Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ1570

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
10/631067-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Rotterdam PROMIS

Wet Identificatieplicht; vorderen van inzage identiteitsbewijs op grond van aannames mbt voorkomen van de verdachte niet toegestaan; vormverzuim ex artikel 359a Sv; strafvermindering

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 13
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/631067-09

Datum uitspraak: 26 juni 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[…]

geboren op […] te […],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres Rokkeveenseweg […],ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in […],

raadsman mr. […], advocaat te […].

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. het voorhanden hebben van een vuurwapen en/of munitie;

2. het aanwezig hebben van GHB;

3. het voorhanden hebben van een geluiddemper.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie […] heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.

BEROEP OP ARTIKEL 359A SV

Op 15 maart 2009 is de auto waar de (latere) verdachte als bijrijder in zat (een Honda Civic) gecontroleerd op grond van de Wegenverkeerswet 1994. Die controle leverde geen bijzonderheden op. Vervolgens is de verdachte gevraagd om zijn identiteitsbewijs. Zijn naam is ingevoerd in het herkenningssysteem van de politie. Daaruit bleek dat hij antecedenten had op het gebied van vuurwapens. De politieagenten hebben vervolgens gevraagd of hij een vuurwapen bij zich had en of zij dat mochten controleren. Toen is de verdachte weggerend, volgens eigen zeggen omdat hij een geluiddemper bij zich had.

De verdediging heeft aangevoerd dat de politieagenten niet bevoegd waren tot het vorderen van inzage in het identiteitsbewijs van de verdachte, omdat er geen reden was om de verdachte te controleren. De agenten hebben alleen op basis van uiterlijke kenmerken om het identiteitsbewijs gevraagd. Volgens de raadsman valt het onbevoegd vorderen van inzage in het identiteitsbewijs aan te merken als een vormverzuim, dat niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als gevolg zou moeten hebben.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de agenten bevoegd waren om inzage te vorderen in het identiteitsbewijs. Ter onderbouwing heeft de officier van justitie verwezen naar het grote aantal overvallen dat in Rotterdam wordt gepleegd door daders met een Antilliaanse achtergrond, in het bijzonder in het gedeelte van Rotterdam waar de verdachte is aangehouden.

Bij de beoordeling van deze kwestie moet allereerst de vraag worden beantwoord of de agenten bevoegd waren om inzage in het identiteitsbewijs te vorderen. Op grond van de artikelen 2 en 8a van de Politiewet 1993 en artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen (WID) is een politieambtenaar bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak. Die taak omvat ook de strafrechterlijke rechtshandhaving. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/2004, 29218, nr. 3) en de Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht, zoals deze tot 1 januari 2009 gold, dient in het proces-verbaal opgenomen te worden in welk kader de vordering wordt gedaan en op grond van welke feiten en omstandigheden de vordering noodzakelijk was voor een redelijke taakuitoefening.

Het proces-verbaal van bevindingen van de politie (nummer 2009089532-11 d.d. 15 maart 2009) vermeldt hierover het volgende:

“Wij, verbalisanten, hoorden de bestuurder en de bijrijder met elkaar in het papiaments aanspreken. Wij, verbalisanten, zagen dat beide een Antilliaans uiterlijk hadden. Wij, verbalisanten, zagen dat de bijrijder een baseballpetje met doodskoppen droeg en aan zijn rechterhand een goudkleurige ring met diamantengelijkende edelstenen droeg en andere goudkleurige ringen. Wij zagen dat de bijrijder gekleed ging in spijkerjeans. Ik, verbalisant (…), zag dat de bijrijder diverse malen tijdens de verkeerscontrole met zijn mobiele telefoon belde en dat hij op dezelfde mobiele telefoon werd gebeld. Door meerdere contacten met Antillianen met een criminele achtergrond is het ons ambtshalve bekend, dat met name in dit circuit veelal gebruik gemaakt wordt van personenauto’s van het merk: Honda, type: Civic. Ook is het bij ons bekend dat Antilliaanse criminelen vaak dure sieraden dragen om hun status te tonen. Het is ons, verbalisanten, ook bekend dat binnen de politie-organisatie speciale aandacht wordt gevraagd voor Antillianen, met een criminele achtergrond of die vermoedelijk een criminele achtergrond hebben. Gelet op vorenstaande ambtshalve bekende informatie wilden wij, verbalisanten, de personalia vaststellen van de bijrijder. Ik, verbalisant (…), vroeg op grond van de Wet Identificatieplicht de bijrijder om een identificatiebewijs. (…)”

