Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI9837

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
299372 / HA ZA 08-167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad tegen derde in eerdere procedure toegewezen. Tijdens appelprocedure gaat derde failliet. In onderhavige procedure wordt de aansprakelijkheidsverzekeraar van de derde krachtens artikel 7:954 BW rechtstreeks aangesproken. In eerdere procedure was verzekeraar opgetreden als materiële procespartij. Beginselen van een goede procesorde brengen met zich dat het vonnis dat is gewezen in eerdere procedure als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling in onderhavige procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 299372 / HA ZA 08-167

Uitspraak: 20 mei 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

- tegen -

de naamloze vennootschap

SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Eisers blijven hierna gezamenlijk aangeduid als “[eisers]” en afzonderlijk als “[eiser 1]” respectievelijk “[eiser 2]”. Gedaagde blijft hierna aangeduid als “Erasmus”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 18 maart 2009 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- proces-verbaal van de op 12 mei 2009 gehouden comparitie van partijen.

1.2 Met instemming van partijen is de naam van gedaagde gerectificeerd.

2 De verdere beoordeling

5.1 [eisers] stellen dat zij schade hebben geleden en nog lijden als gevolg van het feit dat zij op 9 november 1999 zijn blootgesteld aan fosfine en dit hebben geïnhaleerd. Zij zijn van mening dat [persoon 1] hiervoor aansprakelijk is. Op 6 maart 2000 hebben zij daarom [persoon 1] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, waarna [persoon 1] verweer heeft gevoerd (hierna: de eerste procedure). Bij vonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat [persoon 1] inderdaad aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden en nog te lijden schade en [persoon 1] veroordeeld deze schade aan [eisers] te vergoeden. [persoon 1] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Tijdens de appelprocedure is het faillissement van [persoon 1] uitgesproken. Erasmus was de aansprakelijkheidsverzekeraar van [persoon 1]. Thans spreken [eisers] Erasmus rechtstreeks aan voor de door hen geleden en nog te lijden schade als hiervoor bedoeld. In haar tussenvonnis van 18 maart 2009 heeft de rechtbank beslist dat [eisers] deze directe actie krachtens artikel 7:954 BW toekomt.

5.2 Vervolgens is de vraag aan de orde welke betekenis voormeld vonnis van 30 juni 2004 in onderhavige procedure heeft. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 18 maart 2009 een comparitie van partijen gelast teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich hieromtrent uit te laten. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Vast staat dat Erasmus in de eerste procedure ingevolge een volmacht namens [persoon 1] verweer heeft gevoerd. Hoewel Erasmus formeel geen partij was bij deze procedure dient zij om die reden in materiële zin wel als procespartij aangemerkt te worden. De stellingen die zij thans in onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, zijn in grote lijnen dezelfde als de stellingen die in de eerste procedure door haar namens [persoon 1] naar voren zijn gebracht en waaromtrent de rechtbank in haar vonnis van 30 juni 2004 een oordeel heeft gegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beginselen van een goede procesorde met zich brengen dat dit vonnis van 30 juni 2004 als uitgangspunt wordt genomen bij de beoordeling in onderhavige procedure.

5.3 In haar vonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank omtrent de aansprakelijkheid van [persoon 1] (aangeduid als [persoon 1]) het volgende overwogen:

“3.1 De lading maakte deel uit van een grotere lading rijst die met het m.s. "Sweder" van Suriname naar Schiedam is vervoerd. Voor vertrek uit Suriname is deze lading in de "Sweder" ter bestrijding van ongedierte bestrooid met fosfinetabletten, die tijdens de reis zijn opgelost en een laag grijs poeder bovenop de lading hebben achtergelaten. Partijen zijn het erover eens dat de lading tijdens het vervoer met de "Sweder" van Suriname naar Schiedam onvoldoende is ontgast.

[persoon 1] heeft op het voorgaande gewezen bij haar betwisting (van) de vordering. De verantwoordelijkheid van de vervoerder voor ontgassing van de lading tijdens het vervoer van Suriname naar Nederland laat echter onverlet dat [persoon 1] uit eigen hoofde aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [e[eisers] gevorderde schade.

3.2 [eisers] hebben gesteld dat de controleur van [persoon 1] onrechtmatig heeft gehandeld door - kort gezegd - geen maatregelen te nemen nadat hij aanwijzingen van behandeling van de lading met fosfine had waargenomen.

