Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI8667

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
292809 / HA ZA 07-2480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Facturenzaak. Verkeerde partij-aanduiding. Rectificatie. Doeland-criterium. Partijen bij de overeenkomst. Verrekening. Aansprakelijkheid ex 6:170 BW in geval van inlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 292809 / HA ZA 07-2480

Uitspraak: 27 mei 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN LEIJEN PLASTIC B.V.

gevestigd te Weesp,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. P.H.C.M. van Swaaij,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POLY ACTIVE B.V.

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2]

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagden in conventie,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. V.R.M. Appelman,

3. [gedaagde 3],

gedaagde,

advocaat mr. V.R.M. Appelman.

Partijen worden hierna ook wel aangeduid als "VLP", "Poly Active", "[gedaagde 2]" en "[gedaagde 3]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 12 september 2007 en de daaraan gehechte 8 producties;

- conclusie van antwoord in conventie tevens houdende (voorwaardelijke) eis in reconventie, met 17 producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 5 december 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 21 augustus 2008, alsmede de daarbij door gedaagden als productie 18 in het geding gebrachte dvd en door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van Leijen Plastic Recycling B.V. (hierna: VLPR) genomen conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met 1 productie;

- proces-verbaal van de voortzetting van de comparitie van partijen, gehouden op 5 november 2008;

- akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis, door gedaagden, met 8 producties;

- akte houdende overlegging producties alsmede uitlating vermeerdering eis, door eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie, met 5 producties;

- akte houdende uitlating producties, door gedaagden.

2 De vaststaande feiten in conventie en in voorwaardelijke reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de producties waarop beroep is gedaan, merkt de rechtbank het volgende – voor zover thans van belang – als vaststaand aan.

2.1

Poly Active, opgericht bij akte d.d. 14 december 2005, houdt zich bezig met opslag- en overslagactiviteiten met betrekking tot te recyclen plastic.

2.2

[gedaagde[gedaagde 2] houdt zich bezig met de handel in, export en import van (onder andere) plastic. [gedaagde 2] koopt plastic afval in en laat deze opslaan en overslaan bij Poly Active voor verscheping naar China.

2.3

Enig aandeelhouder van Poly Active is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] Holding B.V. (hierna: [gedaagde 2] Holding), welke vennootschap per 1 maart 2007 tevens statutair bestuurder is van Poly Active. [gedaagde 2] Holding is ook statutair bestuurder van [gedaagde 2]. [gedaagde 3] is enig aandeelhouder van [gedaagde 2] Holding. Mevrouw Li Ming [gedaagde 3] was statutair bestuurder van Poly Active tot 1 maart 2007.

2.4

In november 2005 is een overeenkomst tot stand gekomen, waarbij in ieder geval Poly Active partij is (hierna: “de samenwerkingsovereenkomst”). In de samenwerkingsovereen-komst staat – voor zover hier relevant – het volgende:

“De ondergetekenden:

1. [persoon 3], geboren [..] ten deze handelende als ondernemer in Van Leyen Plastic Recycling, aandeelhouder/ bestuurder in Van Leijen Plastic B.V., hierna te noemen Van Leyen

en

2. Poly Active B.V. i.o., ten deze vertegenwoordigd door [persoon 1] [..]

[]

1. Partijen gaan per 01 november 2005 met elkaar [..] een samenwerking aan op het gebied van positief te recyclen plastiek goederen zoals folie en andere kunststoffen waaronder in ieder geval is te verstaan de handel, import- en export van met name naar Azie, het inkopen en verkopen alsmede de inspectie, advisering, controle en selectie van deze goederen

2. de samenwerking zal hoofdzakelijk feitelijk plaats vinden vanuit de door Van Leyen te huren bedrijfsruimte gelegen aan de Cannenburgerweg 67 te Ankeveen, hierna te noemen de bedrijfsruimte

3. voor de duur van de samenwerking zal Poly Active voor 50% bijdragen in de huurkosten van de bedrijfsruimte

4. met betrekking tot de door Van Leyen ingevolge de huurovereenkomst van Cannenburgerweg 67 te Ankeveen te betalen waarborgsom [..] zal Poly Active aan Van Leyen betalen een bedrag van € 14.131,25 [..]; het bedrag van € 14.131,25 dient door Van Leyen aan Poly Active te worden terugbetaald binnen 1 maand na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, tenzij partijen schriftelijk een ander terugbetalingstermijn overeenkomen

[..]

6. Van Leyen verleent aan Poly Active toestemming om vrij te mogen beschikken over en gebruiken van alle aan Van Leyen toebehorende bedrijfsmiddelen en personeel die direct of indirect dienstbaar zijn aan de samenwerking tegen een nader door partijen vooraf vast te stellen vergoeding op kostprijsbasis zonder winstopslag

7. Poly Active verleent aan Van Leyen toestemming om vrij te mogen beschikken over en gebruiken van alle aan Poly Active toebehorende bedrijfsmiddelen en personeel die direct of indirect dienstbaar zijn aan de samenwerking tegen een nader door partijen vooraf vast te stellen vergoeding op kostprijsbasis zonder winstopslag

8. partijen verlenen de heer [persoon 2] toestemming om alle marketingactiviteiten met betrekking tot de samenwerking te verrichten

9. partijen dragen zorg voor een eigen aansprakelijkheidsverzekering voor alle uit de samenwerking voortvloeiende bedrijfsaansprakelijkheden

[..]

13.Het staat partijen vrij om de samenwerking per aangetekend schrijven op te zeggen waarbij geldt dat daarbij een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen dient te worden

[..].”

2.5

[gedaagde 2] heeft partijen plastic folie althans recyclebaar plastic verkocht aan VLPR. Deze partijen werden door [gedaagde 2] in rekening gebracht bij VLPR.