Uit het proces-verbaal blijkt dat de vordering werd gedaan in het kader van de strafrechtelijke rechtshandhaving. Die handhaving ziet op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Van concrete strafrechtelijk relevante gebeurtenissen waar de verdachte mee in verband zou kunnen worden gebracht, blijkt uit het proces-verbaal echter niets. De overvallen waar de officier naar heeft verwezen, kunnen de vordering niet rechtvaardigen, allereerst niet omdat daar in het proces-verbaal geen melding van wordt gemaakt. Evenmin blijkt op grond waarvan de verdachte daarmee in verband zou kunnen worden gebracht (anders dan op grond van aannames vanwege zijn voorkomen, wat onvoldoende is). Het voorgaande brengt mee dat het vorderen van inzage van het identiteitsbewijs van de verdachte niet redelijkerwijs noodzakelijk was voor het uitoefenen van de strafrechtelijke politietaak, zodat de politieagenten daartoe niet bevoegd waren. De vordering levert daarom een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit verzuim is onherstelbaar.

De volgende vraag is welk gevolg aan dit verzuim verbonden moeten worden. Bij de beantwoording van die vraag moet rekening worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Ook moet in deze afweging de ernst van het feit worden betrokken.

De wetgever heeft in de Wet identificatieplicht en in artikel 8a van de Politiewet gekozen voor een ruime bevoegdheid om inzage in het identificatiebewijs te vorderen. De (hierboven uiteengezette) grenzen daarvan dienen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarop is in dit geval inbreuk gemaakt door het onbevoegd vorderen van inzage. Dat is een ernstig verzuim. De verdachte heeft hierdoor ook nadeel ondervonden. De serie van gebeurtenissen die geleid hebben tot de aanhouding van de verdachte, is immers begonnen met de onbevoegde vordering tot inzage van zijn identificatiebewijs.

Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, zoals de raadsman heeft bepleit, is echter slechts plaats indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dat is hier niet het geval.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het vormverzuim en het (hierna te beoordelen) bewijsmateriaal. Vanwege de ernst van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt (vuurwapenbezit) wordt bewijsuitsluiting echter niet op zijn plaats geacht. Of en in hoeverre strafvermindering moet plaatsvinden ter compensatie, zal worden overwogen na de bewijsbeoordeling.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

ten aanzien van de feiten 1 en 3

Van de volgende, niet-betwiste, feiten en omstandigheden wordt uitgegaan:

Op 15 maart 2009 is door de politie op de Rotterdamse Rijweg te Overschie ter hoogte van pand nummer 129, onder een auto een vuurwapen aangetroffen. Voorts werd nabij het achterwiel van de auto een patroonhouder met patronen gevonden. Het aangetroffen wapen is een pistool van het merk Beretta, model 950-B, kaliber 6,35 mm. Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie . De aangetroffen patronen, in totaal 8 stuks, zijn kogelpatronen. Deze patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, Categorie III van de Wet wapens en munitie. Deze munitie is geschikt om te worden afgeschoten met het aangetroffen pistool. Het pistool en de munitie werden aangetroffen kort nadat de verdachte ter plaatse was aangehouden. Bij fouillering heeft de politie in de tas van de verdachte een geluiddemper aangetroffen. De geluiddemper is een geluiddemper als bedoeld in artikel 2, lid 1 categorie I onder 3 van de Regeling wapens en munitie en derhalve een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie. De geluiddemper is geschikt om op de voorzijde van de loop van het gevonden pistool te schroeven.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het pistool en de patroonhouder met patronen door de verdachte onder of nabij de genoemde auto zijn gegooid.

De verdachte heeft dit ontkend en namens hem is vrijspraak bepleit. .

De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en overweegt daartoe het volgende.

Het proces-verbaal van bevindingen van de politie ([…] d.d. 15 maart 2009) houdt met betrekking tot het aantreffen van het pistool en de patroonhouder en hetgeen daaraan voorafgaande heeft plaatsgevonden het volgende in:

