Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BJ0782

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
310556 / HA ZA 08-1681
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan <eiser sub 1> (<leeftijd>) is de verzekering van zijn - snelle - auto geweigerd. Assurantietussenpersoon <gedaagde sub 1> heeft hem dat meegedeeld. Negen dagen later stond dezelfde auto op naam van de moeder van <eiser sub 1>, <eiseres sub 2>, en heeft zij de auto bij een andere medewerker van <gedaagde sub 1> ter verzekering aangeboden. <eiseres sub 2> had reeds een verzekering voor een andere auto via <gedaagde sub 1> lopen. De tweede auto is aanvankelijk in verzekering genomen. Twee weken later veroorzaakt <eiser sub 1> die in deze auto rijdt een aanrijding.

Tegenover verzekeraar OVZ komt het voorbereiden en invullen van het aanvraagformulier door <gedaagde sub 1> voor rekening en risico van <eiseres sub 2>. <eiseres sub 2> heeft het aanvraagformulier ondertekend en bij de regelmatige bestuurder niets ingevuld, zodat zij als verzekeringnemer tevens als regelmatige bestuurder moet worden aangemerkt.

Gelet op alle genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het bewijs dat sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling door <eiseres sub 2> met betrekking tot de regelmatige bestuurder van de auto voorshands door OVZ geleverd is. OVZ heeft om die reden de verzekering beëindigd en <eiseres sub 2> en <eiser sub 1> laten registreren in de frauderegisters van verzekeraars. De rechtbank laat <eiser sub 1> en <eiseres sub 2> toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat <eiser sub 1> regelmatige bestuurder was en er derhalve sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling op het aanvraagformulier.

<eiser sub 1> heeft niet betwist dat hij heeft gereden onder invloed van alcohol en dat sprake was van een overtreding van artikel 8 WVW. OVZ was gerechtigd om in reconventie de uitkering onder de verzekering te weigeren en ingevolge artikel 22 polisvoorwaarden en op basis van de WAM verhaal te halen op <eiseres sub 2> (de verzekeringnemer) en <eiser sub 1> (de verzekerde voor wie de uitsluiting geldt).

Ten aanzien van het verwijt aan <gedaagde sub 1> van schending van haar zorgplicht geldt het volgende.

Het moet gelet op de omstandigheden aan <eiser sub 1> en <eiseres sub 2> duidelijk zijn geweest dat de houding van de verzekeraar om de auto onder <eiser sub 1> niet te willen verzekeren en onder <eiseres sub 2> wel, te maken had met de regelmatige besturing van de auto door <eiser sub 1>. De rechtbank is van oordeel dat <eiseres sub 2> van haar kant haar plicht tot het meedelen van alle relevante feiten aan de assurantietussenpersoon heeft geschonden zodat <gedaagde sub 1> haar zorgplicht jegens <eiseres sub 2> niet heeft geschonden op dit punt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 310556 / HA ZA 08-1681

Uitspraak: 27 mei 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. R. Zantman,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

gevestigd te Dirksland,

advocaat mr. A.S. van Randwijck,

gedaagde in conventie,

2. de onderlinge waarborgmaatschappij

OVZ VERZEKERINGEN U.A.,

gevestigd te Goes,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser sub 1]" en "[eiseres sub 2]" respectievelijk "[gedaagde sub 1]" en "OVZ".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- gelijkluidende dagvaardingen d.d. 13 en 27 juli 2007, met producties;

- conclusie van antwoord, met één productie, van de zijde van [gedaagde sub 1];

- conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties, van de zijde van OVZ;

- conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis, met producties, van de zijde van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2];

- conclusie van dupliek, met één productie, van de zijde van [gedaagde sub 1];

- conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, met één productie, van de zijde van OVZ;

- conclusie van dupliek in reconventie, met producties, van de zijde van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2];

- akte aan de zijde van OVZ;

- vonnis in kort geding van 9 juni 2008 waarin de zaak in de stand waarin deze zich bevond door de sector Kanton van deze rechtbank, locatie Middelharnis, is verwezen naar de civiele rolzitting van de rechtbank Rotterdam, Sector Civiel recht, d.d. 16 juli 2008 om 10.00 uur.

1.2 Voorts is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 10 april 2006 is [eiser sub 1] eigenaar geworden van een Opel Calibra met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). [eiser sub 1] heeft de auto die dag via [gedaagde sub 1] op zijn eigen naam aangemeld bij OVZ om de auto ter zake van wettelijke aansprakelijkheid te laten verzekeren.

