Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI8762

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
19-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/2007 WET-T1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe bestemmingsplan(nen) niet onjuist beoordeeld door Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken. Mogelijk te realiseren geluidsscherm heeft voordelen en nadelen. Geen nieuwe inzichten terzake van bouwen nabij ondergrondse leidingen. Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM niet geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/2007 WET-T1

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te Rhoon, eiseres,

gemachtigde H. Gouw,

en

de raad van de gemeente Albrandswaard, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 1 februari 2005 heeft eiseres, eigenaar van de woning en het perceel aan de [adres] te Rhoon verzocht om vergoeding van planschade op de voet van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft verweerder op grond van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO aan eiseres een schadevergoeding toegekend van € 55.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2005 tot de dag van uitbetaling.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 juli 2006, aangevuld op 6 maart 2007, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar wat betreft het motiveringsgebrek gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 29 mei 2006 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 7 mei 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 6 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

Op 28 januari 2009 heeft eiseres een nadere reactie ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. De onderhavige zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak met registratienummer AWB 08/2999 WET T1. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. de Ruiter, bijgestaan door drs. P.A.J.M. van Bracht, medewerker van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ).

2 Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180), blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Nu de aanvraag om planschade op 1 februari 2005 is ingediend, is het recht van toepassing zoals dat gold op grond van de WRO.

Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals deze bepaling luidde tot 1 september 2005, en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad een belanghebbende, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, op diens verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Feiten en omstandigheden

Eiseres is sinds 10 juni 1997 (mede)eigenaar van het perceel. Het perceel omvat een omstreeks 1994 gebouwd vrijstaand landhuis met erf, een rondom gelegen siertuin, een verwarmd buitenzwembad met bijgebouwen, ondergrond en een dubbele garage. Het perceel is gelegen op circa 40 meter van de Rhoonse Baan. Deze nieuwe weg zorgt voor de ontsluiting van nieuwbouwwijk Portland richting Rhoon en de N492 (de Groene Kruisweg, die aansluit op de A15).

Bij besluit van 11 maart 2002 heeft verweerder het bestemmingsplan “Overhoeken III” vastgesteld, welk plan op 16 oktober 2002 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: GS) is goedgekeurd. Bij besluit van 18 december 2003 heeft verweerder het bestemmingsplan “Rhoonse Baan” vastgesteld, aan welk plan op 6 juli 2004 door GS goedkeuring is verleend.

In haar verzoek tot vergoeding van planschade stelt eiseres dat haar eigendom in waarde is gedaald ten gevolge van de bestemmingsplannen “Overhoeken III” en “Rhoonse Baan”. Zij wijst erop dat de woning voorheen was gelegen temidden van agrarische gronden, terwijl op grond van de nieuwe bestemmingen een bedrijventerrein en een nieuwe ontsluitingsweg kunnen worden aangelegd. Gezien de wijziging van het karakter van de omgeving, de toename van bebouwingsmogelijkheden, de verzwaring van gebruiksmogelijkheden en de intensivering van het woon- en leefklimaat, zal de woning aan situeringswaarde inboeten. Daarnaast zal het woongenot als gevolg van het verlies aan uitzicht en privacy, geluid- en stankhinder en de toename van verkeersbewegingen aanzienlijk verminderen.

Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiseres besloten de SAOZ om advies te vragen. Voorafgaande aan het advies is eiseres op 21 september 2005 in de gelegenheid gesteld om haar verzoek nader toe te lichten en aanvullende informatie te verschaffen. Bij deze gelegenheid heeft eiseres nog gewezen op een toename van lichthinder.

De SAOZ heeft in december 2005 aan verweerder advies uitgebracht. De SAOZ heeft daartoe twee planologische vergelijkingen gemaakt. De SAOZ is allereerst uitgegaan van een waardevaststelling van € 1.000.000,-- kort voor en van € 960.000,-- kort na de peildatum medio november 2002. Volgens de SAOZ brengt de planologische wijziging een ander en intensiever gebruik met zich mee, waardoor hinder en overlast in beperkte mate toenemen en is voorts in zeer beperkte mate sprake van een aantasting van het uitzicht en van het landelijk en open karakter van de omgeving van de woning van eiseres. De planologische mutatie zoals aangegeven onder “Vergelijking I” leidt tot een waardevermindering per peildatum van circa € 40.000,-- . De SAOZ is voorts uitgegaan van een waardevaststelling van € 1.100.000,-- kort voor en € 1.085.000,-- kort na de peildatum medio september 2004. Volgens de SAOZ zal door de planologische mutatie zoals aangegeven onder “Vergelijking II” de geluidbelasting en de daarmee samenhangende hinder en overlast toenemen en leiden tot een waardevermindering van circa € 15.000,--. Op grond van de hiervoor vermelde waardeverminderingen heeft de SAOZ verweerder geadviseerd aan eiseres een schadevergoeding toe te kennen van € 55.000,--, inclusief wettelijke rente vanaf 2 februari 2005. Verweerder heeft vervolgens conform dit advies besloten.

De Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) heeft eiseres in de gelegenheid gesteld haar bezwaren te komen toelichten. De commissie heeft verweerder vervolgens geadviseerd de bezwaren van eiseres gegrond te verklaren en een nieuw besluit te nemen, waarin aan de schadetoebrengende factor luchtkwaliteit en aan de maximale mogelijkheden van het destijds vigerende bestemmingsplan in verband met de aanwezige gasleidingen in het gebied aandacht wordt besteed.

Op 1 november 2007 heeft de SAOZ verweerder desgevraagd nader geadviseerd en ter zake van de luchtkwaliteit gewezen op het in opdracht van verweerder opgestelde conceptrapport “Aanvullend luchtonderzoek Portland-Noord”. Daarin is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit - per 2005, 2010 en 2020 - in het gebied waarin onder meer de Rhoonse Baan is gelegen. Op basis van die gegevens concludeert de SAOZ dat, gelet op de geringe toename van de concentratie stikstofdioxide en de verbetering per saldo van fijnstof, de luchtkwaliteit niet van invloed is op de waardeontwikkeling van het object van eiseres.

De SAOZ ziet verder geen aanleiding om ervan uit te gaan dat, wegens de ondergrondse leidingen(straat) de maximale invulling van de bepalingen van het bestemmingsplan “Buitengebied” als illusoir is te bestempelen. Dit is slechts aan de orde wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Noch uit de bepalingen van het bestemmingsplan “Buitengebied” noch uit de circulaires van het ministerie van VROM “Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen” uit 1984 en “Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie” van 1991 volgt dat niet mag worden gebouwd op een afstand van 50 tot 100 meter van een ondergrondse leiding. De SAOZ is derhalve van mening dat haar eerdere adviezen dienaangaande geen aanpassing hoeven. Te dien aanzien merkt de SAOZ nog op dat agrarische bedrijfsgebouwen zelfs op zeer korte afstanden van bijvoorbeeld een aardgastransportleiding mogen worden opgericht.

In een e-mailbericht van 10 januari 2008 stelt de SAOZ vervolgens dat een zelfstandige beoordeling heeft plaatsgevonden van het aspect geluidhinder en dat een nader aanvullend geluidsonderzoek in het licht van de uitspraak van de ABRvS van 7 januari 1997 niet nodig is. Nu bovendien destijds geen onderzoek is verricht naar de planologische geluidsproductie van de agrarische bestemmingen van het bestemmingsplan Buitengebied is niet (goed) vast te stellen of er in planologische zin sprake is van een toename van 5 dB(A) of meer dan wel minder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich aangesloten bij het advies van de commissie en het bezwaar van eiseres, wat betreft het motiveringsgebrek gegrond, en voor het overige ongegrond verklaard.

2.3. Gronden van beroep

Eiseres voert aan dat de adviezen van de SAOZ van december 2005 en 1 november 2007 over luchtkwaliteit, lichtinval en gasleidingen gebaseerd zijn op veronderstellingen (overheersende windrichting) en normen (stikstofdioxide). Eiseres acht het weliswaar begrijpelijk dat er inschattingen nodig zijn bij het ontwikkelen van plannen, maar dat de realiteit is dat door de bestemmingswijziging van agrarisch naar uitbreiding bedrijventerrein en de aanleg van een ontsluitingsweg het woongenot sterk wordt beknot, hetgeen zich vertaalt in een forse waardedaling van het object. Eiseres wijst in dat verband op het in haar opdracht door Greveling Makelaars opgestelde taxatierapport van 27 februari 2006, waarin de woning is getaxeerd op een bedrag tussen € 900.000,-- en € 950.000,--. Uitgaande van de waarde van € 1.100.000,-- , zoals de SAOZ op de peildatum medio september 2004 heeft vastgesteld, had verweerder volgens eiseres niet mogen volstaan met een vergoeding van

€ 55.000,--, maar had verweerder een vergoeding van rond de € 200.000,-- moeten toekennen. Eiseres wijst er ten slotte op dat verweerder, gerekend vanaf de datum van haar bezwaarschrift, er erg lang over heeft gedaan om te beslissen op haar bezwaren.