“Wij, verbalisanten (…), hoorden […] (lees: de verdachte) zeggen dat hij geen vuurwapen bij zich had. Ik, verbalisant (…), vroeg de verdachte of ik dit bij hem mocht controleren. Wij zagen dat de verdachte wegrende. Ik, verbalisant (…), ben direct achter de verdachte aangerend. Ik, verbalisant (…), zag dat de verdachte rennend met zijn hand in zijn broeksband zat. Ik, verbalisant (…), rende toen ongeveer 4 a 5 meter achter de verdachte. Ik, verbalisant (…), zag dat de verdachte de Rotterdamse Rijweg te Overschie in rende. Ik, verbalisant (…), zag, wederom vanaf bovengenoemde afstand, dat de verdachte zijn hand nog bij zijn broeksband had. Ik, verbalisant (…), zag op de Rotterdamse Rijweg ter hoogte van pandnummer 129 te Overschie dat de verdachte een voorwerp vanuit zijn broeksband weggooide. Ik, verbalisant (…), hoorde direct het geluid van een metaal voorwerp dat op de grond terecht kwam. Nadat verbalisant (…) de verdachte op de Rotterdamse Rijweg onder controle had, hebben wij, verbalisanten, op de Rotterdamse Rijweg (…) te Overschie de verdachte aangehouden. Wij, verbalisanten, zijn direct na de aanhouding naar de plek gelopen op de Rotterdamse Rijweg waar verbalisant (…) had gezien dat de verdachte wat had weggegooid. Wij zagen dat er direct na, voor en tijdens de aanhouding zich geen personen in deze omgeving bevonden. Wij zagen dat op de Rotterdamse Rijweg ter hoogte van pand 129 een voertuig stond geparkeerd. Wij zagen dat onder genoemd voertuig een vuurwapen lag. Ik, verbalisant (..) zag dat er geen patroonhouder in het vuurwapen was bevestigd. Ik, verbalisant, zag dat nabij het achterwiel een patroonhouder lag, voorzien van patronen.”

Op grond van deze feiten en omstandigheden in samenhang met het aantreffen bij de verdachte van een geluiddemper die past op de loop van het aangetroffen pistool, wordt bewezen geacht dat de verdachte, behalve die geluiddemper, ook het pistool en de patroonhouder met patronen bij zich had toen de politie hem wilde controleren en hij vervolgens wegrende. Daaraan staat niet in de weg dat uit het NFI rapport d.d. 12 mei 2009 blijkt dat er geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen verkregen zijn van de bemonsteringen van het pistool.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 15 maart 2009 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van

die Wet in de vorm van een pistool van het merk Beretta, type 950-B, kaliber

6,35 millimeter, voorhanden heeft gehad,

en

hij op 15 maart 2009 te Rotterdam

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die Wet van de categorie III, te

weten 8 kogelpatronen, kaliber 6,35 millimeter, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 15 maart 2009 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 3 van de

Wet Wapens en Munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen,

voorhanden heeft gehad;

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III van die wet en

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie.

3.

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op de openbare weg een schietklaar pistool, een bijbehorende patroonhouder met patronen en een op het wapen passende geluiddemper bij zich gehad. Deze voorwerpen brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, omdat het bezit van vuurwapens met munitie kan leiden tot het gebruik er van, met alle gevaren van dien.

Een gevangenisstraf van enige duur wordt daarom nodig geacht.

Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitieel Documentatie d.d. […] eerder tot gevangenisstraffen is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten en vuurwapenbezit. Toen de verdachte de onderhavige feiten pleegde bevond hij zich in de laatste fase van de gevangenisstraf van acht jaar die hem in 2004 is opgelegd; in het kader van een voor die laatste fase geldend penitentiair programma verbleef hij buiten de gevangenis en stond hij onder elektronisch toezicht.

Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden zich wederom op het criminele pad te begeven.

Gelet op de ernst van het hiervoor vastgestelde vormverzuim en het nadeel dat daardoor voor de verdachte wordt veroorzaakt, zal hiermee bij de strafbepaling rekening worden gehouden in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf met twee maanden zal worden verminderd.

Die vermindering moet voldoende recht doen aan de geconstateerde normschending.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (zes) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. Hamaker en Lablans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. McGivern, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juni 2009.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 26 juni 2009:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 maart 2009 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van

die Wet in de vorm van een pistool van het merk Beretta, type 950-B, kaliber

6,35 millimeter, voorhanden heeft gehad,

en/of

hij op of omstreeks 15 maart 2009 te Rotterdam

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die Wet van de categorie III, te

weten 8 kogelpatronen, kaliber 6,35 millimeter, voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie);

2.

hij op of omstreeks 16 maart 2009 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 33,85 gram, in elk geval een of meer

hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende

Gamma Hydroxy Butyrate (GHB), zijnde Gamma Hydroxy Butyrate (GHB) een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst III, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3/C jo. 11 Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 15 maart 2009 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 3 van de

Wet Wapens en Munitie, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen,

voorhanden heeft gehad;

(artikel 13 jo. 55 Wet Wapens en Munitie)