2.2 Op of omstreeks 19 april 2006 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 1] medegedeeld dat de auto niet bij OVZ kon worden verzekerd en dat de verzekering was geweigerd. Diezelfde dag is het kenteken van de auto op naam van [eiseres sub 2], de moeder van [eiser sub 1], gezet. Vervolgens is aan [gedaagde sub 1] opnieuw het verzoek gedaan om de auto te (doen) verzekeren. Op 27 april 2006 heeft [eiseres sub 2] de door [gedaagde sub 1] ingevulde aanvraag ondertekend en teruggezonden naar [gedaagde sub 1], waarna [gedaagde sub 1] de aanvraag op 1 mei 2006 heeft ingediend bij OVZ. OVZ heeft de verzekering geaccepteerd, waarbij de dekking met terugwerkende kracht is ingegaan per 10 april 2006. Op 1 mei 2006 is de polis Motorrijtuigen (met polisnummer [polisnummer]) met bijbehorende polisvoorwaarden aan [eiseres sub 2] ter hand gesteld.

Deze polisvoorwaarden luiden, voor zover thans van belang:

“14 Verzekerden

De verzekerden zijn:

[…]

14.2 de bezitter, de houder, de bestuurder van het motorrijtuig en de personen, die met het motorrijtuig worden vervoerd;

[…]

20 Uitsluitingen

Van de verzekering is uitgesloten:

[…]

20.13 schade veroorzaakt indien de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de gebeurtenis onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank, geneesmiddelen of enig bedwelmend of opwekkend middel verkeerde dat hij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen.

Zodanige invloed wordt in ieder geval aanwezig geacht na:

- Een geconstateerde overtreding van art. 8 en/of art.163 WVW;

[…]

20.14 de uitsluitingen genoemd in de art. 20.1 t/m 20.5 en 20.7. gelden niet voor de verzekeringnemer die aantoont dat de daarin bedoelde omstandigheden zich buiten zijn weten of tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem ter zake van deze omstandigheden in redelijkheid geen verwijt treft.

[…]

22 Verhaal

In de onder artikel 20 genoemde gevallen is OVZ verzekeringen, zodra zij krachtens de WAM de benadeelde schadevergoeding verschuldigd wordt, gerechtigd het door haar verschuldigde te verhalen op de verzekeringnemer of op de verzekerde voor wie de uitsluiting geldt.”

2.3 In de nacht van 30 april op 1 mei 2006 is de auto betrokken geweest bij een aanrijding. De auto, die werd bestuurd door [eiser sub 1], werd total loss verklaard. [eiser sub 1] is met de auto tegen de zijgevel van de reparatieloods van [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) aangereden, als gevolg waarvan schade is ontstaan. Uit het door de politie van Rotterdam – Rijnmond opgemaakte proces-verbaal (met registratienummer [registratienummer]) volgt dat [eiser sub 1] ten tijde van de aanrijding onder invloed van alcohol verkeerde.

2.4 Op 24 mei 2006 heeft OVZ aan [eiseres sub 2] per brief te kennen gegeven dat in verband met een opgave van onjuiste en onvolledige informatie de verzekering niet zou worden geaccepteerd op grond van artikel 7:928 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en heeft zij de dekking met terugwerkende kracht per 10 april 2006 beëindigd. OVZ meent dat sprake is van frauduleus handelen of een poging daartoe en deelt mee dat zij [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft laten registreren in het Incidentenregister OVZ, in het Fraude en Informatie Systeem Holland (hierna: FISH), bij de Stichting Centraal Informatie Systeem (hierna: Stichting CIS) en bij het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars. Op 30 mei 2006 is aan [eiser sub 1] een soortgelijke brief gezonden.

Tevens heeft OVZ in een andere brief gedateerd 24 mei 2006 aan [eiseres sub 2] laten weten dat voor de schade die als gevolg van de aanrijding is ontstaan met een beroep op de uitsluiting van artikel 20.13 van de polisvoorwaarden geen dekking onder de polis bestond, dat de aan [persoon 1] uit te keren bedragen op [eiseres sub 2] zouden worden verhaald en dat de polis zou worden geroyeerd.

2.5 [persoon 1] heeft OVZ aansprakelijk gesteld ex artikel 3 en 6 WAM. OVZ heeft expertisebureau Toplis Hettema ingeschakeld, die de hoogte van de door [persoon 1] geclaimde schade heeft geraamd op

€ 7.375,00 exclusief BTW. OVZ heeft dit bedrag aan [persoon 1] betaalbaar gesteld. Verder heeft OVZ een bedrag van € 259,12 betaald voor het wegslepen van de auto en € 853,83 terzake expertisekosten. Bij brief van 20 juli 2006 heeft OVZ [eiseres sub 2] bericht dat de totale schade van het ongeval is vastgesteld op € 8.487,95 en dat zij deze schade op [eiseres sub 2] wenst te verhalen.

2.6 Op 7 september 2006 hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] [gedaagde sub 1] aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden wegens het verstrekken van onjuiste informatie aan OVZ en wegens het feit dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] door toedoen van [gedaagde sub 1] van fraude zijn beschuldigd. Bij brief van 20 september 2006 heeft [gedaagde sub 1] deze aansprakelijkheid afgewezen.