2.6

In een brief van 1 oktober 2006 aan VLPR staat – voor zover hier relevant – het volgende:

“[adres VLPR]

Poly Active BV

Cannenburgerweg 67

1244 RH ANKEVEEN

[…]

Betreft beëindiging samenwerking tussen Poly Active B.V. en Vanleijen Plastic Recycling BV.

[…]

Na aanleiding van ons gesprek op 29 september j.l. heb ik verklaard dat ik de samenwerking tussen Poly Active BV en Vanleijen Plastic Recycling BV wilt stopzetten.

Met betrekking tot de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst van 1 november 2005 vervalt hierbij ook de bijdrage van 50% in de huurkosten van de bedrijfsruimte.

[…]

Met vriendelijke groeten,

Dhr. [persoon 4]

Poly Active B.V.

[stempel met de tekst POLY ACTIVE BV]”

2.7

Op 16 augustus 2007 heeft VLP ten laste van Poly Active en [gedaagde 2] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder SNS Bank N.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: SNS Bank), alsmede onder ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: ABN Amro Bank).

2.8

Op 16 oktober 2007 heeft VLPR ten laste van Poly Active conservatoir derdenbeslag doen leggen onder SNS Bank. Voorts heeft VLPR op 23 oktober 2007 ten laste van Poly Active en [gedaagde 2] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN Amro Bank.

2.9

De onder 2.7 bedoelde beslagen zijn tussen 21 augustus 2008 en 5 november 2008 opgeheven.

3 De vordering in conventie

Eiseres in conventie heeft gesteld dat in de beslagstukken en de dagvaarding bij vergissing vergeten is het woord “Recycling” in de naam van eiseres op te nemen en om rectificatie verzocht.

Eiseres in conventie vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 67.903,54 met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

Zij heeft daartoe het volgende gesteld.

3.1

Poly Active is haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst niet nagekomen. Poly Active heeft de volgende facturen niet betaald:

- nr. 20060118 d.d. 31 juli 2006, gericht aan [gedaagde 2], ad € 4.800,--;

- nr. 20060142 d.d. 11 september 2006, gericht aan Poly Active, ad € 4.710,41;

- nr. 20060175 d.d. 1 december 2006, gericht aan [gedaagde 2]/Poly Active, ad € 11.148,--;

- nr. 20060177 d.d. 1 december 2006, gericht aan [gedaagde 2]/Poly Active, ad € 47.245,13.

3.2

Nu [gedaagde 3] zich heeft voorgedaan als de bevoegd bestuurder van Poly Active terwijl hij dat niet was en nu hij voorts de persoon was met wie feitelijk de afspraken zijn gemaakt, is hij naast Poly Active aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst.

3.3

Ook [gedaagde 2] is naast Poly Active aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst, omdat zij (deels) feitelijk uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst en er bovendien een grote verwevenheid is tussen [gedaagde 2] en Poly Active.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt er primair toe dat VLP bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niet ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, met veroordeling van de raadsman van VLP, mr. J. Brakke, in de kosten van het geding. Subsidiair strekt het verweer er toe dat VLPR bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niet ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering althans dat deze haar wordt ontzegd met veroordeling van VLPR in de kosten van het geding.

Gedaagden hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

Primair geldt dat VLP niet ontvankelijk is in haar vordering omdat VLP niet bestaat en VLP niets van (een van de) gedaagden te vorderen heeft.

4.2

Indien geoordeeld wordt dat niet VLP, maar VLPR de eiseres in conventie is, geldt in de eerste plaats dat de dagvaarding te summier is om de vorderingen te kunnen dragen en daarom (naar de rechtbank begrijpt) nietig is.

4.3

Daarnaast geldt dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet naast Poly Active gehouden zijn tot nakoming van de uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen omdat zij daarbij geen partij zijn. [gedaagde 2] is ook niet uit anderen hoofde voor de schulden van Poly Active aansprakelijk.

4.4

Bovendien zijn de facturen waarvan betaling wordt gevorderd, betaald door verrekening (factuur 20060118), respectievelijk niet verschuldigd (facturen 20060142, 20060175 en 20060177) althans dient het ter zake eventueel nog verschuldigde bedrag te worden verrekend met de waarborgsom die door Poly Active bij VLPR is gestort en die VLPR aan Poly Active dient terug te betalen.

4.5

De verschuldigdheid van de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten wordt betwist.

4.6

De wet biedt geen basis voor een hoofdelijke veroordeling in de proceskosten.

5 De vordering in voorwaardelijke reconventie

Poly Active en [gedaagde 2] vorderen (na wijziging van eis) – zakelijk weergegeven – om, als VLPR als de eiseres in conventie wordt aangemerkt, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat de door VLP en VLPR gelegde beslagen nietig althans onrechtmatig zijn althans als opgeheven moeten worden beschouwd, althans VLPR te gebieden deze op te heffen;

- te verklaren voor recht dat VLPR jegens Poly Active en [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de door de beslagen geleden schade en VLPR te veroordelen tot betaling van die schade, op te maken bij staat;

- VLPR te veroordelen tot betaling aan Poly Active van € 14.131,25 en aan [gedaagde 2] tot betaling van € 24.828,--, € 41.024,25, € 828,-- en € 4.800,--, met rente en kosten.

Poly Active en [gedaagde 2] hebben daartoe, naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, het volgende gesteld:

5.1

De op 16 augustus 2007 door VLP gelegde beslagen zijn nietig althans onrechtmatig omdat deze zijn gelegd namens een niet-bestaande vennootschap.

5.2

De op 16 en 23 oktober 2007 door VLPR gelegde beslagen zijn onrechtmatig omdat VLPR geen vorderingen heeft op Poly Active en/of [gedaagde 2].

