Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI9924

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
314388 / HA ZA 08-2167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ferryvervoer van een met een partij bloemen beladen koeloplegger. Vorderingsrecht, aanlevering ten vervoer in goede staat, beschadigde aflevering, schadeoorzaak, aansprakelijkheid en schadeomvang worden gemotiveerd betwist. bewijsopdrachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 314388 / HA ZA 08-2167

Uitspraak: 27 mei 2009 (bij vervroeging)

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de onderlinge waarborgmaatschappij

TVM U.A..,

handelend onder de naam TVM VERZEKERINGEN,

gevestigd te Hoogeveen,

eiseres,

advocaat mr. E.M. Olinga,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STENA LINE B.V.,

gevestigd te Hoek van Holland,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

PRV BOLAG,

handelend onder de naam STENA LINE SCANDINAVIA AB,

gevestigd te Gothenburg, Zweden,

3. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

STENA LINE SCANDINAVIA AB,

gevestigd te Gothenburg, Zweden,

gedaagden,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “TVM”, gedaagde sub 1 als “Stena BV” en de overige gedaagden met hun vennootschappelijke naam.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 28 januari 2009.

Ingevolge dat tussenvonnis heeft op 7 mei 2009 een comparitie van partijen plaats gevonden. De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van die comparitie. Partijen hebben vonnis gevraagd.

2 De vordering en het verweer

2.1

TVM vordert – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaagden gezamenlijk zal veroordelen om aan haar €12.597,40 te vermeerderen met rente en kosten te betalen.

Daartoe stelt TVM in het kort het volgende.

2.2

FTT Holland B.V. (hierna: FTT) heeft zich ten opzichte van BBE Bloemen B.V. (hierna: BBE) verbonden om een partij bloemen van Aalsmeer naar een geadresseerde in Spalding, Verenigd Koninkrijk, over de weg te vervoeren. FTT heeft de partij bloemen op 16 maart 2007 in goede toestand ten vervoer ontvangen in haar koeloplegger met kenmerk FT5144.

2.3

Stena BV heeft van FTT opdracht aanvaard om de koeloplegger FT5144 met daarin de partij bloemen per schip te vervoeren van Hoek van Holland naar Harwich, waarbij Stena BV zich heeft verbonden om de partij bloemen bij + 4º Celsius te vervoeren. Stena BV heeft dat laatste bevestigd met de tekst “Special Handling: Temperature controlled” in haar boekingsbevestiging (productie 1b bij conclusie van antwoord). Gedaagden hebben in hun computer ingevoerd dat een temperatuur van + 4º Celsius diende te worden aangehouden, zoals blijkt uit de vermelding “+4” in het vakje “Temp B: ” op de afdruk van het scherm van die computer (productie 2 bij conclusie van antwoord).

2.4

Stena BV heeft de partij bloemen in goede staat ten vervoer in ontvangst genomen. In weerwil van de gemaakte afspraken heeft Stena BV de instelling van het koelaggregaat van de oplegger gewijzigd waardoor het aggregaat diepvriestemperatuur in de oplegger is gaan bewerkstelligen. In ieder geval heeft Stena BV de partij bloemen in de oplegger niet bij + 4º Celsius, maar bij een diepvriestemperatuur vervoerd. Bij aflevering van de partij bloemen in Spalding bleek dat deze was bevroren. De schade aan de partij bloemen is door een expert vastgesteld op € 13.347,40.

Ingevolge artikel III. 10.1 van de toepasselijke Conditions of Carriage of Goods by Sea is Stena BV aansprakelijk voor de aan de partij bloemen ontstane schade.

2.5

Ladingbelanghebbenden hebben FTT tot schadevergoeding aangesproken. Als vervoerdersaansprakelijkheidsverzekeraar van FTT heeft TVM de schade, onder aftrek van een eigen risico van € 750,-, aan ladingbelanghebbenden vergoed. TVM vordert van gedaagden vergoeding van het saldo van €12.597,40.

2.6

Het verweer van gedaagden strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van TVM in de kosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gedaagden voeren daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.7

TVM heeft in geen geval iets van PRV BOLAG en van STENA LINE SCANDINAVIA AB te vorderen. Die partijen staan buiten het geschil.

2.8

Gedaagden erkennen dat FTT als afzender met Stena BV als vervoerder heeft gecontracteerd voor het zeevervoer van Hoek van Holland naar Harwich.