2.7 Per 1 januari 2007 is ook een andere autoverzekering van [eiseres sub 2] bij OVZ beëindigd.

3 De vordering in conventie

De gewijzigde vordering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] luidt:

1. te verklaren voor recht dat OVZ en [gedaagde sub 1] jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] toerekenbaar tekort zijn gekomen in de op hen rustende verplichtingen als bedoeld in het lichaam van de dagvaarding en de conclusie van repliek;

2. te verklaren voor recht dat OVZ en [gedaagde sub 1] jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld, door te handelen als beschreven in het lichaam van de dagvaarding en de conclusie van repliek;

3. OVZ te veroordelen de aanklacht van frauduleus handelen tegen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] met terugwerkende kracht per 10 april 2006, in te trekken en de registratie van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in het Incidentenregister OVZ, in het FISH en de doorgegeven naam- en adresgegevens aan de Stichting CIS en het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars ongedaan te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat OVZ met niet-nakoming hiervan in verzuim is;

4. OVZ en [gedaagde sub 1] hoofdelijk te veroordelen om de door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] als gevolg van de handelwijzen van OVZ en [gedaagde sub 1] geleden schade te voldoen, als nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf heden tot de dag der algehele voldoening;

5. OVZ en [gedaagde sub 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.326,05 wegens buitengerechtelijke kosten;

6. OVZ en [gedaagde sub 1] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding (reputatieschade) voor een bedrag van € 1.000,00;

7. alsmede OVZ en [gedaagde sub 1] te veroordelen in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] aan de vorderingen de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 OVZ heeft de polis(sen) van [eiseres sub 2] ten onrechte geroyeerd en [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ten onrechte beschuldigd van frauduleus handelen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] betwisten dat zij informatie voor OVZ hebben verzwegen en dat zij opzettelijk hebben getracht OVZ te misleiden. [eiser sub 1] dient niet als regelmatige bestuurder van de auto aangemerkt te worden.

[gedaagde sub 1] heeft haar zorgplicht als assurantietussenpersoon geschonden nu zij op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat [eiser sub 1] de auto in eerste instantie wenste te verzekeren op zijn naam, maar toen dat niet mogelijk bleek het kenteken van de auto op naam van [eiseres sub 2] is gezet en de auto op haar naam is verzekerd. [gedaagde sub 1] had hen moeten informeren dat door de combinatie van de leeftijd en beperkte rijervaring van [eiser sub 1] en het soort ter verzekering aangeboden motorrijtuig, OVZ de verzekeringsovereenkomst ook niet met [eiseres sub 2] zou afsluiten als [eiser sub 1] in de auto zou gaan rijden.

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben als gevolg van dit handelen en/of nalaten van OVZ en [gedaagde sub 1] zowel directe als indirecte schade geleden, onder meer door het opnieuw en duurder moeten verzekeren van de auto’s van [eiseres sub 2] en het feit dat [eiser sub 1] moeilijkheden ondervindt bij het afsluiten van andere verzekeringen.

4 Het verweer in conventie

Verweer [gedaagde sub 1]

Het verweer van [gedaagde sub 1] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de kosten van dit geding, alsmede in de na de uitspraak vallende kosten conform het liquidatietarief van de rechtbanken, een en ander uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de gevorderde proceskostenveroordeling betreft.

[gedaagde sub 1] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Er is geen sprake van een beroepsfout zijdens [gedaagde sub 1], haar kan geen enkel verwijt worden gemaakt. [gedaagde sub 1] heeft duidelijk tegen [eiser sub 1] gezegd toen zijn eerste verzoek om de auto te verzekeren werd afgewezen dat [gedaagde sub 1] niets voor [eiser sub 1] zou kunnen betekenen en dat [eiser sub 1] elders op zoek zou moeten naar een passende verzekering. Het idee om de auto op naam van [eiseres sub 2] te zetten is niet afkomstig van [gedaagde sub 1]. Toen [eiser sub 1] voor de tweede keer langskwam bij [gedaagde sub 1] om de auto, die inmiddels op naam van [eiseres sub 2] stond, te verzekeren heeft hij gesproken met een andere medewerker van [gedaagde sub 1], [persoon 2], die niet op de hoogte was van de eerdere afwijzing. Omdat de auto op een andere naam stond was dit voor haar ook niet zichtbaar in het systeem. [eiser sub 1] heeft zelf geen melding gemaakt van de eerdere afwijzing. De aanvraag is later door weer een andere medewerker van [gedaagde sub 1], [persoon 3], verwerkt, die ervan uit is gegaan dat [eiseres sub 2] zelf langs was geweest om de auto te verzekeren en derhalve geen aandacht heeft besteed aan de vraag wie de regelmatige bestuurder zou zijn.

4.2 [gedaagde sub 1] betwist de gevorderde schade. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn als gevolg van het ongeval in dezelfde vermogenssituatie komen te verkeren als die waarin zij zouden hebben verkeerd als [gedaagde sub 1] de beweerdelijke beroepsfout niet zou hebben gemaakt. Als de auto elders op naam van [eiseres sub 2] verzekerd zou zijn, zou haar polis als gevolg van het feit dat [eiser sub 1] onder invloed van alcohol heeft gereden immers ook zijn geroyeerd.

