Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ2100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
309589 / HA ZA 08-1558
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Contractsoverneming. Vereisten volgens artikel 6:159 BW: akte van contractsoverneming en medewerking van contractspartij. Feit dat partij na contractsoverneming facturen is blijven sturen aan overdrager duidt op zichzelf op afwezigheid van medewerking, maar in licht van overige omstandigheden van het geval is toch sprake van medewerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 309589 / HA ZA 08-1558

Uitspraak: 1 juli 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te Roosendaal,

eiser,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

- tegen -

1. de vennootschap onder firma,

AAN DE STEGGE WEST,

gevestigd te Ridderkerk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

BSN BEDRIJFSHUIVESTING B.V.,

gevestigd te Twello, gemeente Voorst

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

PIEBOUW BOUWPROJECTEN B.V.,

gevestigd te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duivenland,

gedaagden,

advocaat mr. E.J. Eijsberg.

Eiser wordt hierna aangeduid als “[eiser]”. Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als “Stegge c.s.”. Afzonderlijk worden zij aangeduid als “Stegge”, “BSN” en “Piebouw”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 17 juni 2008, met producties;

- conclusie van antwoord, tevens houdende exceptie van relatieve onbevoegdheid, met producties;

- conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident;

- vonnis van deze rechtbank d.d. 25 februari 2009, waarbij de incidentele vordering is afgewezen;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 18 maart 2009, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 8 mei 2009.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 In juli 2007 is een overeenkomst tot stand gekomen tussen [eiser] en [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) inzake de levering van een staalconstructie door [eiser] ten behoeve van het project ‘Panorama’ te Ridderkerk. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 47.750,= exclusief BTW. De door [eiser] te leveren staalconstructie was bestemd voor het werk tot en met de tweede verdieping van het gebouw ‘Panorama’.

2.2 Op 20 juli 2007 heeft [eiser] een factuur inzake een aanbetaling van 15% van de aanneemsom aan [bedrijf] gestuurd. [bedrijf] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

2.3 Bij brief van 19 november 2007 met als kop “Betreft: Project Panorama Appartementen Ridderkerk” en gericht aan [eiser] hebben [bedrijf] en Stegge gezamenlijk onder meer het volgende bericht:

“Gezien bovengenoemde moeilijkheden is in goed overleg tussen Aan de Stegge West en [bedrijf] besloten dat [bedrijf] de opdracht teruggeeft aan Aan de Stegge West. Laatstgenoemde zal alle contracten voor onderaanneming of levering overnemen van [bedrijf] en de hierin gemaakte afspraken respecteren. Graag zullen wij komende weken een afspraak met u maken om een en ander persoonlijk met u door te nemen.

Afgesproken is dat [bedrijf] het werk af zal maken tot en met het storten van de tweede verdieping, alsmede het metselwerk in de kelder. Daarna zal Aan de Stegge West de projectleiding overnemen, waarbij de contracten en afspraken, welk met u als onderaannemer respectievelijk leverancier zijn gemaakt door Aan de Stegge West worden gerespecteerd.”

2.4 Na ontvangst van deze brief heeft [eiser] de onderhavige staalconstructie geleverd. [eiser] heeft daarbij contact onderhouden met de heer R. van Beek, verbonden aan [bedrijf] en één van de ondertekenaars van de in 2.3 weergegeven brief.

2.5 Op 23 november 2007 heeft [eiser] aan [bedrijf] een factuur gestuurd voor het restant van de in 2.1 genoemde aanneemsom. Op diezelfde datum heeft hij ook een factuur aan [bedrijf] gestuurd ter zake van meerwerk ten bedrage van € 7.993 exclusief BTW, gevolgd door een factuur van 5 december 2007 ter zake van onder meer “montage” ten bedrage van € 5.982,13 exclusief BTW. Ook deze laatste factuur heeft [eiser] gestuurd aan [bedrijf].