5.3

Nu de samenwerkingsovereenkomst per 1 oktober 2006 is ontbonden, althans door opzegging is geëindigd per 1 januari 2007 had VLPR de waarborgsom ad € 14.131,25 overeenkomstig artikel 4 van de samenwerkingsovereenkomst uiterlijk op 31 oktober 2006 respectievelijk 31 januari 2007 aan Poly Active moeten terugbetalen. Dat heeft VLPR niet gedaan.

5.4

Factuur 06034 ten bedrage van € 24.828,-- heeft betrekking op door [gedaagde 2] aan VLPR (buiten de samenwerkingsovereenkomst) verkochte en geleverde goederen. De factuur is door VLPR niet betaald.

5.5

Factuur 06050 ten bedrage van € 41.024,25 heeft betrekking op 130 ton recyclebaar plastic. Deze partij is door VLPR van [gedaagde 2] gekocht zonder dat zij daarvoor heeft betaald, althans deze partij is door VLPR ontvreemd.

5.6

Bij factuur 06053 ten bedrage van € 828,-- heeft [gedaagde 2] de schade in rekening gebracht die zij heeft geleden doordat VLPR aan [gedaagde 2] toebehorende goederen heeft vernietigd c.q. als vuil afgevoerd.

5.7

[gedaagde 2] heeft € 4.800,-- teveel betaald aan VLPR. De op de betreffende factuur 20060118 vermelde goederen heeft [gedaagde 2] niet ontvangen, terwijl deze factuur (door verrekening) wel is betaald.

6 Het verweer in voorwaardelijke reconventie

Het verweer strekt er toe dat Poly Active en [gedaagde 2] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in hun vordering niet ontvankelijk worden verklaard althans dat deze hun wordt ontzegd, met veroordeling van Poly Active en [gedaagde 2] in de kosten van het geding.

Naast hetgeen VLPR in conventie heeft betoogd, heeft VLPR daartoe het volgende aangevoerd.

6.1

VLPR heeft haar verplichting tot terugbetaling van de waarborgsom opgeschort omdat gedaagden niet aan hun verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst hebben voldaan en VLPR daardoor schade heeft geleden.

6.2

VLPR is het bij factuur 06034 in rekening gebrachte bedrag niet verschuldigd omdat zij de betreffende goederen niet van [gedaagde 2] heeft gekocht of ontvangen noch anderszins in haar bezit gehad.

6.3

VLPR betwist ook de bij factuur 06050 in rekening gebrachte goederen te hebben gekocht van [gedaagde 2]. VLPR heeft deze goederen ook niet ontvreemd of verwijderd.

6.4

VLPR is niet gehouden factuur 06053 te voldoen. Het zijn juist Poly Active en [gedaagde 2] die de kosten moeten betalen van het afval dat VLPR heeft moeten verwijderen nadat Poly Active de samenwerking had verbroken en de huurbetalingen had stopgezet.

7 De beoordeling

in conventie

Dagvaarding nietig?

7.1

Het verweer dat de dagvaarding te summier is om de vorderingen te kunnen dragen, wordt verworpen. Voldoende is dat de eisende partij een feitelijke onderbouwing geeft van hetgeen wordt gevorderd (artikel 111 lid 2 sub d Rv). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan deze eis voldaan: zij heeft immers aangegeven op grond waarvan zij betaling van de facturen vordert (nakoming van de samenwerkingsovereenkomst) en heeft tevens toegelicht waarom volgens haar naast Poly Active ook [gedaagde 3] en [gedaagde 2] ter zake kunnen worden aangesproken. Overigens maakt de rechtbank uit het in conventie gevoerde verweer op dat ook gedaagden hebben begrepen op welke gronden eiseres stelt recht te hebben op hetgeen zij van gedaagden vordert.

Niet ontvankelijkheid VLP

7.2.1

Gedaagden hebben aangevoerd dat VLP niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat de samenwerkingsovereenkomst niet met VLP, maar met VLPR is gesloten en de procedure derhalve op naam van VLPR gevoerd had moeten worden. Ter comparitie d.d. 21 augustus 2008 heeft VLP gesteld dat bij vergissing in de beslagstukken en de dagvaarding vergeten is het woord “Recycling” in de naam van eiseres op te nemen en heeft zij verzocht deze vergissing als gerectificeerd te beschouwen. Gedaagden hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Ter zake wordt het volgende overwogen.

7.2.2

De vraag wie als eisende partij optreedt dient beantwoord te worden aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Indien sprake is van een vergissing ten aanzien van de partij-aanduiding kan deze door middel van rectificatie worden hersteld wanneer het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, de wederpartij door de vergissing en de rectificatie niet is benadeeld en de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden (vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999, 269, laatstelijk bevestigd in HR 14 december 2007, NJ 2008, 10).

7.2.3

Voor de beoordeling van de vraag of hier sprake is van een voor herstel vatbare vergissing, neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

a) VLP en VLPR zijn sterk op elkaar gelijkende namen en gedaagden hebben met verwijzing naar het handelsregister van de Kamer van Koophandel aangevoerd dat VLP niet, en VLPR wel bestaat;

b) in alinea 1 van de dagvaarding verwijst de eiseres naar de samenwerkingsovereenkomst (productie 1 bij de dagvaarding), als de overeenkomst die zij met Poly Active is aangegaan. Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord in conventie diezelfde samenwerkingsovereenkomst overgelegd (productie 4) en hebben in dat verband gesteld dat Poly Active in november 2005 een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan met VLPR;

c) de als productie 4 bij de dagvaarding overgelegde brief d.d. 1 oktober 2006 (zie 2.6) betreffende de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst is gericht aan VLPR;