Voorts betwist [gedaagde sub 1] dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en stelt zij dat voor vergoeding van immateriële schade in deze geen plaats is. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben onvoldoende onderbouwd dat zij duurdere verzekeringen hebben moeten afsluiten als gevolg van de beweerdelijke beroepsfout van [gedaagde sub 1].

4.3 Voorts voert [gedaagde sub 1] aan dat de gevorderde dwangsom kan niet worden opgelegd nu sprake is van een vordering tot betaling van een geldsom.

Omdat de nota’s van de gemachtigde op naam van [eiser sub 1] zijn gesteld moet de vordering van [eiseres sub 2] op dit punt wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verzuimen om terzake van de geldvordering te verzoeken dat OVZ en [gedaagde sub 1] hoofdelijk worden veroordeeld, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd.

En tenslotte voert [gedaagde sub 1] aan dat de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure afgewezen dient te worden.

Verweer OVZ

Het verweer van OVZ strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de kosten van deze procedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

OVZ heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.4 OVZ was gerechtigd de onderhavige polis(sen) te royeren. [eiser sub 1] (als belanghebbende derde) en [eiseres sub 2] hebben bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet aan hun mededelingsplicht voldaan. Nu [eiser sub 1], toen hij via [gedaagde sub 1] te horen kreeg dat hij door OVZ niet als verzekeringnemer van de auto werd geaccepteerd, alsnog getracht heeft een verzekering voor de auto te verkrijgen door [eiseres sub 2] als verzekeringnemer op te geven en [eiseres sub 2] hieraan heeft meegewerkt, is sprake van opzet aan de zijde van [eiseres sub 2] om OVZ te misleiden. Voorts mocht OVZ de verzekering tevens royeren omdat OVZ deze bij kennis van de ware stand van zaken niet zou hebben gesloten, hetgeen volgt uit het feit dat OVZ de verzekering ook daadwerkelijk heeft geweigerd toen deze in eerste instantie door [eiser sub 1] zelf werd aangevraagd. Hier vloeit tevens uit voort dat OVZ [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet ten onrechte in (onder meer) het FISH heeft geregistreerd.

4.5 OVZ betwist de hoogte van de schade zoals deze wordt gevorderd. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben niet aangetoond dat het voor hen moeilijker is om een autoverzekering af te sluiten. Bovendien hebben ze dit aan hun eigen gedragingen te danken. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben de hoogte van hun vordering van € 1.000,00 niet aannemelijk gemaakt. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moeten zicht hebben op eventuele extra kosten, dus is een schadestaatprocedure onnodig.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten hebben voor het overgrote deel betrekking op de procedure die [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] bij de Ombudsman Verzekeringen zijn gestart. Aangezien OVZ door de Ombudsman volledig in het gelijk is gesteld behoeven de kosten die verband houden met deze procedure niet door haar te worden vergoed. Zolang op grond hiervan geen splitsing in de gevorderde buitengerechtelijke kosten is gemaakt, kan OVZ niet beoordelen of aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan. Bovendien heeft het er alle schijn van dat (een groot deel van) de kosten betrekking hebben op het geschil tussen [eiser sub 1], [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1].

4.6 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover hier van belang, nader ingegaan.

5 De vordering in reconventie

De vordering van OVZ luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (primair) [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan OVZ van een bedrag van € 8.487,95 dan wel (subsidiair) [eiser sub 1] te veroordelen tot betaling aan OVZ van een bedrag van € 8.487,95, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2006, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de kosten van dit geding.

Aan deze vordering heeft OVZ naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

5.1 Ingevolge de toepasselijke polisvoorwaarden is zowel [eiser sub 1] als [eiseres sub 2] ten opzichte van OVZ gehouden de schade die OVZ als gevolg van de door [eiser sub 1] veroorzaakte aanrijding heeft geleden te vergoeden.

5.2 Voorts heeft OVZ op grond van artikel 15, eerste lid, Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) regres op [eiser sub 1], aangezien deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.

6 Het verweer in reconventie

Het verweer van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] strekt primair tot afwijzing van de vordering, in elk geval die tegen [eiseres sub 2], nu haar geen enkel verwijt treft en zij dus niet aansprakelijk is en subsidiair tot matiging van de vordering en verrekening met de geleden schade van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2], met veroordeling van OVZ in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde.

Naast hetgeen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in conventie hebben betoogd, hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] daartoe het volgende aangevoerd:

6.1 OVZ kan geen beroep doen op haar polisvoorwaarden omdat zij de betreffende verzekering per brief van 24 mei 2006 met terugwerkende kracht heeft beëindigd. OVZ heeft derhalve zowel de verzekering als de polisvoorwaarden destijds vernietigd. Voorts komt OVZ geen beroep toe op haar polisvoorwaarden aangezien deze niet tijdig ter hand zijn gesteld en derhalve voor vernietiging in aanmerking komen.