2.6 Geen van de facturen heeft [bedrijf] voldaan.

2.7 Bij brief van 26 februari 2008 heeft [eiser] onder meer het volgende aan Stegge bericht:

“Twee weken geleden hebben wij u gesproken over openstaande facturen betreffende project Panorama appartementen Ridderkerk. Deze facturen zijn destijds (zie bijlagen) aan Bouwbedrijf P. [bedrijf] BV gestuurd, maar zouden zoals u in uw brief van 19 november 2007 omschrijft, door uw bedrijf overgenomen worden.”

2.8 Bij brief van 14 maart 2008 heeft de raadsman van [eiser] Stegge gesommeerd binnen twee weken nadien over te gaan tot betaling van een bedrag van € 72.316,30. Stegge heeft niet betaald.

2.9 BSN en Piebouw zijn de vennoten van Stegge.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Stegge c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 72.316,30 met rente (tot 3 juni 2008 een bedrag van € 3.904,80) en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 De in 2.1 bedoelde overeenkomst is door Stegge overgenomen van [bedrijf]. De brief van 19 november 2007 geldt in dat verband als de in artikel 6:159 BW voorgeschreven akte. De medewerking van [eiser] aan deze contractsoverneming blijkt uit het voortzetten van zijn werkzaamheden na ontvangst van die brief, mede gelet op het feit dat hij de staalconstructie had achtergehouden wegens het uitblijven van betaling van de in 2.2 bedoelde factuur.

3.2 De facturen inzake meerwerk en montage houden verband met aanvullende afspraken gemaakt met [bedrijf] na ontvangst van de brief van 19 november 2007. Gelet op de tweede alinea van die brief, mocht [eiser] erop vertrouwen dat [bedrijf] in dit verband bevoegd was Stegge te vertegenwoordigen.

3.3 Stegge c.s. zijn dus gehouden de openstaande bedragen te voldoen.

3.4 Stegge c.s. zijn voorts de wettelijke rente verschuldigd.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

Stegge c.s. hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Van een contractsoverneming is geen sprake. De brief van 19 november 2007 kan niet als akte in de zin van artikel 6:159 BW worden beschouwd. Zij is daarvoor veel te weinig specifiek. Hooguit kan de brief worden opgevat als akte van contractsoverneming ten aanzien van het werk vanaf de tweede verdieping aan het gebouw ‘Panorama’. Dat is voor [eiser] echter niet relevant.

4.2 Van de voor contractsoverneming vereiste medewerking van [eiser] is niet gebleken. Hij heeft na 19 november 2007 geen contact met Stegge opgenomen en zijn facturen is hij blijven richten aan [bedrijf].

4.3 Stegge heeft in het kader van de afrekening met [bedrijf] al voor het werk van [eiser] betaald. Zou contractsoverneming worden aangenomen, dan zou Stegge dus tweemaal voor het geleverde werk moeten betalen.

4.4 Subsidiair geldt dat het meerwerk en de montage pas na de brief van 19 november 2007 tussen [eiser] en [bedrijf] zijn afgesproken. Die afspraken maken dus geen deel uit van de contractsoverneming.

4.5 De gevorderde rente is niet verschuldigd. Stegge was pas sinds februari 2008 op de hoogte van de facturen van [eiser].

5 De beoordeling

5.1 Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de in 2.1 bedoelde overeenkomst tussen [bedrijf] en [eiser] door Stegge is overgenomen. Op grond van artikel 6:159 BW is daartoe een akte vereist tussen Stegge en [bedrijf] alsook medewerking van [eiser].

5.2 Contractsoverneming moet worden beschouwd als een overeenkomst tussen de drie betrokken partijen. Het antwoord op de vraag of die overeenkomst is tot stand gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.