3.3 De controleur van [persoon 1], die de lading aan boord van de "Sweder" heeft gecontroleerd, heeft aanwijzingen van gassing van de lading met fosfine waargenomen: een laag grijs poeder op de lading, een lichte gaslucht en dode insecten. Hij heeft naar aanleiding daarvan geen maatregelen genomen, naar [persoon 1] heeft aangevoerd omdat het wel vaker voorkomt dat ladingen voor vertrek worden gegast, doch dat deze tijdens het vervoer worden ontgast, terwijl er ook na ontgassing sprake is van een lichte gaslucht. Nadat [eiser 1] tijdens belading een gaslucht had waargenomen in de "COJA" en onwel was geworden, heeft hij de controleur van [persoon 1] gewezen op de gaslucht. Deze stelde vast dat er een sterke gaslucht hing in het ruim van de "COJA" en heeft gasmetingen laten verrichten.

3.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan van de controleur van [persoon 1] worden gevergd dat hij, indien hij, zoals in dit geval, op aanwijzingen van gassing van de lading met fosfine stuit, zoveel mogelijk zeker stelt dat de lading geen gevaar (meer) oplevert voor de gezondheid, alvorens de lading wordt overgeslagen. Fosfine is immers een zeer gevaarlijke stof, die kan leiden tot vergiftigingsverschijnselen en uiteindelijk dodelijk kan zijn. Voorts is de maximaal toegestane concentratie fosfine (0,3 ppm) zeer laag, zodat er al snel sprake zal zijn van een te hoge concentratie fosfine. Indien er derhalve aanwijzingen zijn dat een lading is behandeld met deze gevaarlijke stof en zich dus mogelijk resten daarvan in de lading zullen bevinden, dient het risico van blootstelling aan te hoge concentraties van deze stof zoveel mogelijk te worden uitgesloten. Tegen deze achtergrond kan van de controleur van [persoon 1] worden gevergd dat hij al het mogelijke doet om zeker te stellen dat personen niet worden blootgesteld aan te hoge concentraties fosfine, door bijvoorbeeld te vragen naar de uitgevoerde gasmetingen en vervolgens desnodig - bijvoorbeeld omdat de vervoerder geen gasmetingen heeft uitgevoerd - zelf gasmetingen uit te laten voeren aan de lading voorafgaand aan de overslag ervan. Door niets te doen nadat hij aanwijzingen van behandeling van de lading met fosfine had waargenomen, heeft de controleur van [persoon 1] dan ook zijn vorenbedoelde zorgplicht verzaakt en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] [persoon 1] is derhalve aansprakelijk voor de schade die [eisers] dientengevolge hebben geleden.

3.5 In het midden kan blijven of [persoon 1] eveneens aansprakelijk is op grond van artikel 13 Bvvw.”

De rechtbank ziet geen aanleiding om van voormeld oordeel af te wijken. Zij neemt voormelde overwegingen dan ook over en maakt deze tot de hare.

Het feit dat de verantwoordelijkheid voor het ontgassen van de lading niet bij [persoon 1] ligt, doch bij de reder/kapitein, zoals Erasmus heeft aangevoerd, laat onverlet dat [persoon 1] (naast de reder/kapitein) aansprakelijk kan worden gehouden indien zij zelfstandig onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste inderdaad het geval, nu de controleur van [persoon 1] de op hem rustende zorgplicht als in rechtsoverweging 3.4 omschreven heeft verzaakt. Door Erasmus is niet betwist dat er aanwijzingen waren dat de lading was behandeld met fosfine. De rechtbank is van oordeel dat in dat geval van de controleur kan worden gevergd dat hij al het mogelijke doet om zeker te stellen dat personen niet worden blootgesteld aan te hoge concentraties fosfine. Vast staat dat de controleur dat heeft nagelaten.

5.4 In haar vonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank omtrent het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade het volgende overwogen:

“3.6 Het is aannemelijk dat, indien de controleur wel aan zijn vorenbedoelde zorgplicht zou hebben voldaan, de lading niet zou zijn overgeslagen in de "COJA". Er zouden dan immers reeds aan boord van de "Sweder" gasmetingen zijn uitgevoerd en er zou dan ook waarschijnlijk voorafgaand aan de overslag zijn vastgesteld dat de lading te hoge concentraties fosfine bevatte. De gevolgen van belading van de "COJA" met de lading met een te hoog fosfinegehalte kunnen derhalve worden toegerekend aan het onrechtmatig handelen van de controleur van [persoon 1].”

De rechtbank ziet geen aanleiding om van voormeld oordeel af te wijken. Zij neemt voormelde overweging dan ook over en maakt deze tot de hare.

