Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ2375

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
918094
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Deze zaak is een vervolg op LJN: BG5658.

De kantonrechter bevind, na getuigenverhoren, de aangevoerde grond voor herroeping gegrond en heropent de ontbindingsprocedure.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 390
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/30
AR-Updates.nl 2009-0560
JAR 2010/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie: Rotterdam

Beschikking ex artikel 382 juncto 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Brunel Nederland BV & Brunel International NV,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

verweersters ten aanzien van het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M.J. Keuss,

tegen

[Verweerder],

wonende te Singapore,

verweerder,

verzoeker ten aanzien van het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. Y. van Gemerden & mr. P.P.Ch.J. Spanjaard.

Verzoeksters / verweersters ten aanzien van het zelfstandig tegenverzoek worden hierna in enkelvoud aangeduid als “Brunel”. Verweerder / zelfstandig verzoeker wordt aangeduid als “[verweerder]”. Een en ander voorzover niet anders is vermeld.

1. Het verloop van de procedure

1.1. De kantonrechter verwijst naar de beschikking d.d. 14 november 2008. Daarin is beslist dat Brunel ontvankelijk is in haar verzoek tot herroeping. De kantonrechter heeft een nader onderzoek bepaald naar de vraag of er door [verweerder] al dan niet bedrog is gepleegd in de ontbindingsprocedure. Daartoe is ambtshalve een getuigenverhoor bepaald.

1.2. Vervolgens is op 23 januari en op 30 januari 2009 [verweerder] als getuige gehoord. Zijn verhoor is vastgelegd in een proces-verbaal, gedateerd 23 januari 2009, waaraan een groot aantal producties is gehecht.

1.3. Vanuit de vestiging van Brunel te Capelle aan den IJssel is door middel van videoconferencing op 19 maart 2009 een tweetal getuigen te Singapore gehoord (in de Nederlandse taal), te weten de heer [getuige 1] en mevrouw [getuige 2], de levenspartner van [verweerder]. Deze verhoren zijn opgenomen en door het kantoor van de advocaat van [verweerder] uitgewerkt. Vervolgens zijn deze uitwerkingen aan de kantonrechter en aan de advocaat van Brunel toegezonden. Daarna hebben deze getuigen de verklaringen ondertekend en zijn zij aan het dossier toegevoegd.

1.4. Door [verweerder] is op 23 april 2009 een “antwoordconclusie na enquête ingediend”, voorzien van producties. Op 7 mei 2009 heeft Brunel een “antwoordakte na enquête” ingediend, eveneens met producties. Op 28 mei 2009 heeft [verweerder] een akte houdende uitlating producties ingediend.

2. De verdere beoordeling

Standpunt Brunel

2.1. De getuigenverhoren en het nadere onderzoek hebben volgens Brunel aangetoond dat [verweerder] in de ontbindingsprocedure bedrog heeft gepleegd. Om die reden dient de ontbindingsprocedure te worden heropend. Volgens Brunel is duidelijk dat [verweerder] de kantonrechter heeft voorgelogen met als gevolg dat de kantonrechter in 5.22. van de ontbindingsbeschikking d.d. 11 december 2006 als mede bepalende factor voor de vastgestelde vergoeding in ogenschouw heeft genomen “het feit dat [verweerder] zeer lang in het buitenland heeft gewoond” en“de kennelijke terugkeer van [verweerder] en gezin naar Nederland.”

2.2. De volgende chronologie is van belang:

28 april 2006: ontslagaanzegging

23 juni 2006 zitting kort geding Amsterdam

13 juli 2006 tweede zitting in het kort geding

10 augustus 2006 [verweerder] verlaat woning in Singapore

14 september 2006 huur vervangende woning in Singapore

13 november 2006 zitting in de ontbindingsprocedure in Rotterdam

medio november 2006 [verweerder] vertrekt naar Singapore

11 december 2006 beschikking kantonrechter Rotterdam

9 januari 2007 nieuw verzoek uitoefening optierechten door [verweerder]