5.3 De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de in 2.3 weergegeven brief heeft mogen opvatten als akte van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende. De brief is ondertekend door [bedrijf] en Stegge gezamenlijk, dus door de (veronderstelde) overdrager en overnemer. In de brief spreken [bedrijf] en Stegge expliciet van het “overnemen” van “alle contracten voor onderaanneming of levering” in verband met het project ‘Panorama’. Anders dan Stegge heeft betoogd, valt niet in te zien dat deze mededeling te weinig specifiek is. De term “alle contracten” laat in redelijkheid geen twijfel bestaan over de reikwijdte van de overneming. Dat geldt te meer nu in het geval van [eiser] – zoals hij onweersproken heeft gesteld en ook valt af te leiden uit de door Stegge in het geding gebrachte stukken – sprake was van slechts één schriftelijk contract. Daarbij komt dat de brief expliciet is gericht aan [eiser]. Anders dan Stegge heeft gesteld, behoefde [eiser] er dus niet op bedacht te zijn dat het hier ging om een algemene brief die aan alle betrokkenen bij het project ‘Panorama’ werd gestuurd en slechts een vooraankondiging van een mogelijke contractsoverneming zou betreffen.

5.4 De tweede alinea van de brief zoals weergegeven in 2.3 werpt geen ander licht op de zaak. Weliswaar opent die alinea met de mededeling dat [bedrijf] en Stegge afgesproken hebben dat eerstgenoemde het werk zal afmaken tot en met het storten van de tweede verdieping, maar dat impliceert nog niet dat Stegge slechts de contracten overneemt die betrekking hebben op het werk vanaf de tweede verdieping. Heel wel denkbaar is immers dat [bedrijf] de werkzaamheden tot en met de tweede verdieping onder leiding van Stegge bleef uitvoeren. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij de desbetreffende alinea uit de brief in deze zin heeft opgevat. Dat is geen onaannemelijke uitleg, zeker niet in het licht van de eerdere mededeling in de brief dat alle contracten worden overgenomen. Stond Stegge een andere uitleg van de brief voor ogen, dan had het op haar weg gelegen daarover met [eiser] contact op te nemen. Dat contact en daaropvolgend overleg heeft zij immers in de brief van 19 november 2007 met zoveel woorden in het vooruitzicht gesteld. Gesteld noch gebleken is evenwel dat zij daadwerkelijk met [eiser] contact heeft opgenomen.

5.5 De voor een contractsoverneming vereiste medewerking is niet aan enigerlei vorm gebonden. Zij kan in elke vorm geschieden en besloten liggen in een of meer gedragingen. De medewerking kan ook achteraf plaatsvinden. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

5.6 [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij de levering van de staalconstructie heeft opgeschort omdat hij geen betaling ontving op zijn eerste factuur (zie 2.2) en dat hij na ontvangst van de brief van 19 november 2007 alsnog is gaan leveren. Ook heeft [eiser] onbetwist gesteld dat hij over één en ander zowel vooraf als achteraf telefonisch contact heeft gehad met Van Beek, één van de ondertekenaars van de onderhavige brief. Dit wijst erop dat [eiser] met de contractsoverneming door Stegge instemde. Anders dan Stegge ter comparitie heeft betoogd, doet daaraan niet af dat [eiser] niet met Stegge contact heeft opgenomen naar aanleiding van de brief van 19 november 2007. Voor een geldige contractsoverneming is immers niet vereist dat de medewerking aan de overnemer wordt kenbaar gemaakt. Dat geldt in dit geval te meer, nu [bedrijf] ook in de visie van Stegge betrokken bleef bij het werk tot en met de tweede verdieping. Het werk van [eiser] had op die onderste twee verdiepingen betrekking. Aldus was het niet onlogisch dat [eiser] met [bedrijf] contact bleef onderhouden. In het hervatten van de levering van de staalconstructie bezien in samenhang met de telefonische contacten daaromtrent met [bedrijf] ligt al met al de medewerking van [eiser] aan de contractsoverneming besloten. De in 2.7 weergegeven brief van [eiser] aan Stegge bevestigt overigens de door [eiser] aan de contractsoverneming verleende medewerking. Dat hij in die brief alleen spreekt van het overnemen van de facturen, maakt dat niet anders. Vast staat dat op het moment van schrijven van de brief de werkzaamheden van [eiser] al waren afgerond en dat het alleen nog ging om de afwikkeling van de tegenprestatie, te weten betaling van de facturen. Tegen die achtergrond is niet verwonderlijk dat [eiser] – ten aanzien van wie van juridische deskundigheid niet is gebleken – slechts het overnemen van de facturen heeft genoemd.

