Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ1300

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
295112 / HA ZA 07-2763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis; afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 295112 / HA ZA 07-2763

Uitspraak: 29 april 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap R.S. BEHEER B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres,

advocaat mr. J.A.J. Leeman,

- tegen -

1. de besloten vennootschap POWERTEC BEHEER B.V.,

gevestigd te Rijsenhout,

gedaagde,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

- en -

2. de besloten vennootschap POWERTEC SERVICES B.V.,

gevestigd te Rijsenhout,

gedaagde,

advocaat voorheen mr. P.H.Ch.M. van Swaaij (onttrokken).

Partijen worden hierna aangeduid als "RS Beheer" respectievelijk "Powertec" en "Powertec Services".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het tussenvonnis van 14 mei 2008 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de conclusie van repliek van 1 oktober 2008, met een productie;

- de akte houdende wijziging van eis van 22 oktober 2008, met een productie;

- de conclusie van dupliek van 24 december 2008, met een productie.

1.2 Op de rol van 7 november 2007 heeft mr. Van Swaaij zich gesteld als procureur van zowel Powertec als Powertec Services. Op de rol van 19 december 2007 heeft Powertec voor antwoord geconcludeerd en heeft mr. Van Swaaij zich onttrokken als procureur van Powertec Services. Voor Powertec Services heeft zich geen nieuwe procureur (of advocaat) gesteld.

2 Het geschil

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- het op 9 juli 2007 door het Nederlands Arbitrage Instituut gewezen arbitraal vonnis, gedeponeerd bij de rechtbank onder nummer 07.45, te vernietigen;

- Powertec en Powertec Services te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan RS Beheer te betalen bedragen van € 54.395,96, € 12.831,58, € 18.762,94 en € 5.619,43, en Powertec en Powertec Services te veroordelen tot vergoeding van schade op te maken bij staat, een en ander met rente en kosten.

Powertec heeft de vordering van RS Beheer gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van RS Beheer in de kosten van het geding.

3 De beoordeling

3.1 Tussen parijen staan onder meer de volgende feiten vast:

a. Op 9 juli 2007 is door, met inachtneming van het Arbitrage Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) benoemde, arbiters te Rotterdam - onder NAI nr. 3259 - een arbitraal vonnis gewezen tussen RS Beheer als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Powertec en Powertec Services (in het arbitraal vonnis gezamenlijk aangeduid als Powertec) als verweersters in conventie, eiseressen in reconventie.

b. Arbiters hebben als volgt beslist:

"Arbiters, rechtdoende als goede mannen naar billijkheid:

In conventie

I. veroordelen Powertec tot betaling aan RS Beheer van € 61.107,05, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2006 tot de dag der algehele voldoening;

In reconventie

II. verklaren voor recht dat de geldingsduur van het non-concurrentiebeding van artikel D van de koopovereenkomsten beperkt is tot drie jaar gerekend vanaf 1 juli 2004;

III. veroordelen RS Beheer aan Powertec tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van € 83.245,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2006 tot de dag der algehele voldoening;

In conventie en in reconventie

IV. veroordelen RS Beheer in de kosten van deze arbitrage in conventie tot en met de deponering van dit vonnis vastgesteld op € 9.331,58 voor het honorarium en de verschotten van arbiters, € 3.451,00 voor de administratiekosten van het NAI en € 49,00 aan griffierecht, derhalve tezamen € 12.831,58;

V. veroordelen Powertec in de kosten van deze arbitrage in reconventie tot en met de datum van deponering van dit vonnis vastgesteld op € 9.331,58 voor het honorarium en de verschotten van arbiters, € 8.925,00 voor de administratiekosten van het NAI en € 49,00 aan griffierecht, derhalve tezamen € 18.305,58

VI. verstaan dat deze kosten met het door RS Beheer bij het NAI gestorte depot ad € 15.000,00 en betaalde administratiekosten ad € 3.451,00 alsmede met het door Powertec bij het NAI gestorte depot ad € 3.761,15 en betaalde administratiekosten ad € 8.925,00 worden verrekend;

VII. veroordelen Powertec om uit hoofde van deze kostenveroordeling te betalen aan RS Beheer € 5.619,43.

VIII. Wijzen af het meer of anders gevorderde.

c. Onder 7.2.1 van het arbitraal vonnis hebben arbiters als volgt overwogen:

"7.2.1. Onderdeel a

Powertec heeft gevorderd te verklaren voor recht dat de vaststellingsovereenkomst nietig is, subsidiair gevorderd deze overeenkomst nietig te verklaren (vordering e, zie sub 6.3.5). Arbiters wijzen deze vordering hieronder in rechtsoverweging 7.2.5. af. Bij de beoordeling van vordering a -en ook verder- zal derhalve mede de vaststellingsovereenkomst in aanmerking worden genomen. In de vaststellingsovereenkomst wordt verwezen naar de koopovereenkomsten. Deze overeenkomsten dienen derhalve alle drie in de overwegingen te worden betrokken.