2.4. Beoordeling

Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ook wat betreft het nieuwe planologische regime is van belang hetgeen maximaal kan worden gerealiseerd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dient bij de beoordeling van een verzoek om planschade, als hier aan de orde, in beginsel te worden uitgegaan van de maximale benuttingsmogelijkheden van het oude en het nieuwe regime (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2005, nr. 200405136/1. LJN: AT2807). Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de maximale mogelijkheden ingevolge de bestemming “Agrarische doeleinden” met de subbestemming “landschappelijke en natuurlijke waarden”. In navolging van hetgeen deze rechtbank eerder in een andere zaak heeft overwogen (uitspraak van 16 april 2009, reg. nr. AWB 08/2009 WET-T1) overweegt de rechtbank dat haar niet is gebleken dat kort voor de peildata op grond van nieuwe inzichten met betrekking tot de te hanteren afstanden bij het bouwen in of in de nabijheid van ondergrondse leidingen een grotere bebouwingsvrije afstand diende te worden aangehouden dan op grond van artikel 23 van het bestemmingsplan “Buitengebied” was bepaald en dat om die reden maximale planologische invulling van het oude bestemmingsplan niet mogelijk was.

De rechtbank stelt verder vast dat eiseres de (gemotiveerde) weerlegging bij het bestreden besluit van haar zienswijzen en gronden in bezwaar, betrekking hebbende op het uitzicht, luchtkwaliteit, geluid-, geur-, en lichthinder, de leidingenstraat alsmede op de vergelijking met de WOZ-waarde, in beroep niet gemotiveerd heeft betwist. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank geen aanknopingspunten aanwezig voor de conclusie dat verweerder het standpunt van de SAOZ te dien aanzien ten onrechte heeft onderschreven. De rechtbank overweegt in dit verband dat de SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat verweerder in beginsel op de door de SAOZ uitgebrachte adviezen mag afgaan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder rekening heeft mogen houden met de voor- en nadelen van een mogelijk op te richten geluidsscherm met een maximale hoogte van 11 meter ter plaatse van de bestemming “Verkeersdoeleinden” ingevolge het nieuwe bestemmingsplan “Rhoonse baan”. Dat een geluidscherm nog niet is opgericht is niet relevant. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient bij een planologische vergelijking betrokken planologische maatregelen maximaal te worden ingevuld, ongeacht of realisatie heeft plaatsgevonden en/of nog zal plaatsvinden, zij het dat de mogelijke invulling van de bestemming realistisch dient te zijn. Hoewel de oprichting van een geluidscherm van 11 meter niet voor de hand ligt, is geenszins uitgesloten dat ter plaatse van de bestemming “Verkeersdoeleinden” een geluidscherm wordt opgericht met een hoogte van enkele meters. Verweerder heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling van de door eiseres gestelde schadeoorzaken, zoals aantasting privacy, licht- geur- en , geluidhinder alsmede toename van de luchtverontreiniging (mede) rekening mogen houden met de positieve effecten van een op te richten geluidsscherm en deze zwaarder mogen wegen dan de relatief negatieve effecten bestaande uit uitzicht- en situeringschade. Ten aanzien van de geluidhinder en luchtvervuiling voegt de rechtbank hieraan toe dat verweerder gebruik heeft mogen maken van de door de SAOZ vermelde deskundigenrapporten. Niet gebleken is dat eiseres rapporten van andere deskundigen heeft ingediend op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de adviezen van de SAOZ ondeugdelijk zijn en verweerder derhalve deze adviezen niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het door eiseres overgelegde taxatierapport geen informatie bevat die relevant is voor de onderhavige beoordeling van de planvergelijking(en) en de berekening van de planschade ten tijde van de beide peildata.

De rechtbank duidt de grief van eiseres over het tijdsverloop tussen het bezwaarschrift en het bestreden besluit als een beroep op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Deze beroepsgrond treft geen doel. Weliswaar is, gerekend vanaf 12 juli 2006, de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend, tot het moment waarop het bestreden besluit van 31 maart 2008 is genomen, bijna 1 jaar en 10 maanden, derhalve meer dan 1 jaar verstreken, doch hierin ziet de rechtbank onvoldoende reden om in dit geval schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM aan te nemen. In dit verband acht de rechtbank relevant dat naar aanleiding van het bezwaar van eiseres en het verhandelde tijdens de hoorzitting verweerder nader advies bij de SAOZ heeft ingewonnen. Voorts is de totale procedure tot aan de uitspraak van de rechtbank binnen de drie jaar gebleven.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven.

Het beroep van eiseres is derhalve ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. P.C. Santema en mr. A.I. van Strien, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 8 juni 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: