punt toepasselijk recht en de daaraan te verbinden consequenties desgewenst ter comparitie nader kunnen uitlaten.

4.7.2

UMK heeft kennelijk aan Navigo betalingen gedaan, ter zake van onder meer de in het slot van 4.7.2 bedoelde kosten, op basis van een tussen haar en Navigo geldende verzekeringsovereenkomst.

Voor wat betreft de inhoud van de verzekeringsovereenkomst tussen Navigo en UKM acht de rechtbank voorshands de door eisers overgelegde stukken voldoende en de betwisting door RST onvoldoende onderbouwd. De rechtbank maakt uit productie 8 bij conclusie van repliek op, dat de schade als gevolg van letsel van een zeeman als hier aan de orde gedekt is onder section 2 en dat de dekking omvat :

“Liability to pay damages or compensation for personal injury(…) of any seaman and hospital, medical, funeral and other expenses necessarily incurred in relation to such injury … ,including expenses of repatriating the seaman and sending abroad a substitute to replace him.

Provided always that:

Where the liability arises or the costs or expenses are incurred under the terms of a crew agreement or other contract of service or employment and would not have arisen but for those terms, that liability is not covered by the Association unless and to the extent that those terms shall have been previously approved by the Managers in writing.”

Dat betekent, dat het hier in de eerste plaats een aansprakelijkheidsverzekering betreft: verzekerd is immers het (schade)bedrag dat [eiser] van Navigo kan vorderen. Daarnaast is de dekking verruimd naar andere kosten, zoals de kosten van een vervanger.

4.7.3

Voor wat betreft de schade van [eiser] gaat het, nu de aansprakelijkheid voor 80% vast staat, om het causaal verband tussen het ongeval en bedoelde kosten en om de omvang van die kosten. Het gaat hier enerzijds om de vergoeding door UMK van diverse medische kosten en kosten van repatriëring en anderzijds om de uitkering van $ 50.000,=.

UMK kan echter niet meer rechten jegens RST doen gelden dan [eiser] zelf zou hebben gekund.

Voor wat betreft de kosten van medische behandeling en repatriëring etc. heeft RST niet gemotiveerd betwist dat [eiser] daarvan (voor 80%) van haar vergoed had moeten krijgen.

Voor wat betreft de uitkering van $ 50.000,= geldt het volgende.

RST heeft de stellingen van eisers gemotiveerd betwist voor zover het gaat om het causaal verband tussen het ongeval en de (mate van) arbeidsongeschiktheid, nu de stukken zeer gedateerd zijn en daaruit voorts blijkt dat een herbeoordeling zou plaatsvinden op 27 april 2001 en de resultaten daarvan ontbreken. Nu [eiser], bij betwisting, ook zou hebben moeten aantonen dat en in hoeverre hij arbeidsongeschikt was geworden tengevolge van het ongeval zal ook UMK dat moeten. Dat betekent, dat eisers tenminste twee weken voor de comparitie bewijsstukken ter zake in het geding zullen moeten brengen.

De rechtbank merkt daarbij op dat niet meer hoeft komen vast te staan dan dat [eiser] tenminste $ 62.500,= aan schade heeft geleden (naast meerbedoelde medische kosten). De onder 2.4 bedoelde betaling bedraagt immers 80% daarvan. Indien, tegen die achtergrond, eisers van oordeel zijn dat overlegging van andere bescheiden niet noodzakelijk is kunnen zij dat ter zitting nader toelichten. Daartoe volstaat, zoals uit het voorgaande, echter niet het enkele feit van de betaling van $ 50.000,= tegen kwijting.

De andere kosten, zoals het loon dat Navigo aan [eiser] moest betalen en kosten voor een vervanger van [eiser] die UMK betaald heeft, vormden voor [eiser] geen schade en kunnen dus hier onbesproken blijven.

4.7.4

De dekkingsomschrijving brengt niet mee, dat UMK voor het volle bedrag verhaal op RST kan zoeken. De aansprakelijkheid van Navigo tegenover [eiser] vloeit immers voort uit de arbeidsovereenkomst, terwijl RST jegens [eiser] (en Navigo) uit onrechtmatige daad aansprakelijk is. De delictuele en contractuele grondslagen hebben in beginsel niet meer gemeen dan het feit van het ongeval. Het staat Navigo uiteraard vrij om, zoals zij heeft gedaan, zich (ten behoeve van [eiser] en/of zichzelf) voor meer te verzekeren dan voor de schade, die zij en [eiser] op grond van de wettelijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van RST kunnen vorderen. Die verruiming van de dekking leidt echter niet tot een verruiming van de wettelijke aansprakelijkheid van RST.

Dat betekent, dat voor de door UMK betaalde kosten vast zal moeten komen te staan dat [eiser] daarvoor verhaal op Navigo als zijn werkgever zou hebben gehad en tevens, dat Navigo daarvoor verhaal op RST zou hebben gehad.

Voor wat betreft de werkgeversaansprakelijkheid van Navigo is bedoelde maatstaf hiervoor onder 4.6.2 al besproken. Als deze kosten door UMK zijn vergoed geldt hetgeen daar is overwogen ook hier.

4.8

Voorts zal ter zitting de toepasselijkheid van de Rotterdamse Stuwadoorscondities en in dat verband de juistheid van de feitelijke stellingen in de conclusie van dupliek op dat punt (m.n. 39, 40 en 42) besproken worden. Daarbij zal ook aan de orde komen in hoeverre in het algemeen ruimte bestaat voor derdenwerking van dit type voorwaarden in geval van letselschade.

4.9

Ter zitting zullen ook de volgende kwesties besproken worden:

a. de nota van Dutch P&I (E 2.4), in het bijzonder de aard van de werkzaamheden en het moment waarop deze zijn verricht;

b. de rente.

Schriftelijke bewijsstukken op deze punten dienen eisers tenminste twee weken voor de zitting toe te zenden aan de rechter-commissaris en de wederpartij.

4.10

Hoewel het de voorkeur verdient als [eiser] in persoon ter zitting aanwezig is, is voorstelbaar dat de reis naar Nederland in redelijkheid geacht moet worden onvoldoende toegevoegde waarde te hebben, met name als zijn schade in feite geheel is voldaan als hiervoor onder 4.4 bedoeld; in dat geval kan volstaan worden met de aanwezigheid van een advocaat, die dan echter wel in detail op de hoogte dient te zijn van de situatie.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, [eiser] in persoon en de overige partijen deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Hofmijer-Rutten, op vrijdag 3 juli 2009 van 9.30 tot 11.00u teneinde als voormeld;

bepaalt dat de hiervoor onder 4.1, 4.5, 4.6.2, 4.6.5, 4.7.2, 4.7.4 en 4.9 genoemde bescheiden alsmede andere bescheiden die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

106