5.5 Erasmus heeft nog betwist dat [eisers] aan een (te) hoge concentratie fosfine zijn blootgesteld. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Vast staat dat de overslag van de lading in de “Coja” om 9.00 uur is begonnen en dat om 15.45 uur in het ruim van de “Coja” een concentratie fosfine werd geconstateerd van meer dan 100 ppm. Vast staat voorts dat de maximaal aanvaarde concentratie fosfine slechts 0,3 ppm bedraagt, zodat de aangetroffen concentratie meer dan 300 keer zo groot was. Voorts hebben [eisers] onbetwist gesteld dat [eiser 1] tijdens het laden aan dek was om bij het laden hand- en spandiensten te verrichten en voorts in één ruim aan het werk is geweest, dat [eiser 2] in het woongedeelte van de “Coja” lag te slapen op het moment dat de te hoge concentratie fosfine werd geconstateerd en dat zij zich misselijk en onwel voelde toen zij wakker werd gemaakt. Daarnaast staat vast dat op last van het bevoegd gezag rond 16.30 uur de omgeving is geëvacueerd. Eveneens staat vast dat [eiser 1] en [eiser 2] vervolgens per ambulance naar het ziekenhuis zijn vervoerd, terwijl zij hoofdpijnklachten, voortdurende dorst, keelpijn en hartkloppingen hadden. De rechtbank is op grond van deze feiten van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat [eisers] aan een te hoge concentratie fosfine (meer dan 0,3 ppm) zijn blootgesteld. Het had vervolgens op de weg van Erasmus gelegen om concrete feiten en omstandigheden aan te dragen die, indien juist, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat dit desondanks niet het geval is geweest. Dit heeft zij echter niet gedaan. De rechtbank gaat mitsdien aan haar betwisting, als zijnde onvoldoende onderbouwd, voorbij.

5.6 In onderhavige procedure hebben [eisers] hun vordering beperkt tot hetgeen de rechtbank in haar vonnis van 30 juni 2004 heeft toegewezen, zijnde een bedrag ad € 1.011,82 (NLG 2.229,75), en verwijzing naar de schadestaatprocedure ter zake onder meer schade als gevolg van extra medische kosten, schade als gevolg van arbeidsongeschiktheid van [eiser 1] en immateriële schade van [eisers]

Het bedrag ad € 1.011,82 bestaat uit de volgende schadeposten:

a) NLG 135,- aan havengeld gedurende de periode van ontgassing;

b) NLG 640,30 aan kosten van verblijf elders gedurende de periode van ontgassing;

c) NLG 854,45 aan vervangende kleding;

d) NLG 250,- aan vervoers- en telefoonkosten;

e) NLG 350,- aan kosten voor vervangend proviand.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde schadeposten als volgt.

5.6.1 De onder a) vermelde schadepost ad NLG 135,- is niet betwist en ligt derhalve voor toewijzing gereed.

5.6.2 Ten aanzien van de onder b) vermelde schadepost heeft Erasmus in onderhavige procedure aangevoerd dat [eisers] beschikten over een woning aan de wal, zodat er geen noodzaak was om in een bungalow in Eefde te verblijven. In reactie hierop hebben [eisers] gesteld dat deze woning was verhuurd, hetgeen de rechtbank aannemelijk acht nu [eisers] op het schip woonden. Het had vervolgens op de weg van Erasmus gelegen om concrete feiten en omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van haar stelling. Dit heeft zij echter niet gedaan, zodat de rechtbank aan haar stelling voorbij gaat. Ook deze schadepost ad NLG 640,30 ligt mitsdien voor toewijzing gereed.

5.6.3 Ten aanzien van de onder c), d) en e) vermelde schadeposten heeft de rechtbank in haar vonnis van 30 juni 2004 het volgende overwogen:

“(…) NLG 854,45 vervangende kleding

3.14 Het met betrekking tot deze schadepost door [persoon 1] gevoerde verweer, dat [eisers] kleding hadden moeten meenemen dan wel aan iemand hadden kunnen vragen dat voor hen te doen, faalt. Van [eisers] kon niet worden verwacht dat zij, toen zij meteen na de gasmetingen moesten evacueren kleding zouden meenemen. Voorts is het onwaarschijnlijk dat een ander aan boord had mogen komen van de "COJA", die met een politielint was afgezet en die eerst na een aantal dagen fosfinevrij is bevonden. Deze schadepost dient dan ook te worden toegewezen.

(…) vervoers- en telefoonkosten

3.16 Noch uit hetgeen [eisers] met betrekking tot deze schadepost hebben gesteld noch uit de ter onderbouwing daarvan overgelegde bescheiden blijkt of en in hoeverre het gehele gevorderde bedrag ziet op anders niet gemaakte vervoerskosten in verband met de belading van de "COJA" met de lading met een te hoog fosfinegehalte. Wel is aannemelijk dat [eisers] dit soort kosten hebben moeten maken. Deze schadepost wordt schattenderwijs vastgesteld op NLG 250,=.