d) de als productie 5 bij de dagvaarding overgelegde facturen waarvan in conventie betaling wordt gevorderd uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst staan alle op naam van VLPR;

e) de als productie 7 bij de dagvaarding overgelegde factuur van [gedaagde 2], die de eiseres heeft overgelegd ter ondersteuning van haar stelling dat [gedaagde 2] aanspraak maakt op betalingen uit hoofde van samenwerkingsovereenkomst, is gericht aan VLPR;

f) het als productie 8 bij de dagvaarding overgelegde rekeningafschrift waaruit volgens de eiseres blijkt dat zowel door Poly Active als door [gedaagde 2] betalingen zijn verricht van aan haar uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst verschuldigde bedragen, staat op naam van VLPR;

g) gedaagden hebben blijkens alinea 3 t/m 12 van de conclusie van antwoord in conventie rekening gehouden met de mogelijkheid dat de dagvaarding namens VLPR is uitgebracht en hebben vervolgens (v.a. alinea 13) inhoudelijk verweer gevoerd;

h) nadat gedaagden zich bij conclusie van antwoord in conventie hebben beroepen op de niet-ontvankelijkheid van VLP op de grond dat zij niet bestaat c.q. niets te vorderen heeft van gedaagden, heeft de eiseres bij de eerstvolgende gelegenheid – ter comparitie – aangegeven dat sprake is van een vergissing ten aanzien van de naamsaanduiding en verzocht om rectificatie.

7.2.4

Op grond van de onder a t/m g genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat gedaagden hebben begrepen althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat de vermelding van de naam Van Leijen Plastic B.V. in plaats van Van Leijen Plastic Recycling B.V. in de inleidende dagvaarding op een vergissing berustte. Dat VLPR niet in Weesp, maar in Ankeveen gevestigd is doet daar niet aan af.

7.2.5

Gedaagden hebben voorts aangevoerd dat de door VLPR op 16 en 23 oktober 2007 ten laste van Poly Active en [gedaagde 2] gelegde conservatoire derdenbeslagen onder SNS Bank en ABN Amro Bank (zie 2.8 hierboven) nietig zijn omdat geen eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) was ingesteld: de onderhavige procedure – waarnaar in de beslagrekesten is verwezen – is immers niet op naam van VLPR, maar op naam van VLP aanhangig gemaakt. Indien de gevraagde rectificatie wordt toegestaan komt, aldus gedaagden, de nietigheid van deze beslagen te vervallen omdat de onderhavige procedure dan alsnog kan worden aangemerkt als hoofdzaak. Daardoor zouden gedaagden worden benadeeld.

7.2.6

Dit betoog faalt op grond van hetgeen in rechtsoverwegingen 7.2.2 tot en met 7.2.4 is overwogen: nu gedaagden hebben begrepen althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat VLPR in de onderhavige procedure haar processuele wederpartij is, moeten zij tevens hebben begrepen dat deze procedure ten aanzien van de door VLPR gelegde beslagen als hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv heeft te gelden. Aldus kan van het door gedaagden bedoelde nadeel geen sprake zijn. Ook overigens is niet gebleken dat gedaagden enig nadeel ondervinden van dan wel in hun verdediging zijn geschaad door de vergissing en de rectificatie.

7.2.7

De rechtbank is, mede gegeven het ontbreken van bedoeld nadeel, van mening dat de rectificatie ter comparitie tijdig is geschied, omdat dit de eerstvolgende processuele mogelijkheid was nadat gedaagden dit punt in de conclusie van antwoord in conventie aan de orde hadden gesteld.

7.2.8

Een en ander leidt tot de slotsom dat de rectificatie wordt toegelaten en dat het beroep op niet-ontvankelijkheid van VLP wordt verworpen. De eiseres in conventie wordt verder als VLPR aangeduid.

Partijen bij de samenwerkingsovereenkomst

7.3.1

Tussen partijen is niet in geschil dat onder de samenwerkingsovereenkomst VLPR de enige contractspartij is aan de zijde van de daarin onder 1 genoemde partij en dat Poly Active contractspartij is aan de zijde van de daarin onder 2 genoemde partij. Partijen verschillen van mening of naast Poly Active ook [gedaagde 3] en/of [gedaagde 2] als contractuele wederpartij van VLPR kunnen/kan worden aangemerkt en uit dien hoofde kunnen/kan worden aangesproken tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst.

7.3.2

De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of [gedaagde 3] en/of [gedaagde 2], naast Poly Active, contractspartij van VLPR zijn/is geworden bij de samenwerkingsovereenkomst afhankelijk is van hetgeen [gedaagde 3], [gedaagde 2] respectievelijk VLPR daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (art. 3: 33 en 3: 35 BW; zie ook HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521). Daarom onderzoekt de rechtbank de verklaringen en gedragingen van partijen ten aanzien van de samenwerkingsovereen-komst.

7.3.3

Met betrekking tot [gedaagde 3] heeft VLPR in dit verband het volgende gesteld:

a) [gedaagde 3] was de persoon met wie feitelijk de afspraken zijn gemaakt. Hij heeft met de brief van 1 oktober 2006 getracht de samenwerking te beëindigen;

b) [gedaagde 3] heeft zich voorgedaan als bevoegd bestuurder van Poly Active terwijl hij dat niet was;

c) artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst behelst een opdracht aan [gedaagde 3].

Ad a)

Gedaagden hebben weliswaar erkend dat [gedaagde 3] degene was met wie feitelijk de afspraken konden worden gemaakt met betrekking tot de samenwerkingsovereenkomst (nr. 55 conclusie van antwoord in conventie), maar hebben tevens gesteld dat alle handelingen die [gedaagde 3] in het kader van de samenwerkingsovereenkomst heeft verricht (waaronder het schrijven van de brief van 1 oktober 2006) voor en namens Poly Active zijn verricht en dat [gedaagde 3] daartoe door Poly Active was gemachtigd. Tegenover dit verweer had het op de weg van VLPR gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit zij heeft afgeleid en mocht afleiden dat [gedaagde 3] in het kader van de samenwerkingsovereenkomst voor zichzelf handelde. VLPR heeft daartoe slechts aangevoerd dat de brief van 1 oktober 2006 door [gedaagde 3] is geschreven. Deze enkele omstandigheid is niet voldoende om aan te nemen dat [gedaagde 3] deze brief voor zichzelf schreef: op de brief staat onder het adres van VLPR de naam en het adres van Poly Active terwijl onder de naam van [gedaagde 3] de naam “Poly Active BV” staat en een stempel met wederom de naam “Poly Active” (zie 2.6 hierboven). Andere concrete gedragingen en/of verklaringen van [gedaagde 3] waaruit VLPR heeft afgeleid of mocht afleiden dat [gedaagde 3] in het kader van de samenwerkingsovereenkomst voor zichzelf handelde heeft VLPR niet gesteld.

Ad b)

Ook al zou [gedaagde 3] zich zou hebben voorgedaan als bevoegd bestuurder van Poly Active (gedaagden bestrijden dit) dan leidt dit niet tot de conclusie dat [gedaagde 3] partij bij de samenwerkingsovereenkomst is geworden: de onbevoegd handelend bestuurder bindt niet zichzelf, maar (onder omstandigheden) de vennootschap.

Dat [gedaagde 3] geen bestuurder was van Poly Active doet er overigens niet aan af dat hij als gevolmachtigde voor en namens Poly Active kon handelen.

Ad c)

Artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst, waar VLPR zich in dit verband ook op beroept, betreft geen opdracht aan [gedaagde 3] maar een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW: aan [gedaagde 3] wordt toegestaan, niet opgedragen, marketingactiviteiten met betrekking tot de samenwerking te verrichten. De door hem gegeven uitvoering van deze bepaling moet derhalve in dat licht worden bezien.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat VLPR naar het oordeel van de rechtbank niet uit verklaringen of gedragingen van [gedaagde 3] heeft kunnen of mogen afleiden dat [gedaagde 3], naast Poly Active, partij bij de samenwerkingsovereenkomst is geworden. De verklaring van de heer Van Leijen in het kader van een onderzoek van de Inspectie van het Ministerie van VROM naar “co-mingle”-zaken (wat daar verder ook van zij), waarnaar VLPR heeft verwezen tijdens de comparitie d.d. 21 augustus 2008, doet hieraan niet af, alleen al niet omdat dit geen verklaring of gedraging van [gedaagde 3] betreft.

7.3.4

[gedaagde 2] is volgens VLPR partij geworden bij de samenwerkingsovereenkomst omdat zij aanspraak heeft gemaakt op betalingen die VLPR aan Poly Active verschuldigd was uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. [gedaagde 2] heeft deze stelling van VLPR bestreden. De factuur van [gedaagde 2] waar VLPR in dit verband naar verwijst (productie 7 bij dagvaarding) is, aldus [gedaagde 2], per abuis opgesteld en al geruime tijd geleden gecrediteerd. Gelet op dit verweer van [gedaagde 2] had het op de weg van VLPR gelegen om nadere feiten en/of omstandigheden te stellen ter onderbouwing van haar stelling. VLPR heeft dit nagelaten. Dat [gedaagde 2] “wel eens een betaling ten behoeve van Poly Active heeft verricht”, zoals zij in nr. 52 van haar conclusie van antwoord in conventie stelt, brengt niet zonder meer met zich dat [gedaagde 2] partij bij de samenwerkingsovereenkomst is geworden: een verbintenis kan ook door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen (artikel 6:30 BW).

Nu andere feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 2] (mede) partij is geworden bij de samenwerkingsovereenkomst niet zijn gesteld of gebleken, komt de rechtbank tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde 2], naast Poly Active, partij bij de samenwerkingsovereenkomst is geworden.

Vereenzelviging

7.3.5

Voor zover VLPR betoogt dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor schulden van Poly Active vanwege de verwevenheid tussen beide vennootschappen wordt het volgende overwogen. In beginsel zijn rechtspersonen zelfstandige dragers van rechten en verplichtingen. VLPR heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld dan dat [gedaagde 2] Holding bestuurder is zowel van Poly Active als van [gedaagde 2] en dat deze vennootschap tevens enig aandeelhouder is van Poly Active (zie 2.3 hierboven). Deze omstandigheden zijn onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [gedaagde 2] voor de schulden van Poly Active aansprakelijk is.

Slotsom ten aanzien van de vorderingen jegens [gedaagde 3] en [gedaagde 2]

7.3.6

De vorderingen van VLPR, ook voor zover deze strekken tot betaling van facturen die (mede) op naam van [gedaagde 2] zijn gesteld, zijn uitsluitend gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst. Nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is komen vast te staan dat onder de samenwerkingsovereenkomst Poly Active de enige contractspartij is aan de zijde van de daarin onder 2 genoemde partij en dat zij derhalve als enige gehouden is tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vorderingen voor zover deze zich richten tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] moeten worden afgewezen.

Beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst

7.4.1

Partijen twisten voorts over de vraag of de samenwerkingsovereenkomst is beëindigd en zo ja, per welke datum. Volgens Poly Active is de overeenkomst per 1 oktober 2006 ontbonden op de grond dat VLPR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst. VLPR heeft betwist dat de samenwerkingsovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is van een rechtsgeldige ontbinding geen sprake, alleen al niet omdat, in strijd met artikel 6:267 lid 1 BW, uit de brief van 1 oktober 2006 (althans de – gelijkluidende – brief van 21 december 2006) niet is af te leiden dat en op welke grond Poly Active de overeenkomst ontbindt: er wordt slechts over “beëindiging” en “stopzetten” gesproken. VLPR heeft uit die brief niet begrepen – en evenmin behoren te begrijpen – dat Poly Active de samenwerkingsovereenkomst ontbond.

Poly Active heeft voorts betoogd dat VLPR zich niet heeft verzet tegen de beëindiging per 1 oktober 2006 omdat zij zich pas 2,5 maand later, op 12 december 2006, bij monde van haar raadsman op het standpunt heeft gesteld dat zij zich alle rechten voorbehoudt ten aanzien van de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. Voor zover Poly Active in dit verband een beroep doet op rechtsverwerking op grond van het tijdsverloop tussen 1 oktober 2006 en 12 december 2006, faalt dit beroep omdat krachtens vaste rechtspraak voor het aannemen van rechtsverwerking enkel tijdsverloop of enkel stilzitten niet voldoende is en Poly Active geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit, indien bewezen, kan worden afgeleid dat VLPR met onmiddellijke beëindiging per 1 oktober 2006 heeft ingestemd. Het enkele gegeven dat VLPR kort na het feitelijk verbreken van de samenwerking door Poly Active per 1 oktober 2006 de huurovereenkomst heeft beëindigd, rechtvaardigt die conclusie niet; VLPR was immers gehouden tot het nemen van maatregelen ter beperking van haar schade (artikel 6:101 lid 1 BW).

7.4.2

Derhalve is de samenwerkingsovereenkomst niet ontbonden door de brief van 1 oktober 2006. Enige andere ontbindingshandeling (afgezien van de brief van 21 december 2006) is niet gesteld.

De brief van 1 oktober 2006 kan wel worden aangemerkt als een opzegging in de zin van artikel 13 van de samenwerkingsovereenkomst (zie 2.4 hierboven). De stelling van VLPR dat [gedaagde 3] niet bevoegd was de samenwerkingsovereenkomst namens Poly Active op te zeggen baat VLPR niet. Poly Active heeft deze brief aangemerkt als namens haar geschreven, waarmee zij de eventueel door [gedaagde 3] onbevoegd verrichte opzegging heeft bekrachtigd.

Dat betekent dat de samenwerkingsovereenkomst na het verstrijken van de opzegtermijn van drie maanden geëindigd is, derhalve op 1 januari 2007. Bij dit oordeel heeft de rechtbank laten meewegen dat niet gesteld of gebleken is dat partijen na 1 januari 2007 nog uitvoering hebben gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst.

Facturen VLPR

7.5.1

Ter comparitie heeft VLPR erkend dat factuur nr. 20060118 d.d. 31 juli 2006 ten bedrage van € 4.500,-- vóór de dagvaarding is betaald door middel van verrekening. Dit gedeelte van de vordering komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

7.5.2

Factuur nr. 20060142 d.d. 11 september 2006 ten bedrage van € 4.710,41 heeft betrekking op de huur over de maand oktober 2006. Poly Active heeft de verschuldigdheid van deze factuur betwist in die zin, dat zij heeft gesteld geen huur meer verschuldigd te zijn na 1 oktober 2006, wegens haar ontbinding. Nu hiervoor is vastgesteld dat deze ontbinding niet rechtsgeldig was en dat de overeenkomst is geëindigd per 1 januari 2007, is Poly Active gehouden de factuur te voldoen. Of Poly Active ter zake een beroep op verrekening toekomt, zoals zij stelt, zal hierna aan de orde komen.

7.5.3

Factuur nr. 20060175 d.d. 1 december 2006 ten bedrage van € 11.148,-- is gesteld op naam van “[gedaagde 2]/Poly Active”. De factuur betreft naar de omschrijving ervan de levering van twee partijen plastic producten, beide d.d. 10 mei 2006. Ook deze vordering is ingesteld in het kader van de samenwerkingsovereenkomst. Poly Active heeft de verschuldigdheid betwist, althans zij heeft betwist dat het hier zaken betreft die zij van VLPR gekocht en geleverd heeft gekregen. Volgens VLPR betreffen het hier zaken die door [gedaagde 2] zijn gekocht. VLPR heeft bij de voortzetting van de comparitie d.d. 5 november 2008 immers verklaard: “[gedaagde 2] heeft twee containers plastic producten bij VLPR gekocht en op 10 mei 2006 geleverd gekregen. De opdrachten werden altijd per e-mail bevestigd. Er is ook een vrachtbrief van 10 mei 2006 waaruit de aflevering blijkt. De weegbriefjes kunnen bij Van Gansewinkel worden opgevraagd. De heer Van Leijen ondertekent de vrachtbrieven altijd zelf.” Hiervoor is reeds overwogen dat [gedaagde 2] ter zake vorderingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst niet aansprakelijk is (zie 7.3.6 hiervoor).

7.5.4

Bij factuur nr. 20060177 d.d. 1 december 2006 is een bedrag van € 47.245,13 in rekening gebracht. Op de factuur staan de volgende posten:

1) 62x weging Gansewinkel

2) 2 x zeewolde

3) 1 x transport Lichtenvoorde

4) Waternet verontreinigingsheffing

5) Onroerend goedbelasting

6) Pwn

7) Hr. november, december, januari

8) Vuilafvoer 1.940 kg

9) Vuilafvoer 1.020 kg

10) Nuon juli/jan 50%

11) Lossen week 2 t/m 48

12) Laden week 2 t/m 48

13) Verwerkings/perskstn

14) 17/10/06 pcm

15) 17/10/06 abs

16) Reparatie taxatie wanden bedrijfshal

7.5.5

Bij de voortzetting van de comparitie d.d. 5 november 2008 heeft VLPR verklaard dat de posten 1, 2, 3, 8, 9, 11, 12 en 13 betrekking hebben op door VLPR in opdracht van Poly Active of [gedaagde 2] uitgevoerde werkzaamheden en dat de kostprijs ingevolge artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst vergoed dient te worden. Poly Active heeft dit betwist. In haar akte houdende overlegging producties alsmede uitlating vermeerdering eis stelt VLPR niet langer dat het hier werkzaamheden in opdracht van (ook) Poly Active betreft: zij spreekt – onder het kopje: “Werkzaamheden Van Leijen ten behoeve van [gedaagde 2]” – nog slechts over werkzaamheden die [gedaagde 2] op grond van de samenwerkingsovereenkomst tegen kostprijs dient te voldoen. In rechtsoverweging 7.3.6 hiervoor is vastgesteld dat de op de samenwerkingsovereenkomst gebaseerde vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde 2] worden afgewezen. Voor een gehoudenheid van Poly Active tot betaling van deze onderdelen van de factuur heeft VLPR onvoldoende gesteld.

7.5.6

Poly Active heeft de verschuldigdheid van de posten 4, 5, 6 en 10 bestreden. Anders dan VLPR voorstaat, volgt de verschuldigdheid van deze kosten niet zonder meer uit artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst, waarin slechts over “bijdrage in de huurkosten” wordt gerept (zie 2.4 hierboven). VLPR is in haar akte houdende overlegging producties alsmede uitlating vermeerdering eis na de comparitie met geen enkel woord nader ingegaan op deze posten. Aldus heeft zij deze onderdelen van haar vordering onvoldoende onderbouwd.

7.5.7

Nu de samenwerkingsovereenkomst per 1 januari 2007 is geëindigd, is Poly Active gehouden tot die datum 50% bij te dragen in de huur (post 7) overeenkomstig hetgeen partijen daartoe zijn overeengekomen in artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst (zie 2.4 hierboven). Daarom komt de huurbijdrage over november en december 2006 voor betaling door Poly Active in aanmerking, maar die over januari 2007 niet. Dat de huur vanaf november 2006 € 4.026,39 (exclusief BTW) bedraagt is door Poly Active, die in dit verband slechts heeft opgemerkt dat thans zonder nadere redengeving € 4.026,39 wordt gerekend terwijl de huurtermijnen voordien € 3.958,33 bedroegen en niet meer heeft gereageerd op de stelling van VLPR ter comparitie dat de huur is verhoogd omdat de eigenaar van het pand de huur had verhoogd, niet betwist zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Poly Active is derhalve gehouden de bij deze factuur in rekening gebrachte huurbijdrage over november en december 2006 te voldoen, evenals voorheen vermeerderd met 19% BTW. De opmerking “vrij van omzetbelasting inkoop ingevolgde de beschikking (..)” ziet niet op de post huur.

Of Poly Active ter zake een beroep op verrekening toekomt, zoals zij stelt, zal hierna aan de orde komen.

7.5.8

Poly Active heeft bij de voortzetting van de comparitie d.d. 5 november 2008 ook de verschuldigdheid van de posten 14 en 15 betwist. Volgens VLPR betreffen deze posten goederen die door [gedaagde 2] zijn gekocht. Hiervoor is reeds overwogen dat de vorderingen uitsluitend zijn gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst en dat [gedaagde 2] ter zake niet aansprakelijk is (zie 7.3.6 hiervoor) . Nu niet gesteld of gebleken is dat en op grond waarvan Poly Active gehouden is deze posten te betalen, zal de vordering van VLPR in zoverre worden afgewezen.

7.5.9

Ten aanzien van de schade aan de wanden van de bedrijfshal (post 16), waarvoor VLPR een bedrag van € 4.300,-- (te vermeerderen met BTW) in rekening heeft gebracht, heeft VLPR bij de voortzetting van de comparitie op 5 november 2008 gesteld dat deze is veroorzaakt door [persoon x], werknemer van Poly Active of [gedaagde 2]. Volgens VLPR is Poly Active of [gedaagde 2] gehouden de betreffende schade te vergoeden omdat [persoon x] in dienst was van Poly Active of [gedaagde 2] en omdat partijen in artikel 9 van de samenwerkingsovereenkomst zijn overeengekomen dat ieder van partijen een aansprakelijkheidsverzekering zou sluiten.

Poly Active heeft betwist dat VLPR de gestelde schade heeft geleden, dat [persoon x] deze heeft veroorzaakt en voorts dat zij daarvoor aansprakelijk is. [persoon x] was weliswaar tot 31 oktober 2006 formeel bij haar in dienst, maar was feitelijk werkzaam onder leiding van VLPR, aldus Poly Active.

Voor zover de vordering jegens [gedaagde 3]co is gericht zal deze, zoals in 7.3.6 hiervoor is overwogen, worden afgewezen. De rechtbank stelt voorts voorop dat, ingeval van schade, toegebracht aan een derde door een fout van een ondergeschikte, degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk is, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen (artikel 6:170 lid 1 BW). Voor de beantwoording van de vraag wie moet worden aangemerkt als “degene in wiens dienst” de ondergeschikte zijn taak vervult, is niet vereist dat sprake is van een dienstverband: beslissend is wie ten aanzien van de werkzaamheden waarbij de ondergeschikte de fout heeft gemaakt zeggenschap heeft over de ondergeschikte. Indien er sprake is van inlening van de ondergeschikte, zoals door Poly Active gesteld, geldt in beginsel een cumulatieve aansprakelijkheid van uitlener en inlener. De uitlener is alleen dan niet aansprakelijk, indien hij kan aantonen dat hij ondanks het voortduren van het dienstverband geen enkele zeggenschap had uit hoofde van zijn rechtsbetrekking.

