Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI9012

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
323761/FT-EA 09.128
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Instemmen schuldregeling. Artikel 287a Faillissementswet. Het CJIB stelt zich (blijkbaar) op het standpunt dat een schuldhulpverlenende instantie verplicht is zich aan te sluiten bij de NVVK. Gebeurt dit niet, dan is het CJIB niet bereid mee te werken aan een minnelijke regeling. Dit standpunt vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wet en leidt tot rechtsongelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2009/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

bevel in te stemmen met schuldregeling

rekestnummer: 323761/FT-EA 09.128

nummer verklaring: CAP 0110900126

uitspraakdatum: 3 juni 2009

verzoekster

wonende te Capelle aan den IJssel,

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 3 februari 2009, met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, van de Faillissementswet ingediend om de schuldeisers Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) te Leeuwarden (vertegenwoordigd door F), N (vertegenwoordigd door G) en Z (hierna: Z) te X, die weigeren mee te werken aan de door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Verzoekster is verschenen ter terechtzitting van 4 mei 2009, tot haar bijstand vergezeld door mevrouw E. Blok, teamleider Schuldhulpverlening en mevrouw M. Hendriks, schuldhulpverlener van de gemeente Capelle aan den IJssel.

Het CJIB is verschenen in de persoon van mr. W.B. Gaasbeek.

De overige schuldeisers zijn niet verschenen en hebben evenmin schriftelijk een standpunt kenbaar gemaakt.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2. Het standpunt van partijen

Verzoekster heeft een totale schuldenlast van € 27.085,93.

In het verzoek wordt gesteld dat verzoekster al het mogelijke heeft gedaan om middels de op haar rustende inspanningsverplichting, zowel arbeidsgerelateerd als financieel, aan haar crediteuren een zo maximaal mogelijk buitengerechtelijk akkoord voor te leggen. Op 2 juni 2008, nader gewijzigd bij brief van 1 december 2008, heeft verzoekster een buitengerechtelijk akkoord aangeboden. Aan de concurrente crediteuren is een aanbod van 7,36% tegen kwijtschelding van het restant van de vordering voorgelegd. Aan de preferente crediteuren is een aanbod van 14,73% gedaan. Inmiddels hebben de preferente en 23 concurrente crediteuren, die tezamen circa 95,88% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, dit aanbod aanvaard.

Schuldeiser N heeft niet ingestemd met het voorstel omdat het aangeboden percentage te laag wordt geacht. Z heeft het voorstel afgewezen, omdat zij slechts een gedeelte van de totale kosten in rekening heeft gebracht en van mening is dat dit gedeelte volledig moet worden betaald.

Aan het CJIB is bij brief van 24 december 2008 een nader gewijzigd voorstel gedaan conform de bepalingen van het convenant dat het CJIB met de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (hierna: NVVK) in augustus 2007 heeft gesloten.

Dit houdt in dat in afwijking van het regime voor de overige schuldeisers ten aanzien van het CJIB wordt bepaald dat het restant van de vordering na afloop van de schuldregeling opeisbaar blijft.

Het CJIB heeft het voorstel afgewezen en daarbij onder meer aangevoerd dat de gemeente Capelle aan den IJssel geen lid is van de Nederlandse vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Om die reden kan de gemeente geen aanspraak maken op toepassing van het tussen de NVVK en het CJIB gesloten convenant omtrent minnelijke schuldregeling (hierna: het convenant).

3. De beoordeling

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de schuldeisers in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van de verzoekster dat door de weigering wordt geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.

Gezien de hoogte van hun vordering en het aandeel daarvan in de totale schuldenlast weegt het belang van de weigerende schuldeisers niet op tegen het belang dat verzoekster en de overige crediteuren hebben bij de totstandkoming van de minnelijke regeling. De reden die deze crediteuren voor hun weigering hebben gemeld, kan daar niet aan afdoen.