5.7 Stegge heeft gesteld dat uit het feit dat [eiser] zijn facturen is blijven richten aan [bedrijf] blijkt dat hij ([eiser]) aan de contractsoverneming geen medewerking heeft verleend. De rechtbank deelt deze opvatting niet. Op zichzelf is juist dat ten gevolge van een contractsoverneming alle rechten en verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst overgaan op de derde, te weten Stegge (artikel 6:159 lid 2 BW). Dat betekent dat per de totstandkoming van de overeenkomst tot contractsoverneming Stegge gold als contractspartij van [eiser]. Aan het enkele feit dat [eiser] nadien de tenaamstelling van zijn facturen niet heeft gewijzigd kan echter geen afwezigheid van medewerking worden ontleend. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de facturen dateren van kort na de brief van 19 november 2007 en dat [eiser] bij de uitvoering van het werk bleek werken onder leiding van [bedrijf].

5.8 Het voorgaande brengt mee dat Stegge de in 2.1 bedoelde overeenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] van laatstgenoemde heeft overgenomen. Stegge is dan ook gehouden de uit die overeenkomst voortvloeiende facturen – waarvan de juistheid niet is betwist – aan [eiser] te voldoen. Aldus is de vordering tot een bedrag van € 56.822,50 (de overeengekomen aanneemsom van € 47.750,= vermeerderd met 19% BTW) toewijsbaar.

5.9 [eiser] vordert daarnaast betaling van zijn facturen die betrekking hebben op “meerwerk” (€ 7.993,= exclusief BTW) en “montage” (€ 5.982,13 exclusief BTW). Ter comparitie heeft [eiser] gesteld dat deze facturen zijn gebaseerd op afspraken gemaakt met [bedrijf] na 19 november 2007 en dat hij erop mocht vertrouwen dat [bedrijf] ter zake Stegge kon vertegenwoordigen. Het standpunt van Stegge moet aldus worden begrepen dat zij betwist dat [bedrijf] haar met betrekking tot het werk tot en met de tweede verdieping kon vertegenwoordigen. De rechtbank overweegt als volgt.

5.10 Op grond van artikel 3:61 lid 2 BW is voor het aannemen van (in rechte te honoreren) schijn van volmachtverlening nodig dat die schijn is ontstaan door toedoen van de pseudo-volmachtgever (in dit geval Stegge). Dat is hier het geval. In de brief van 19 november 2007 heeft Stegge immers aan [eiser] bericht enerzijds dat [bedrijf] “de opdracht” aan Stegge teruggeeft en dat Stegge “alle” contracten overneemt en anderzijds dat [bedrijf] het werk tot en met de tweede verdieping zal afmaken, waarna Stegge de “projectleiding” overneemt. Gelet op deze berichten van Stegge mocht [eiser] er naar het oordeel van de rechtbank op vertrouwen dat [bedrijf] in de positie verkeerde Stegge ten aanzien van het werk tot en met de tweede verdieping – en dus met betrekking tot het werk van [eiser] – rechtsgeldig te vertegenwoordigen. Op het ontbreken van die vertegenwoordigingsbevoegdheid kan Stegge jegens [eiser] dus geen beroep doen.

5.11 Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat Stegge gebonden is aan de tussen [eiser] en [bedrijf] gemaakte aanvullende afspraken. Stegge heeft de inhoud van die afspraken noch de in rekening gebrachte bedragen betwist. Dat betekent dat de vordering op dit punt toewijsbaar is. Met de in 5.9 genoemde facturen is inclusief 19% BTW een totaalbedrag van € 15.493,80 gemoeid.