10 januari 2007 ontbindingsdatum arbeidsovereenkomst

5 maart 2007 kort geding dagvaarding namens [verweerder] uitgebracht

1 april 2007 indiensttreding [verweerder] bij Energy Resourcing

17 augustus 2007 ontslag [verweerder] bij Energy Resourcing

6 september 2007 affadavit van [verweerder] in Singapore

19 november 2007 indiensttreding [verweerder] bij Mentor

20 augustus 2008 dagvaarding bodemprocedure [verweerder] versus Brunel

2.3. Kort en zakelijk weergegeven onderbouwt Brunel haar standpunt als volgt:

a. tijdens de kort geding procedure in Amsterdam heeft [verweerder] er geen doekjes om gewonden dat zijn gezin en hij naar Nederland zouden repatriëren. Gezegd (“in BBA-termen”) is dat hij zou terugvallen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Bij gelegenheid van de tweede zitting is gesproken over de functie in Nederland die [verweerder] voor Brunel zou gaan vervullen en zijn concrete afspraken gemaakt over de repatriëring;

b. kort daarna gaat [verweerder] een huurovereenkomst voor de duur van twee jaar aan in Singapore, zodat daaruit volgt dat hij niet serieus van plan was voor Brunel in Nederland te gaan werken en dus ook te wonen. In de ontbindingsprocedure heeft [verweerder] dit verzwegen en heeft hij ter zitting gezegd dat vrouw en kinderen tijdelijk bij vrienden in Singapore verbleven;

c. in de ontbindingsprocedure heeft [verweerder] gesteld dat hij over een woning in Nederland beschikt. Deze was echter te klein om er met een heel gezin te wonen. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat [verweerder]’s ouders deze woning huurden. Dat heeft [verweerder] niet gezegd in de ontbindingsprocedure en bovendien betwijfelt Brunel dit;

d. op 31 juli 2006 heeft [verweerder] aan Brunel medegedeeld dat zijn vrouw en kinderen tijdelijk bij vrienden in Singapore verbleven. Dit kan niet kloppen omdat zijn huis tot 10 augustus 2006 tot zijn beschikking stond. Het is dus ook niet zo dat [verweerder], naar eigen zeggen, maandenlang elders heeft gebivakkeerd;

e. in de ontbindingsprocedure is de weigering van Brunel om mee te werken aan het verkrijgen van een permanent residency in Singapore door [verweerder] breed uitgemeten. Uit de getuigenverklaring van mevrouw [getuige 2] volgt dat de medewerking van Brunel helemaal niet nodig was. Uit haar verklaring volgt ook dat het echtpaar van meet af aan wist dat medewerking van Brunel niet noodzakelijk was. Ook dit argument in de ontbindingsprocedure klopt dus niet;

f. op 9 januari 2007 verzoekt [verweerder] (wederom) aan Brunel tot uitoefening van zijn optierechten te mogen overgaan, zonder inhouding omdat hij geen Nederlands belastingplichtige zou zijn. Hij schrijft in deze email dat hij op dit moment in Singapore woont. Brunel reageert daarop met de mededeling dat hij dat wel is, behoudens andersluidende beschikking van de Inspecteur. Ook hieruit volgt dat [verweerder] zelf niet van zins is naar Nederland metterwoon terug te keren;

g. in het verweerschrift in de herzieningsprocedure is onder 86 gesteld dat het [verweerder] pas met ingang van 1 november 2007 was gelukt om een dienstbetrekking in Singapore te vinden. Dit klopt niet omdat uit het getuigenverhoor van [verweerder] blijkt dat hij reeds medio februari 2007 contact heeft gehad met Energy Resourcing en dat hij per 1 april 2007 bij deze vennootschap in dienst is getreden. Een en ander is in strijd met diverse uitlatingen van [verweerder] in deze herzieningsprocedure;

h. uit de getuigenverklaringen volgt dat [verweerder] inderdaad de nodige inspanningen heeft verricht om een nieuwe baan te verwerven, maar dat uit zijn eigen verklaring volgt dat hij zich niet specifiek heeft gericht op Nederlandse werkgevers maar ook op werkgevers in Singapore “en omgeving”. Hetgeen hieromtrent in het verweerschrift is gesteld, namelijk dat hij heel specifiek heeft gezocht naar een voortzetting van zijn carrière in Nederland, klopt dus niet. Evenmin is sprake van een terugval op de Nederlandse arbeidsmarkt;

i. uit de verklaring van [verweerder] blijkt dat hij pas na 10 januari 2007 is gaan nadenken over zijn verdere carrière;

j. in de dagvaarding d.d. 20 augustus 2008 is duidelijk vermeld dat [verweerder] sinds 1997 in Singapore woont en daar werkt;