Gelet op hetgeen in de drie overeenkomsten is opgenomen ten aanzien van de vordering op DOC Kaas, alsmede op de inhoud van productie 8 bij memorie van eis in conventie, zijn arbiters van oordeel dat het de uiteindelijke bedoeling van partijen is geweest dat het geïnde bedrag van de vordering van Powertec Services op DOC Kaas, vermeerderd met de overeengekomen rente en verminderd met de BTW en (latent) verschuldigde vennootschapsbelasting zou toekomen aan RS Beheer. Dit leidt tot de volgende berekening:

ontvangen van DOC Kaas

- hoofdsom € 250.232,37

- overeengekomen rente € 142.420,10

subtotaal € 392.652,47

BTW begrepen in hoofdsom € 39.953,07 -/-

subtotaal € 352.699,40

29,6 % Vpb latentie over hoofdsom minus BTW € 62.242,67 -/-

29,6 % Vpb latentie over rente € 42.156,35 -/-

te betalen € 248.300,38

reeds betaald € 331.545,42 -/-

terug te ontvangen door Powertec € 83.245,04

Over laatstgenoemd bedrag dient de wettelijke rente te worden vergoed vanaf de datum waarop het bedrag van € 331.545,42 is betaald aan RS Beheer aangezien RS Beheer geacht moet worden te hebben geweten dat het bedrag haar niet toekwam. Uit de stukken blijkt niet exact wanneer deze betaling heeft plaatsgehad. Arbiters gaan ervan uit dat die betrekkelijk kort na 6 december 2006 heeft plaatsgevonden en bepalen de ingangsdatum van de rente daarom op 15 december 2006."

3.2 RS Beheer grondt haar vordering op de artikelen 1064 en 1065 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij stelt bij dagvaarding dat het arbitraal vonnis, in het bijzonder ten aanzien van overweging 7.2.1., moet worden vernietigd nu het vonnis "strijdt met artikel 1065 Rv, met name lid c) jo. lid e)". In de visie van RS Beheer heeft het scheidsgerecht over het hoofd gezien dat partijen in de vaststellingsovereenkomst, die in die overweging is genoemd, een nadere regeling zijn overeengekomen ter zake van de betaling van BTW en vennootschapsbelasting, aan welke regeling ook uitvoering is gegeven. Het gevolg van het in het arbitraal vonnis onder 7.2.1. overwogene, en de daaruit voortvloeiende beslissing, is volgens RS Beheer dat zij tot twee maal toe hetzelfde dient te betalen.

Bij conclusie van repliek deelt RS Beheer mede dat zij haar gronden voor vernietiging van het arbitrale vonnis wenst uit te breiden met de gronden als vermeld in artikel 1065 lid 1 onder d Rv jo. artikel 1057 Rv en artikel 1065 lid 5 Rv.

3.3 De rechtbank stelt het volgende voorop. Vernietiging van een arbitraal vonnis kan slechts plaatsvinden op een of meer van de in artikel 1065 lid 1, aanhef en onder a tot en met e, Rv limitatief opgesomde gronden. Ingevolge artikel 1064 lid 5 Rv dienen alle gronden tot vernietiging, op straffe van verval van het recht daartoe, in de dagvaarding te worden voorgedragen. De gronden tot vernietiging zien grotendeels op de formele toetsing van het arbitraal vonnis. Indien een arbitraal vonnis niet in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, staat het de gewone rechter in een geding tot vernietiging in beginsel niet vrij een arbitraal vonnis inhoudelijk te toetsen.

3.4 Powertec heeft er terecht op gewezen dat het RS Beheer bij conclusie van repliek geen nadere gronden voor vernietiging van het arbitraal vonnis meer mocht voordragen. Reeds om die reden kan de bij conclusie van repliek aangevoerde nadere grond (artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv), niet tot vernietiging van het arbitraal vonnis leiden, behoudens indien het beroep daarop reeds besloten lag in hetgeen bij dagvaarding is aangevoerd. Nu dit laatste zou kunnen worden bepleit, zal de rechtbank onder 3.9 en 3.10 hierna uiteenzetten waarom deze vernietigingsgrond (ook) om materiële redenen niet slaagt.

3.5 RS Beheer heeft haar stelling dat het scheidsgerecht zich in de zin van de vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder c, Rv niet aan zijn opdracht heeft gehouden naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gemotiveerd. In de door RS Beheer onjuist geachte overweging 7.2.1. behandelt het scheidsgerecht de in het arbitraal vonnis onder 1.6 onder a genoemde, door Powertec en Powertec Services geformuleerde, reconventionele vordering. De daaromtrent door partijen ingenomen standpunten heeft het scheidsgerecht in het arbitraal vonnis samengevat onder 6.3.1. en 6.4.1. Onder 7.2.1. heeft het scheidsgerecht het door RS Beheer ingenomen standpunt gemotiveerd verworpen.

3.6 Dat RS Beheer het niet eens is met de door het scheidsgerecht gehanteerde motivering en de daaruit voortvloeiende beslissing brengt niet mee dat de conclusie gerechtvaardigd is dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Die conclusie is zelfs niet gerechtvaardigd indien de motivering van het scheidsgerecht inderdaad ondeugdelijk en/of de beslissing onjuist zou zijn. Het beroep van RS Beheer op de vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder c, Rv faalt derhalve.