Ook indien de polisvoorwaarden wel van toepassing zijn, kan de schade niet op [eiseres sub 2] verhaald worden aangezien [eiser sub 1] buiten haar weten en tegen haar wil in de auto heeft gereden en haar hiervan in redelijkheid geen verwijt treft, zoals bedoeld in artikel 20.14 van de polisvoorwaarden. Voorts is het op grond van artikel 22 van de polisvoorwaarden zo dat indien de schade door een ander dan de verzekeringnemer, in dit geval [eiseres sub 2], is veroorzaakt, OVZ van haar verhaalsrecht tegenover [eiseres sub 2] geen gebruik zal maken, mits deze voldaan heeft aan de verplichting tot kennisgeving. Deze kennisgeving heeft plaatsgevonden. Gelet op artikel 22 van de polisvoorwaarden is OVZ niet gerechtigd haar schade op zowel [eiser sub 1] als [eiseres sub 2] te verhalen.

6.2 OVZ heeft geen regres op [eiser sub 1] op grond van artikel 15, eerste lid WAM aangezien [eiser sub 1] wel degelijk te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Uit artikel 7:962, derde lid BW volgt verder dat OVZ geen vordering heeft op een bloedverwant in rechte lijn van [eiseres sub 2].

6.3 [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] betwisten de hoogte van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding. Gezien de deplorabele toestand van de werkplaats van [persoon 1] is door het expertisebureau wellicht ook schade die niet is veroorzaakt door het ongeval meegenomen voor reparatie. Van de werkelijk gemaakte reparatiekosten zijn geen facturen overgelegd.

6.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover hier van belang, nader ingegaan.

7 De beoordeling

in reconventie

7.1 De rechtbank overweegt als volgt. OVZ heeft op grond van de WAM de schade die [persoon 1] als gevolg van de door [eiser sub 1] veroorzaakte aanrijding heeft geleden, vergoed. Op basis van artikel 20 juncto 20.13 van de polisvoorwaarden is van verzekering uitgesloten, de schade veroorzaakt terwijl de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de gebeurtenis onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank, geneesmiddelen of enig bedwelmend of opwekkend middel verkeerde dat hij niet in staat moet worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen. Zodanige invloed wordt in ieder geval aanwezig geacht na een geconstateerde overtreding van artikel 8 WVW.

[eiser sub 1] heeft niet betwist dat hij heeft gereden onder invloed van alcohol en dat sprake was van een overtreding van artikel 8 WVW. Het feit dat OVZ niet heeft aangetoond dat er causaal verband bestaat tussen de aanrijding en het onder invloed zijn van alcohol doet niet terzake nu een causaal verband blijkens de polisvoorwaarden niet vereist is. OVZ was daarom gerechtigd om de uitkering onder de verzekering te weigeren en ingevolge artikel 22 polisvoorwaarden verhaal te halen op de verzekeringnemer of op de verzekerde voor wie de uitsluiting geldt.

In het onderhavige geval is [eiseres sub 2] de verzekeringnemer. Op basis van artikel 14.2 polisvoorwaarden is [eiser sub 1] als verzekerde (voor wie de uitsluiting geldt) aan te merken omdat hij op het moment van de aanrijding de bestuurder van het motorrijtuig was.

7.2 Het verweer dat [eiseres sub 2] geen verwijt treft van de omstandigheid dat [eiser sub 1] onder invloed van alcohol in de auto is gaan rijden, slaagt niet omdat artikel 20.14 polisvoorwaarden blijkens de tekst van dat artikel niet van toepassing is op de uitsluiting betreffende invloed van onder meer alcoholhoudende drank in artikel 20.13 polisvoorwaarden.

7.3 Op grond van artikel 15, tweede lid WAM heeft OVZ bovendien voor dit geval, waarin zij op grond van de verzekeringsovereenkomst gerechtigd is de uitkering te weigeren, een recht van verhaal tegen de verzekeringnemer, en indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet is de verzekeringnemer. In dit geval dus respectievelijk [eiseres sub 2] en [eiser sub 1].

Het beroep van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] op artikel 7:962, derde lid BW gaat niet op omdat dit artikel ziet op subrogatie en daar in het onderhavige geval geen sprake van is.

7.4 Het verweer van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat OVZ geen beroep kan doen op haar polisvoorwaarden treft ook geen doel.

De rechtbank stelt voorop dat de verzekering is afgesloten na 1 januari 2006 en dat het nieuwe verzekeringsrecht op de verzekeringsovereenkomst van toepassing is geworden. Blijkens artikel 7:929, tweede lid BW kunnen verzekeringsovereenkomsten op grond van het nieuwe verzekeringsrecht niet langer met terugwerkende kracht worden vernietigd, maar (in bepaalde gevallen) slechts worden opgezegd. De polisvoorwaarden blijven derhalve gewoon van kracht. Weliswaar heeft OVZ per brief van 24 mei 2006 laten weten de verzekering met terugwerkende kracht te zullen beëindigen, maar gelet op het nieuwe recht, moet deze beëindiging worden omgezet in een opzegging als bedoeld in artikel 7:929 BW.