Gedaagden betwisten dat TVM als verzekeraar van FTT de schade aan ladingbelanghebbenden heeft vergoed. Uit de voor het vervoer van Aalsmeer naar Spalding opgemaakte vrachtbrief (productie 1 bij akte zijdens TVM) blijkt dat BBE (niet met FTT, maar) met Tunderman Transport BV (hierna: Tunderman) de vervoerovereenkomst heeft gesloten. Ook uit een brief van Delta Lloyd aan Tunderman van 11 juni 2007 (productie 4 bij conclusie van antwoord) blijkt dat Tunderman ten opzichte van BBE de vervoeder was. Uit die brief in samenhang met een brief van Delta Lloyd aan de advocaat van gedaagden van 16 mei 2008 (productie 5 bij conclusie van antwoord) blijkt dat TVM als aansprakelijkheidsverzekeraar van Tunderman de schade heeft afgewikkeld met Delta Lloyd als verzekeraar van BBE. Omdat derhalve TVM niet is getreden in de rechten van FTT, de afzender ten opzichte van Stena BV, heeft TVM geen op overeenkomst gegrond vorderingsrecht ten opzichte van Stena BV.

2.9

De oplegger FT5144 was voorzien van een koelaggregaat dat werd aangedreven met behulp van dieselolie. Stena BV heeft die oplegger van Hoek van Holland naar Harwich vervoerd en aldaar afgeleverd.

Gedaagden betwisten dat Stena BV op zich heeft genomen om de partij bloemen in de oplegger bij + 4º Celsius, of welke temperatuur dan ook, te vervoeren. Stena BV was tot niet meer verplicht dan tot het controleren van de door FTT bij de boeking opgegeven temperatuur van + 4º Celsius (vandaar de vermelding op de afdruk van het computerscherm: “Temp B: +4”) met de door haar met behulp van een CCTV-systeem bij de poort van haar haventerrein aan de buitenkant van de oplegger af te lezen temperatuur. Uit de afdruk van het computerscherm blijkt dat het CCTV-systeem heeft vastgelegd dat het koelaggregaat op de oplegger FT5144 als temperatuur te lezen gaf “Temp R: +7”. Het verschil tussen + 4º en + 7º Celsius is te gering om daarvan melding te maken bij de afzender. Stena BV heeft voldaan aan haar verplichtingen.

Gedaagden betwisten dat Stena BV de temperatuursinstelling van het koelaggregaat van de oplegger heeft gewijzigd. Het personeel van Stena BV heeft uitdrukkelijke instructie om niet aan de koelaggregaten van vervoermiddelen te komen.

2.10

Gedaagden betwisten dat bij aflevering van oplegger FT5144 in Harwich is vastgesteld dat de partij bloemen in de oplegger bevroren was. De chauffeur die de koeloplegger in Harwich in ontvangst heeft genomen heeft verklaard dat de temperatuur op dat moment + 4º Celsius was. De chauffeur heeft bij inontvangstneming van de beladen oplegger geen opmerkingen gemaakt, waarbij gedaagden verwijzen naar de “Port Collection / Delivery Note” d.d. 17 maart 2007 (productie 3 bij conclusie van antwoord). Mogelijk is de partij bloemen in de oplegger tijdens het vervoer van Aalsmeer naar Spalding bevroren geraakt, maar daarvoor is Stena BV niet aansprakelijk, omdat zij alleen maar voor het vervoer van de oplegger en de controle op van buitenaf zichtbare instelling van het koelaggregaat verantwoordelijk was.

Bovendien is Stena BV niet aansprakelijk indien de schade terug te voeren valt op een defect van het koelaggregaat.

2.11

Gedaagden betwisten dat de als bijlage 4 bij het expertiserapport (productie 2 bij akte zijdens TVM) in het geding gebrachte uitprint van een temperatuurmeter de temperatuur in de oplegger FT5144 tijdens het vervoer weergeeft. Indien die uitprint dat wel blijkt te doen, toont die uitprint in onderling verband met de door de beide chauffeurs in Hoek van Holland en Harwich, alsmede door Stena BV afgelezen temperaturen aan de buitenkant van de oplegger aan (a) dat de temperatuur in de oplegger nimmer de voorgeschreven temperatuur van + 4º Celsius heeft benaderd en (b) dat het koelaggregaat defect was omdat het aanmerkelijk lagere temperaturen binnen de oplegger bewerkstelligde dan aan de buitenkant af te lezen viel.

2.12

Gedaagden betwisten het ontstaan van de gestelde schade en de omvang daarvan.

Voorts stellen gedaagden dat TVM of haar verzekerde onvoldoende schadebeperkende maatregelen heeft getroffen door de beschadigde partij bloemen in dezelfde koeloplegger terug te doen, terwijl het koelaggregaat kennelijk aanmerkelijk lagere temperatuur in de oplegger bewerkstelligde dan aan de buitenkant was af te lezen.

3 De beoordeling

3.1

Op het verweer dat TVM niets van PRV BOLAG en van STENA LINE SCANDINAVIA AB te vorderen heeft, is TVM – ondanks de uitdrukkelijke uitnodiging daartoe in het tussenvonnis van 28 januari 2009 – niet ingegaan. Daarop stuit toewijzing van de vordering tegen die gedaagden af. De rechtbank zal die beslissing aanhouden tot het eindvonnis.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat FTT aan Stena BV heeft opgedragen onder verband van dier Conditions of Carriage of Goods by Sea een koeloplegger beladen met een partij bloemen van Hoek van Holland naar Harwich over zee te vervoeren, evenmin dat Stena BV uit dien hoofde in maart 2007 koeloplegger FT5144 in Hoek van Holland beladen met een partij bloemen ten vervoer in ontvangst heeft genomen en deze in Harwich heeft afgeleverd. Het gaat om de vraag of Stena BV als zeevervoerder ten opzichte van TVM aansprakelijk is voor gestelde bevriezingsschade aan de partij bloemen in die koeloplegger.