3.7 Ook de stelling van RS Beheer dat, in de zin van de vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder e, Rv, het arbitraal vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, strijdt met de openbare orde of de goede zeden, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gemotiveerd. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 25 mei 2007, NJ 2007, 294, LJN: BA2495, onder 3.5 als volgt heeft overwogen:

"3.5 Bij de beoordeling van het middel, dat terecht tot uitgangspunt neemt dat schending van het in art. 1039 lid 1 Rv. neergelegde recht van hoor en wederhoor op de voet van art. 1065 lid 1, onder e, Rv. kan leiden tot vernietiging van het arbitrale vonnis wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden, wordt het volgende vooropgesteld. Het is juist dat niet iedere schending van een in de arbitrageprocedure geldende procedureregel tot vernietiging van het arbitrale vonnis behoeft te leiden en dat zelfs indien schending van procedureregels ertoe leidt dat sprake is van strijd met de beginselen van een goede procesorde, art. 1065 lid 1, onder e, Rv. naar zijn aard met terughoudendheid moet worden toegepast (vgl. HR 17-1-2003, nr. C01/301, NJ 2004, 384). Voor een terughoudende toepassing van deze bepaling is echter geen plaats wanneer moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van het arbitrale vonnis is gehandeld in strijd met het fundamentele recht van hoor en wederhoor. Dat recht is immers in een arbitrale procedure niet van minder betekenis dan in een procedure voor de overheidsrechter."

3.8 De rechtbank kan uit de stellingen van RS Beheer niet afleiden op welk punt het arbitraal vonnis, of de wijze van tot stand komen daarvan, in de visie van RS Beheer strijdt met de openbare orde of de goede zeden. Dat procedureregels en/of dat het recht van hoor en wederhoor zijn geschonden en/of dat op andere wijze sprake is geweest van strijd met de openbare orde of de goede zeden, is gesteld noch gebleken. De stelling dat het scheidsgerecht de vaststellingsovereenkomst onjuist heeft uitgelegd en op basis van die onjuiste uitleg een - in de beleving van RS Beheer - onjuiste beslissing heeft genomen, rechtvaardigt niet de conclusie dat het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, strijdt met de openbare orde of de goede zeden. Aan RS Beheer komt derhalve geen beroep toe op deze - volgens de Hoge Raad naar zijn aard met terughoudendheid toe te passen - vernietigingsgrond.

3.9 Ook de vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv geeft de rechtbank geen ruimte om de in het arbitraal vonnis onder overweging 7.2.1. geformuleerde motivering inhoudelijk te toetsen. Immers, in het kader van deze vernietigingsgrond - het vonnis is niet met redenen omkleed - heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2006, NJ 2008, 4, LJN: AZ1593, onder 3.3 als volgt overwogen:

"3.3 Bij de beoordeling van het tegen dit arrest gerichte middel wordt het volgende vooropgesteld. In zijn beschikking van 25 februari 2000, nr. R 99/034, NJ 2000, 508, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat volgens art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv. vernietiging van een arbitraal vonnis kan plaatsvinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed, en dat vernietiging op deze grond slechts mogelijk is wanneer motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. De Hoge Raad heeft dit oordeel in zijn arrest van 9 januari 2004, nr. R 02/066, NJ 2005, 190, aldus gepreciseerd dat met het ontbreken van een motivering op één lijn gesteld moet worden het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen. Dit criterium moet door de rechter met terughoudendheid worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv. vermelde grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed."

3.10 Naar het oordeel van de rechtbank is evident dat de situatie dat het arbitraal vonnis niet is gemotiveerd, of zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, zich hier niet voordoet.

3.11 De slotsom is dat de vordering van RS Beheer tot vernietiging van het arbitraal vonnis dient te worden afgewezen.

3.12 De overige vorderingen van RS Beheer zijn - naar bij conclusie van antwoord in het incident is gebleken - impliciet ingesteld onder de opschortende voorwaarde van het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij het arbitraal vonnis zou worden vernietigd. Aan die voorwaarde is - vooralsnog - niet voldaan. Duidelijkheidshalve zal de rechtbank echter ook die vorderingen afwijzen.

3.13 RS Beheer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Aan de zijde van Powertec Services worden deze kosten begroot op nihil.

4 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van RS Beheer;

veroordeelt RS Beheer in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Powertec bepaald op € 2.015,00 aan vast recht en op € 1.788,00 aan salaris voor de advocaat, en aan de zijde van Powertec Services bepaald op nihil;

veroordeelt RS Beheer in de aan de zijde van Powertec gevallen nakosten, bepaald op € 131,00 zonder betekening, en verhoogd met € 68,00 in geval van betekening, met dien verstande dat de extra kosten in geval van betekening slechts verschuldigd zijn nadat RS Beheer 14 dagen na aanschrijving de tijd heeft gehad om alsnog in der minne aan het gewezen vonnis te voldoen;

verklaart dit vonnis voor zover het de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729/1582