Het verweer dat de polisvoorwaarden niet tijdig aan [eiseres sub 2] ter hand zijn gesteld en zij derhalve voor vernietiging in aanmerking komen, wordt ook verworpen. Onweersproken gesteld is dat [gedaagde sub 1] de verzekeringsaanvraag op 19 april 2006 heeft aangemeld en op 1 mei 2006 schriftelijk bij OVZ heeft ingediend. OVZ heeft de verzekering met terugwerkende kracht geaccepteerd en is direct bij de totstandkoming van de verzekering op 1 mei 2006 overgegaan tot het toezenden van de polis en de polisvoorwaarden. [eiseres sub 2] heeft de polis en de polisvoorwaarden zonder commentaar aanvaard. OVZ heeft hiermee voldaan aan hetgeen in artikel 6:234, eerste lid BW is bepaald ten aanzien van de terhandstelling. Het feit dat het ongeval nog voor die tijd heeft plaatsgevonden doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, nu de voorlopige dekking en de dekking met terugwerkende kracht juist plaatsvinden in het belang van verzekerden.

7.5 [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] voeren aan dat artikel 22 polisvoorwaarden OVZ een verhaalsrecht geeft op de verzekeringnemer óf op de verzekerde voor wie de uitsluiting geldt en dat OVZ dus een keuze heeft tussen hen beiden, maar geen recht om op hen allebei te verhalen. De rechtbank is van oordeel dat die interpretatie uit de tekst van de polisvoorwaarden niet is af te leiden. Uit de bewoordingen in artikel 15 WAM moet eveneens volgen dat de verzekeraar wel mag kiezen, maar zich daartoe niet hoeft te beperken.

7.6 Ook het verweer dat op grond van artikel 22 van de polisvoorwaarden OVZ van haar verhaalsrecht jegens de verzekeringnemer geen gebruik zal maken indien de schade door een ander dan de verzekeringnemer is veroorzaakt, mits voldaan is aan de verplichting tot kennisgeving, treft geen doel. Deze uitzondering geldt alleen voor het geval de schade is ontstaan nadat de dekking volgens artikel 9.5 polisvoorwaarden is geëindigd omdat de verzekeringnemer ophoudt belang te hebben bij het motorrijtuig en tevens de feitelijke macht daarover verliest. In het onderhavige geval is daar geen sprake van. Op het moment dat het ongeval plaatsvond had [eiseres sub 2] belang bij het motorrijtuig en was de verzekering dus nog niet geëindigd.

7.7 Ten aanzien van de door [eiseres sub 2] betwiste hoogte van de door [persoon 1] geleden schade overweegt de rechtbank als volgt. Op 24 en 30 mei 2006 is al gemeld aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat de schade van [persoon 1] op hen verhaald zou worden. Op 20 juli 2006 hebben zij bericht gekregen over de hoogte van de betreffende schade. Op dat moment hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geen bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de schade. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben nooit aan OVZ gemeld dat zij een stem wilden hebben in de schadeafwikkeling en daarmee hebben zij naar het oordeel van de rechtbank hun recht verwerkt. De schade is bovendien begroot door een onafhankelijk expertisebureau. De rechtbank is van oordeel dat OVZ bij de schadeafhandeling als een redelijk handelend verzekeraar is opgetreden.

7.8 Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van partijen in reconventie geen verdere bespreking. Nu OVZ gerechtigd is de door haar gedane schade-uitkering op [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] beiden tegelijkertijd te verhalen is haar vordering tot hoofdelijke veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] tot betaling van EUR 8.487,95, vermeerderd met de – onweersproken – wettelijke rente vanaf 20 november 2006, toewijsbaar.

in conventie

OVZ

7.10 OVZ heeft de polis van [eiseres sub 2] met terugwerkende kracht willen beëindigen per 10 april 2006 vanwege het doen van onjuiste of onvolledige opgave zoals bedoeld in artikel 7:928 BW. OVZ voert hiertoe aan dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben gehandeld met het opzet haar te misleiden (artikel 7:930, vijfde lid BW) en dat zij in elk geval bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten met [eiseres sub 2] (artikel 7:930, vierde lid BW).

Het eerste lid van artikel 7:928 BW bepaalt dat de verzekeringnemer verplicht is voor het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Wanneer een verzekeringnemer deze mededelingsplicht niet nakomt, is het gevolg op grond van

artikel 7:929, tweede lid BW dat de verzekeraar, die ontdekt dat een verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet tot misleiding of die aantoont dat hij de verzekering niet zou hebben afgesloten als hij op de hoogte was geweest van de ware stand van zaken, de verzekering per direct kan opzeggen. Op grond van artikel 7:930, vierde en vijfde lid BW is de verzekeraar in die gevallen (ook over de looptijd) geen uitkering verschuldigd.