(…) kosten voor vervangend proviand

3.17 Noch uit hetgeen [eisers] met betrekking tot deze schadepost hebben gesteld noch uit de ter onderbouwing daarvan overgelegde bescheiden blijkt dat het gehele bedrag aan gevorderde schade bestaat uit anders niet gemaakte kosten van boodschappen in verband met de belading van de "COJA" met de lading met een te hoog fosfinegehalte. Dit geldt in het bijzonder voor de gevorderde kosten van de op 29 november 1999, enige tijd na het voorval gedane boodschappen. Wel is aannemelijk dat [eisers] dit soort kosten hebben moeten maken. Deze schadepost wordt schattenderwijs vastgesteld op NLG 350,=.”

De rechtbank ziet geen aanleiding om van voormeld oordeel af te wijken. Zij neemt voormelde overwegingen dan ook over en maakt deze tot de hare. Ook deze schadeposten liggen mitsdien voor toewijzing gereed.

5.6.4 Ten aanzien van de schade waarvoor verwijzing naar de schadestaatprocedure is gevorderd, heeft de rechtbank in haar vonnis van 30 juni 2004 het volgende overwogen:

“(…) medische kosten

3.15 Vaststaat dat de belading van de "COJA" met de lading met een te hoog fosfinegehalte heeft geleid tot medische kosten bij [eisers]. Voor zover deze kosten niet reeds anderszins zijn vergoed, kunnen zij in dezen als schade van [eisers] gelden. Daar niet uit te sluiten is dat sprake is van schade in vorenbedoelde zin, dient dit onderdeel van de vordering dan ook te worden toegewezen.

(…) schade als gevolg van arbeidsongeschiktheid van [eiser 1] (…)

3.19 Vaststaat dat [eiser 1] arbeidsongeschikt is geraakt. Bij de stukken bevindt zich een verzekeringsgeneeskundige rapportage naar aanleiding van de aanvraag van [eiser 1] voor een uitkering op grond van de WAZ, waarin wordt aangegeven dat [eiser 1] geen benutbare mogelijkheden meer heeft sedert 9 november 1999. Niet uit te sluiten is derhalve dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser 1] samenhangt met de belading van de "COJA" met de lading met een te hoog fosfinegehalte en heeft geleid tot daaraan toe te rekenen schade. Dit onderdeel van de vordering dient dan ook te worden toegewezen.

(…) immateriële schade van [eiser 1] en [eiser 2]

3.20 Niet uitgesloten moet worden geacht dat [eisers] aanspraak kunnen maken op vergoeding (van) immateriële schade in verband met de belading van de "COJA" met de lading met een te hoog fosfinegehalte. Dit onderdeel van vordering dient dan ook te worden toegewezen.”

De rechtbank ziet geen aanleiding om van voormeld oordeel af te wijken. Zij neemt voormelde overwegingen dan ook over en maakt deze tot de hare. Erasmus heeft nog aangevoerd dat het enkele feit dat “niet uit te sluiten is” dat bepaalde schade wellicht is of zal worden geleden onvoldoende is voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure. De rechtbank gaat echter aan deze stelling voorbij. Voor de toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is voldoende dat het bestaan of de mogelijkheid van schade als gevolg van de gestelde wanprestatie of onrechtmatige daad aannemelijk is.

5.7 Het vooroverwogene leidt ertoe dat Erasmus zal worden veroordeeld tot het betalen aan [eisers] van € 1.011,82 en schadevergoeding op te maken bij staat.

5.8 In het vonnis van 30 juni 2004 is wettelijke rente toegewezen over een bedrag ad € 4.389,67 vanaf 9 november 1999 tot en met 22 maart 2000 en over € 1.011,82 vanaf 23 maart 2000. [eisers] hebben in onderhavige procedure deze rente gevorderd. Dit onderdeel van hun vordering ligt als onweersproken voor toewijzing gereed.

5.9 Erasmus wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt Erasmus tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te betalen het bedrag van € 1.011,82 (zegge: éénduizendelf euro en tweeëntachtig eurocent), vermeerderd met wettelijke rente over € 4.389,67 vanaf 9 november 1999 tot en met 22 maart 2000 en over € 1.011,82 vanaf 23 maart 2000;

veroordeelt Erasmus tot vergoeding aan [eisers] van de door hen geleden en nog te lijden (overige) schade, welke het gevolg is van de blootstelling aan fosfine op 9 november 1999, nader op te maken bij staat;

veroordeelt Erasmus in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] bepaald op € 251,- aan vast recht en € 85,44 aan overige verschotten en € 1.356,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is – bij vervroeging – gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204/106