k. uit een email d.d. 1 oktober 2007 van [verweerder] aan MenSpec, een Singaporees bedrijf waarbij hij als een van de oprichters is betrokken blijkt o.a.: “I regret to write you that I have decided tot withdraw, as of today, from partnering and participating in the Menspec start up. (…) My objective is to be involved in a larger set up with an existing business which has the desire to expand in Asia Pacific and which is looking for someone to grow and manage this business. (…).” Hieruit leidt Brunel af dat [verweerder] altijd volledig gefocust is geweest op Zuid Oost Azië. In zijn getuigenverklaring in deze herzieningsprocedure heeft [verweerder] een geheel andere reden opgegeven voor zijn beslissing niet met MenSpec door te gaan;

l. in 2006 bleek de echtgenote van [verweerder] betrokken te zijn bij een eigen bedrijfje voor de verkoop van Knex, had zij een baan bij een verhuisbedrijf en werkte zij in dienstbetrekking bij de Hollandse school; hieruit volgt dat er geen concrete terugkeerplannen waren;

m. [verweerder] heeft ten overstaan van een Singapore notary public verklaard dat de beschuldigingen over zijn betrokkenheid bij een computerinbraak bij Brunel South East Asia niet klopten. Geconfronteerd met een intern stuk van Energy Resourcing verklaart [verweerder] dat hij meerdere bekentenissen heeft afgelegd. Dit staat op gespannen voet met de stelling in het verweerschrift (onder 85) dat hij deze vermeende inbreuk op het systeem niet heeft erkend. Ook hieruit blijkt dat [verweerder] het niet zo nauw neemt met de waarheid en meineed pleegt;

n. uit de getuigenverhoren en de stukken zijdens [verweerder] volgt dat gedurende de maanden juli tot en met september 2006 advocatuurlijke werkzaamheden in zijn opdracht zijn verricht ten bedrage van minimaal € 30.000,00. Dat betekent dus, nu de mediation op 6 oktober 2006 eindigde en het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 10 oktober 2006 is ingediend, dat de mediation voor [verweerder] een wassen neus was en dat gedurende de mediation al naarstig moet zijn gewerkt aan het verzoekschrift. [verweerder] heeft ook hierover in zijn diverse beëdigde verklaringen onwaarheid gesproken;

o. [verweerder] is, anders dan hij verklaarde, nooit officieel gerepatrieerd. Er is nooit enige inboedel verscheept naar Nederland, hetgeen achteraf gezien logisch is omdat [verweerder] reeds een huis in Singapore had gehuurd waarover hij in de ontbindingsprocedure het zwijgen heeft toegedaan. Hij is overigens lid gebleven van de Nederlandse club in Singapore.

Standpunt [verweerder]

2.4. [verweerder] gaat in zijn verweerschrift gedetailleerd in op de argumenten van Brunel. Voorzover nodig zullen zijn argumenten, voorzover relevant voor de uitkomst van de procedure, hieronder worden beoordeeld.

Oordeel kantonrechter

2.5. Uit de ontbindingsbeschikking volgt dat de kantonrechter ervan uit is gegaan dat het de kennelijke bedoeling van [verweerder] was dat hij zou terugkeren naar Nederland (zie 6.10. van de tussenbeschikking in de herzieningsprocedure). Dit is gebaseerd op de uitlatingen van [verweerder] in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling. Dit uitgangspunt heeft geleid tot een hogere vergoeding dan zou zijn opgelegd als [verweerder] in Singapore zou zijn gebleven. De kantonrechter dient te beoordelen of [verweerder] gedurende de ontbindingsprocedure hierover heeft gelogen. Vast moet komen te staan dat hij toen nooit de intentie had naar Nederland terug te keren. Zoals in de tussenbeschikking is overwogen (6.13.) komt aan het feitelijke gedrag van [verweerder] niet zonder meer doorslaggevende overtuigingskracht toe.