7.11 De rechtbank stelt voorop dat het voorbereiden en invullen van het aanvraagformulier door [gedaagde sub 1] voor rekening en risico van [eiseres sub 2] komt. [eiseres sub 2] heeft het aanvraagformulier ondertekend en bij de regelmatige bestuurder niets ingevuld, zodat zij als verzekeringnemer tevens als regelmatige bestuurder moet worden aangemerkt.

7.12 De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het feit dat op het aanvraagformulier een aparte vraag gewijd is aan de regelmatige bestuurder en tevens op het feit dat de verzekering aan [eiser sub 1] geweigerd was toen de auto op zijn naam stond, is de rechtbank van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] wisten of hadden behoren te begrijpen dat de beslissing van OVZ of, en zo ja, op welke voorwaarden, zij de verzekering wilde sluiten, hiervan af zou (kunnen) hangen. De stellingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat zij niet op de hoogte waren gesteld van de inhoud van het acceptatiebeleid en dat het acceptatiebeleid niet in de polisvoorwaarden is opgenomen doen hier niets aan af. Door een specifieke vraag op te nemen op het aanvraagformulier heeft OVZ getracht te voorkomen dat zij onbekend zou zijn met dit feit. OVZ mag vertrouwen op de juistheid van hetgeen door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is ingevuld op het aanvraagformulier en hoeft dit niet te controleren. OVZ kan niet geacht worden op de hoogte te zijn geweest van het feit dat de eerdere aanvraag van [eiser sub 1] met betrekking tot dezelfde auto was afgewezen.

7.13 OVZ heeft het volgende aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een onjuiste danwel onvolledige mededeling door [eiseres sub 2] met betrekking tot de regelmatige bestuurder van de auto. [eiser sub 1] heeft de auto in eerste instantie op zijn eigen naam aangeboden bij OVZ om deze te laten verzekeren. Toen [eiser sub 1] via [gedaagde sub 1] te horen kreeg dat hij door OVZ niet als verzekeringnemer werd geaccepteerd, is de auto op naam van [eiseres sub 2] gezet en hebben hij en [eiseres sub 2] de auto opnieuw aangeboden bij OVZ om op deze manier te trachten alsnog een verzekering voor de auto te verkrijgen. [eiseres sub 2] heeft aan deze gang van zaken meegewerkt. OVZ draagt op dit punt de bewijslast. Voorts baseert OVZ zich op het feit dat [eiser sub 1] ten tijde van het ongeval op 1 mei 2006 de bestuurder van de auto was. Daarnaast staat vast dat [eiseres sub 2] reeds een auto had en dat [eiser sub 1] de auto op 10 april 2006 voor zichzelf had aangeschaft.

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat de auto op naam van [eiseres sub 2] stond, maar dat [eiser sub 1] er van [eiseres sub 2] niet in mocht rijden, zodat het aanvraagformulier niet onjuist of onvolledig is ingevuld.

Gelet op alle genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het bewijs dat sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling door [eiseres sub 2] met betrekking tot de regelmatige bestuurder van de auto voorshands geleverd is. De rechtbank laat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [eiser sub 1] regelmatige bestuurder was en er derhalve sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling.

7.14 Indien [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] slagen in het leveren van dit tegenbewijs had de verzekering door OVZ niet beëindigd mogen worden en zijn de registraties in het Incidentenregister OVZ, in het FISH, bij de Stichting CIS en bij het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars onrechtmatig.

7.15 Indien [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet slagen in het leveren van dit tegenbewijs staat de onjuistheid van de mededeling vast en komt tevens vast te staan dat – gelet op de eerdere weigering van [eiser sub 1] als verzekeringnemer – OVZ de verzekering bij kennis van de ware stand van zaken niet had gesloten en dus op grond van artikel 7:929, tweede lid BW bevoegd was deze op te zeggen. In dat geval was OVZ gerechtigd tot registratie van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in het Incidentenregister OVZ, in het FISH, bij de Stichting CIS en bij het Bureau Justitiële Zaken van het Verbond van Verzekeraars. De vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat zal in dat geval ook worden afgewezen.

De misleiding van verzekeraars staat in dat geval vast. Dat verzekeraars in geval van juiste invulling van het aanvraagformulier de verzekering niet zouden hebben gesloten en om die reden hadden mogen opzeggen en niet tot uitkering verplicht waren, heeft naast hetgeen in reconventie al is overwogen geen zelfstandig gevolg in deze zaak.

[gedaagde sub 1]

7.16 [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verwijten [gedaagde sub 1] dat zij haar zorgplicht als assurantietussenpersoon heeft geschonden en dat zij hen had moeten informeren dat door de combinatie van de leeftijd en beperkte rijervaring van [eiser sub 1] en het soort ter verzekering aangeboden motorrijtuig, OVZ de verzekeringsovereenkomst ook niet met [eiseres sub 2] zou afsluiten als [eiser sub 1] in de auto zou gaan rijden.