Het CJIB heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op het wettelijke systeem van invordering van administratieve sancties op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften het CJIB niet als een gewone schuldeiser kan worden beschouwd. Slechts is uitzonderlijke gevallen is het CJIB bereid om van het gevoerde incassobeleid af te wijken. Het CJIB heeft daarbij een zeer ruime beleidsvrijheid die in rechte slechts marginaal getoetst kan worden. De uitspraak van deze rechtbank van 27 augustus 2008 (LJN BF1287) moet dan ook onjuist worden geoordeeld, aldus het CJIB.

De rechtbank kan het CJIB volgen in de stelling dat zij niet als een doorsnee schuldeiser kan worden beschouwd. Om die reden dient ook het standpunt van het CJIB dat zij slechts zeer gedeeltelijk medewerking aan een minnelijke regeling verleent, in die zin dat nimmer na afloop finale kwijting wordt verleend, te worden gerespecteerd. Een zo verstrekkende inbreuk op het beginsel van de paritas creditorum zal, naar het oordeel van de rechtbank bij andere schuldeisers, in het kader van een minnelijke regeling zoals de onderhavige, niet licht kunnen worden geaccepteerd.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de rechterlijke toetsing, ook al draagt die een marginaal karakter, zich zal kunnen uitstrekken tot een beroep op ruime beleidsvrijheid, indien die leidt tot strijd met rechtseenheid en rechtsgelijkheid. Zoals de rechtbank reeds eerder heeft overwogen in bovenvermelde uitspraak doet deze situatie zich voor nu het CJIB alleen medewerking wil verlenen aan de totstandkoming van een minnelijke regeling, indien de daarbij betrokken schuldhulpverlenende instantie lid is van de NVVK.

Mevrouw E. Blok heeft ter zitting verklaard dat de gemeente Capelle aan den IJssel geen lid is van de NVVK, doch wel overweegt zich te onderwerpen aan de vrijwillige certificering zoals die thans in aantocht is.

De rechtbank stelt vast dat er vooralsnog geen sprake zal zijn van een certificeringseis op basis van de Wet op het consumentenkrediet, doch van een certificering van schuldhulpverlenende instanties op vrijwillige basis.

Gelet op de toelichting bij artikel 287a, vierde lid en de bepaling van artikel 288, tweede lid, onderdeel b, van de Faillissementswet komt het de rechtbank voor dat de wetgever de toetsing van de schuldhulpverlenende persoon of instelling op het punt van onafhankelijkheid en deskundigheid uitdrukkelijk bij de rechter heeft neergelegd. Dit geldt dus zowel voor de beslissing om iemand toe te laten tot het wettelijk traject als voor de beslissing een weigerachtige crediteur te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Het staat het CJIB derhalve vrij bij een beoordeling als de onderhavige ter onderbouwing van de weigering gemotiveerd aan te voeren dat de schuldhulpverlenende instantie niet voldoet aan de te stellen eisen inzake deskundigheid en onafhankelijkheid. Dat het lidmaatschap van een organisatie als de NVVK hierbij de enige factor van belang zou zijn, kan niet worden aanvaard. Deze organisatie heeft geen officiële status in het kader hier van belang en lang niet alle gemeenten hebben zich hierbij aangesloten. Gesteld, noch gebleken is dat de schuldhulpverlening van de gemeente Capelle aan den IJssel niet voldoet aan daaraan te stellen eisen van deskundigheid en onafhankelijkheid.

Het verzoek om het CJIB te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zoals deze is aangeboden in de brief van 24 december 2008, wordt daarom toegewezen. Het verzoek om N en Z te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zoals deze is aangeboden in de brief van 1 december 2008 wordt eveneens toegewezen.

Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan, nu het primaire verzoek wordt toegewezen, onbesproken blijven.

4. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt de schuldeisers Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden, N, vertegenwoordigd door G en Z om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, voorzitter, en mr. E.A. Vroom en mr. I.C. Prenger-de Kwant, rechters, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2009.