2.6. In aanmerking nemende hetgeen in 6.12. van de tussenbeschikking is overwogen, oordeelt de kantonrechter als volgt. Daarbij wordt uitgegaan van de chronologie, als vermeld onder 2.2., nu onvoldoende is gebleken dat deze niet zou kloppen. Vast is komen te staan dat op 14 september 2006 [verweerder] voor de duur van twee jaar een woning heeft gehuurd in Singapore. Hiervan heeft hij geen melding gemaakt in zijn processtukken of bij gelegenheid van de mondelinge behandeling. [verweerder] wijst op de specifieke huurrechtelijke bijzonderheden in Singapore, doch de kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van [verweerder] had gelegen om mede te delen dat hij deze woning had gehuurd toen hij de stelling innam dat hij naar Nederland zou terugkeren. Verder is komen vast te staan dat de levenspartner van [verweerder] en de kinderen niet maandenlang bij vrienden hebben gelogeerd, doch dat dit slechts een relatief korte periode heeft geduurd. In die zin heeft [verweerder] niet ingevolge de waarheid de kantonrechter geïnformeerd. Anders dan in het verzoekschrift tot ontbinding van [verweerder] is medegedeeld, is voor het verkrijgen van de permanent residency naar Singaporees vreemdelingenrecht niet noodzakelijk dat Brunel hieraan medewerking zou verlenen. Verder komt betekenis toe aan de email van 9 januari 2007 van [verweerder] aan Brunel waarin hij zelf mededeelt niet belastingplichtig in Nederland te zijn. Verder is van belang dat is komen vast te staan dat, anders dan door [verweerder] in de herzieningsprocedure is

medegedeeld, hij niet pas per 1 november 2007 een baan in Singapore heeft gevonden, maar dat dit al op 1 april 2007 het geval was.

2.7. Een aantal andere omstandigheden dat door Brunel is aangevoerd kan als ondersteunende aanwijzingen gelden. De kantonrechter zal deze niet separaat in ogenschouw nemen nu voormelde omstandigheden en hetgeen hierna wordt overwogen voldoende grond vormen om bedrog aan te nemen. Van belang is namelijk dat, zoals in de tussenbeschikking (zie 6.6. en 6.21.) is aangehaald, de beëdigde affidavit de nodige aanwijzingen oplevert dat [verweerder] niet van zins was te repatriëren. De hierboven vermelde punten passen goed in de uitlatingen van [verweerder], te weten “As my family and I have been living in Singapore for such a long time, it made sense for me to find employment which would allow us to continue living here.” [verweerder] voert aan dat hij wel genoodzaakt was een dergelijke verklaring af te leggen om de voor hem financieel zeer schadelijke “Mareva injunction” opgeheven te krijgen. Dat zou echter betekenen dat hij in een juridische procedure in Singapore in zijn eigen belang heeft gelogen. Gecombineerd met de in de vorige alinea aangehaalde overwegingen, oordeelt de kantonrechter dat het hierdoor buitengewoon moeizaam is om het standpunt van [verweerder], dat hij in de ontbindingsprocedure (waarin hij niet als getuige onder ede is gehoord) echt geen onwaarheid heeft verteld, te honoreren, temeer nu met de uitkomst van de ontbindingsprocedure ook forse financiële belangen gemoeid waren. Bovendien heeft [verweerder] ten overstaan van de kantonrechter onder ede verklaard dat hetgeen in de beëdigde affidavit is vermeld klopt.

2.8. Door [verweerder] wordt aangevoerd dat hij serieus in Nederland op zoek is geweest naar een andere baan. De kantonrechter constateert dat door [verweerder] op dit punt de nodige stukken zijn geproduceerd en dat hij hierover als getuige het nodige verklaart. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan dit de kantonrechter echter niet overtuigen, temeer nu het beeld oprijst dat het [verweerder] niet zozeer te doen was om een baan in Nederland doch vooral om een internationale baan. [verweerder] had tijdens de ontbindingsprocedure toch kunnen mededelen dat hij nog niet wist of hij naar Nederland zou terugkeren, maar dat dit afhankelijk was van de mogelijkheid een baan te vinden? Dit is bovendien relevant omdat in dat geval [verweerder] mogelijk expat zou blijven en de kosten van verhuizing en dergelijke hoogstwaarschijnlijk door een opvolgende werkgever zouden worden vergoed.

2.9.Een en ander betekent dat de ontbindingsprocedure wordt heropend. Er zal een datum en tijdstip voor een mondelinge behandeling worden vastgesteld. Partijen mogen daaraan voorafgaand ieder een processtuk indienen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter:

bevindt de door Brunel aangevoerde grond tot herroeping, te weten het verklaren door [verweerder] van onwaarheid omtrent de voorgenomen terugkeer naar Nederland, gegrond,

heropent de ontbindingsprocedure met nummer 756192, waarin de beschikking is gegeven op 11 december 2006,

bepaalt de mondelinge behandeling van de heropende procedure op vrijdag 24 juli 2009 om 13.30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100/125,

bepaalt dat ieder van partijen, desgewenst, voorafgaand aan de mondelinge behandeling een processtuk mag indienen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.