3.3

Voor zover TVM betoogt dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg van 19 mei 1956 (hierna: CMR), verwerpt de rechtbank dat betoog. Ook indien de rechtsverhouding tussen FTT als vervoerder en haar afzender/opdrachtgever c.q. haar geadresseerde (van rechtswege) door de CMR wordt beheerst, brengt dat niet mee dat de rechtsverhouding tussen FTT als afzender en Stena BV als ondervervoerder voor het zeetraject door de CMR wordt beheerst. Immers, de overeenkomst tussen FTT en Stena BV betreft geen vervoer over de weg, maar vervoer over zee, zodat de CMR niet van rechtswege van toepassing is, en gesteld noch gebleken is dat tussen die partijen is overeengekomen dat hun rechtsverhouding door de CMR wordt beheerst.

Waar tussen partijen niet in geschil is dat de Conditions of Carriage of Goods by Sea van Stena BV op de rechtsverhouding tussen laatstgenoemde en FTT van toepassing zijn en deze beide partijen in Nederland gevestigd zijn, wordt de rechtsverhouding tussen deze partijen beheerst door die voorwaarden en aanvullend door het Nederlandse recht. Omdat TVM haar vorderingsrecht op dat van FTT baseert, gelden die voorwaarden en dat rechtstelsel ook in de rechtsverhouding tussen TVM en Stena BV.

3.4

TVM grondt haar vorderingsrecht op de tussen partijen vaststaande overeenkomst van zeevervoer tussen FTT als afzender en Stena BV als vervoerder.

TVM heeft op die grondslag alleen dan een vorderingsrecht indien zij in de rechten van FTT is getreden. Stena BV betwist gemotiveerd dat TVM in de rechten van FTT is getreden. TVM heeft aangeboden te bewijzen dat zij als vervoerdersaansprakelijkheidsverzekeraar van FTT door subrogatie in dier rechten is getreden. Met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zal de rechtbank TVM opdragen haar zodanige vorderingsgerechtigdheid te bewijzen.

3.5

Partijen twisten over de stellingen van TVM (a) dat Stena BV verantwoordelijk was voor het aanhouden van een temperatuur van + 4ºCelsius in de oplegger, (b) dat personeel van Stena BV de temperatuursinstelling van het koelaggregaat van de oplegger heeft gewijzigd, (c) dat FTT de partij bloemen in de oplegger bij die temperatuur ten vervoer heeft aangeleverd en (d) dat Stena BV de partij bloemen bij diepvriestemperatuur in Harwich heeft afgeleverd.

Gegeven de gemotiveerde betwistingen door Stena BV en gelet op haar bewijsaanbod, zal de rechtbank TVM met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv opdragen de juistheid van de voor toewijzing van de vordering wezenlijke stellingen (a) hetzij (b), (c) en (d) te bewijzen.

Levert TVM dat bewijs, dan is Stena BV in beginsel voor de door zodanige wanprestatie veroorzaakte schade aansprakelijk. Alsdan komen het bevrijdende verweer van mogelijk niet behoorlijk functioneren van het koelaggregaat van de oplegger en het verweer over de omvang van de schade aan de orde.

3.6

Hangende de bewijslevering zal de rechtbank elke verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

De rechtbank,

draagt eiseres op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat:

(a) dat zij als vervoerdersaansprakelijkheidsverzekeraar door subrogatie in de rechten van FTT is getreden (rov. 3.4); en

(b) hetzij dat gedaagde Stena BV zich heeft verbonden om tijdens het zeevervoer een temperatuur van + 4ºCelsius in de oplegger FT5144 aan te houden, hetzij dat personeel van Stena BV de temperatuursinstelling van het koelaggregaat van de oplegger heeft gewijzigd (rov. 3.5); en

(c) dat FTT de partij bloemen bij een temperatuur in de oplegger van + 4ºCelsius bij Stena BV ten vervoer heeft aangeleverd (rov. 3.5); en

(d) dat Stena BV de partij bloemen bij diepvriestemperatuur in Harwich heeft afgeleverd (rov. 3.5);

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 17 juni 2009 voor uitlating door eiseres bij akte over de wijze waarop zij voornemens is aan die bewijsopdrachten te voldoen;

bepaalt dat voor zover eiseres dat bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen:

(a) deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. W.P. Sprenger; en

(b) eiseres in de genoemde akte opgave moet doen van de voor te brengen getuigen, hun verhinderdata en de verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden in de maanden augustus en september 2009 opdat aan de hand daarvan dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1928