7.17 De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde sub 1] in deze voor [eiseres sub 2] als verzekeringnemer is opgetreden en dat de gestelde schending van de zorgplicht derhalve een tekortkoming in de nakoming van de tussen hen geldende verbintenis tot gevolg zou hebben. Ten aanzien van [eiser sub 1] zou de gestelde schending van de zorgplicht door [gedaagde sub 1] een onrechtmatige daad opleveren.

7.18 [gedaagde sub 1] voert aan dat zij [eiser sub 1] op 19 april 2006 heeft gemeld dat zij de auto van [eiser sub 1] niet kon (doen) verzekeren. [gedaagde sub 1] erkent dat zij bij de aanmelding van [eiseres sub 2] als verzekeringnemer niet heeft gewaarschuwd dat [eiser sub 1] niet in de auto mocht rijden, omdat zij er niet op bedacht was dat het om dezelfde auto ging als die [eiser sub 1] op 10 april 2006 ter verzekering had aangeboden. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben niet betwist dat zij uit eigen beweging de auto op naam van [eiseres sub 2] hebben gezet. Ook staat vast dat deze wijziging in de tenaamstelling van de auto is gevolgd op de mededeling door [gedaagde sub 1] dat de auto op naam van [eiser sub 1] niet verzekerd kon worden, terwijl [eiseres sub 2] reeds een auto had.

7.19 [gedaagde sub 1] heeft bij haar conclusie van antwoord aangevoerd dat toen [eiser sub 1] de auto op

19 april 2006 opnieuw heeft aangemeld bij [gedaagde sub 1] hij heeft gesproken met [persoon 2] omdat [persoon 3] en de heer [gedaagde sub 1] beiden niet aanwezig waren. Bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis betwisten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dit en stellen zij dat zij een gesprek hebben gehad met [persoon 3] (die volgens hen op de hoogte was van de eerdere afwijzing van de auto) en de heer [gedaagde sub 1]. Zij stellen dat zij zich niet kunnen herinneren een gesprek te hebben gehad met [persoon 2]. [gedaagde sub 1] blijft bij haar conclusie van dupliek bij het standpunt dat [eiser sub 1] [persoon 2] hebben gesproken. Bij conclusie van dupliek in reconventie wordt dit standpunt door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet meer betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat [eiser sub 1] heeft gesproken met [persoon 2], die niet op de hoogte was van de eerdere afwijzing van de auto omdat zij dit in het systeem van [gedaagde sub 1] niet kon zien.

7.20 De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden tot de mededelingsplicht van [eiseres sub 2] behoorde dat de auto om voornoemde reden op haar naam was gesteld. Het niet bestaan van een verband tussen de weigering van [eiser sub 1] als verzekeringnemer en het op naam van [eiseres sub 2] zetten van de auto is door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet aangevoerd. Het moet gelet op deze omstandigheden aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] duidelijk zijn geweest dat de houding van de verzekeraar om de auto onder [eiser sub 1] niet te willen verzekeren en onder [eiseres sub 2] wel, te maken had met de regelmatige besturing van de auto door [eiser sub 1]. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres sub 2] van haar kant haar plicht tot het meedelen van alle relevante feiten aan de assurantietussenpersoon heeft geschonden zodat [gedaagde sub 1] haar zorgplicht jegens [eiseres sub 2] niet heeft geschonden op dit punt. Nu [eiseres sub 2] de verzekeringnemer is, rust op [gedaagde sub 1] geen plicht om aan [eiser sub 1], die eerder dezelfde auto wilde verzekeren, te melden dat hij niet in de auto zou mogen rijden.

7.21 Het verweer van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat [gedaagde sub 1] [eiser sub 1] op 10 april niet heeft verwezen naar Rialto Verzekeringen die jeugdige personen met een dergelijke auto wel verzekert, kan niet slagen. Er bestaat geen verplichting voor [gedaagde sub 1] om [eiser sub 1] ongevraagd te verwijzen naar een verzekeraar waarvoor zij geen agent is. Dit kan niet tot een aansprakelijkheid uit overeenkomst of onrechtmatige daad leiden.

7.22 Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van partijen in conventie geen nadere bespreking meer. De vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] jegens [gedaagde sub 1] zullen worden afgewezen.

7.23 [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in conventie worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op:

Vastrecht EUR 254,00

Salaris advocaat 904,00 (2 pnt x tarief II) +

Totaal EUR 1158,00

8 De beslissing

De rechtbank

in conventie

[gedaagde sub 1]

- wijst de vordering van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] af;

- veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de kosten van het geding in conventie, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op EUR 1158,00;

- veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

OVZ

- laat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [eiser sub 1] regelmatige bestuurder was en er derhalve sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling aan OVZ;

in conventie en reconventie

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009 door mr. C. Bouwman.