5.12 [eiser] vordert tevens de wettelijke rente over de aldus toewijsbare bedragen. Volgens [eiser] is hiermee tot 3 juni 2008 een bedrag van € 3.904,80 gemoeid. Blijkens de door hem overgelegde berekening heeft [eiser] zich kennelijk gebaseerd op de vervaldata van de respectieve facturen. Stegge heeft de verschuldigdheid van de wettelijke rente betwist op de grond dat zij van de facturen niet afwist voordat zij de facturen ontving als bijlagen bij de brief van [eiser] van 26 februari 2008. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

5.13 De eerste factuur waarvan [eiser] betaling vordert dateert van vóór 19 november 2007 en daarmee van vóór de contractsoverneming. Op dat moment had [eiser] nog slechts van doen met [bedrijf]. Door de contractsoverneming zijn alle rechten en verplichtingen uit de overeenkomst overgegaan naar Stegge. De aanspraak op wettelijke rente behoort daartoe ook, nu van andersluidende afspraken niet is gebleken. Dat betekent dat Stegge per de vervaldatum over het bedrag van deze eerste factuur (€ 8.522,78 inclusief BTW) de wettelijke rente is verschuldigd. Dat Stegge niet van deze factuur op de hoogte was komt voor haar risico.

5.14 Voor de overige facturen ligt dat anders. De tweede factuur waarvan [eiser] betaling vordert vloeit eveneens voort uit de door Stegge overgenomen overeenkomst. Na de totstandkoming van de overeenkomst tot contractsoverneming gold Stegge als contractspartij van [eiser]. Zoals hiervoor is overwogen, is het feit dat [eiser] de onderhavige factuur niettemin aan [bedrijf] heeft gestuurd in het licht van de omstandigheden van het geval onvoldoende om geen contractsoverneming aan te nemen. Dat wil evenwel niet zeggen dat Stegge geacht kan worden reeds met de voldoening van deze factuur in verzuim te zijn voordat zij van het bestaan van die factuur op de hoogte was. [eiser] heeft zijn stelling ter comparitie dat [bedrijf] gehouden was de desbetreffende factuur aan Stegge door te geleiden onvoldoende onderbouwd. Niet ter discussie staat dat Stegge de factuur pas heeft ontvangen bij de brief van [eiser] van 26 februari 2008. Pas na ommekomst van de vervaltermijn van dertig dagen nadien is Stegge in verzuim. De wettelijke rente zal per die datum worden toegewezen.

5.15 Voor de facturen die betrekking hebben op “meerwerk” en “montage” geldt in grote lijnen hetzelfde als overwogen in 5.14. Uit het enkele feit dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat [bedrijf] Stegge bevoegdelijk kon vertegenwoordigen, volgt nog niet dat Stegge met de voldoening van de desbetreffende facturen in verzuim was voordat zij die facturen onder ogen kreeg. Ook ten aanzien van deze facturen geldt dat Stegge pas na ommekomst van de vervaltermijn van dertig dagen na 26 februari 2008 in verzuim is geraakt.

5.16 Stegge heeft nog aangevoerd dat toewijzing van de vordering van [eiser] ertoe leidt dat zij tweemaal moet betalen voor het door [eiser] geleverde werk, nu zij in het kader van de afrekening met [bedrijf] ook al voor dat werk heeft betaald. Dit betoog kan niet leiden tot afwijzing de vordering van [eiser], alleen al niet omdat [eiser] geen partij is bij de afspraken tussen Stegge en [bedrijf]. Niet valt in te zien op welke grond [eiser] gehouden zou kunnen worden zich te wenden tot een derde (zoals [bedrijf] sinds de contractsoverneming beschouwd moet worden) om betaling van haar facturen te verkrijgen.

5.17 Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] tot een bedrag van (56.822,50 + 15.493,80 =) € 72.316,30 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente als beslist in 5.13-5.15. Nu het in dit geval gaat om een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW, zal de rechtbank de rente toewijzen op de voet van artikel 6:120 lid 2 BW.

5.18 Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen Stegge c.s. worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de kosten van het incident.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt Stegge c.s. hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag van € 72.316,30 (zegge: tweeënzeventigduizenddriehonderdzestien euro en dertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW over

- € 8.522,78 vanaf 21 augustus 2007;

- € 63.793,52 vanaf 27 maart 2008;

tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt Stegge c.s. hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 1.675,= aan vast recht, op € 229,04 aan overige verschotten en op € 2.682,= aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/204