Tegen deze achtergrond geldt dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op VLPR de last rust te bewijzen dat zij schade heeft geleden ten bedrage van € 4.300,-- te vermeerderen met BTW, en dat die schade is veroorzaakt door een fout van [persoon x] in de periode dat hij bij Poly Active in dienst was. Indien VLPR dat bewijs levert, rust op Poly Active, eveneens ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv, de last te bewijzen dat zij als uitlener geen enkele zeggenschap had over [persoon x] uit hoofde van de dienstbetrekking. VLPR zal thans worden toegelaten tot bewijslevering.

Op de eventuele invloed van het bepaalde in artikel 9 van de samenwerkingsovereenkomst zal na de bewijsvoering worden ingegaan.

7.5.10

Voor zover hiervoor is overwogen dat (onderdelen van) de vordering van VLPR onvoldoende zijn onderbouwd, is voor het opdragen van bewijs geen reden en zal de vordering op die onderdelen worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

7.6

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

in (voorwaardelijke) reconventie

Voorwaarde

7.7

Nu is voldaan aan de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld dient deze te worden beoordeeld.

Vermeerdering van eis

7.8

Bij akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis hebben Poly Active en [gedaagde 2] hun eis in reconventie gewijzigd in die zin dat thans ook gevorderd wordt VLPR te veroordelen tot betaling aan [gedaagde 2] van een bedrag van € 4.800,-- met rente. VLPR heeft tegen de eiswijziging als zodanig geen verweer gevoerd zodat ter beoordeling voorligt de vordering zoals bij genoemde akte gewijzigd en zoals hiervoor onder 5 beschreven.

Waarborgsom

7.9.1

Tussen partijen is niet in geschil dat Poly Active de waarborgsom als bedoeld in artikel 4 van de samenwerkingsovereenkomst (zie 2.4 hierboven) aan VLPR heeft betaald. Thans vordert zij terugbetaling van deze waarborgsom.

Nu de samenwerkingsovereenkomst is geëindigd per 1 januari 2007 (zie 7.4.2 hierboven) en partijen - zoals Poly Active onbetwist heeft gesteld - geen andere terugbetalingstermijn zijn overeengekomen, had de waarborgsom uiterlijk op 1 februari 2007 terugbetaald moeten zijn.

VLPR heeft aangevoerd dat zij de waarborgsom onder zich heeft gehouden omdat Poly Active haar betalingsverplichtingen ten aanzien van het huren van de gezamenlijke bedrijfsruimte niet is nagekomen en VLPR door het abrupt afbreken aanzienlijke schade heeft geleden.

Ter zake wordt het volgende overwogen.

7.9.2

In artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst (zie 2.4 hierboven) staat dat Poly Active gedurende de duur van de samenwerking voor 50% zal bijdragen in de huurkosten van de bedrijfsruimte. Uit de bewoordingen van artikel 4 van de samenwerkingsovereenkomst maakt de rechtbank op dat de waarborgsom is verstrekt in verband met het aangaan van de huurovereenkomst van deze bedrijfsruimte. Een waarborgsom vormt een zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen ten behoeve waarvan de waarborgsom afgegeven. Vast staat dat Poly Active de huurbijdrage over de maanden oktober tot en met december 2006 van (in totaal en inclusief BTW) € 14.293,22 (€ 3.958,33 + (2x) € 4.026,39 + 19% BTW) niet heeft voldaan. Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat Poly Active daar wel toe gehouden was. Daarom mag VLPR de waarborgsom van € 14.131,25 aanwenden voor voldoening van deze huurbijdragen. Dit betekent dat de vordering van Poly Active tot terugbetaling van de waarborgsom zal worden afgewezen, met dien verstande dat haar betalingsverplichting ten aanzien van de huurbijdragen dienovereenkomstig wordt verminderd. De rechtbank berekent deze vermindering op € 14.293,22 minus € 14.131,25, derhalve € 161,97.

7.9.3

Omdat de waarborgsom was gestort als zekerheid voor betaling van de huurbijdrage, heeft VLPR dadelijk bij het opeisbaar worden van de bijdrage over oktober 2006 – en vervolgens over de volgende twee maanden – tot verrekening kunnen overgaan. Daarom is over de vordering tot betaling van de huurbijdrage geen rente verschuldigd geworden behoudens voor zover de waarborgsom die bijdrage niet dekte. Dat niet gedekte gedeelte heeft de rechtbank op € 161,97 bepaald. Alleen over dat bedrag is Poly Active vanaf 1 januari 2007 rente verschuldigd geworden.

Overigens in conventie

Verrekening

7.10

Nu de rechtbank in rechtsoverweging 7.9 heeft geoordeeld dat de waarborgsom voor verrekening in aanmerking komt, komt de rechtbank niet meer toe aan een zelfstandige beoordeling van het beroep van Poly Active op verrekening.

Overigens in reconventie

Beslagen

7.11.1

Ten aanzien van de op 16 augustus 2007 en 23 oktober 2007 ten laste van [gedaagde 2] gelegde beslagen wordt het volgende overwogen. Deze beslagen zijn gelegd ter verzekering van een door VLPR gestelde vordering op [gedaagde 2] uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. Nu, zoals hiervoor overwogen, VLPR geen vordering op [gedaagde 2] toekomt uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst, is het beslag ten onrechte gelegd en heeft VLPR daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde 2]. Dat betekent dat de vordering om voor recht te verklaren dat deze beslagen onrechtmatig zijn en dat VLPR jegens [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de gevolgen van de onrechtmatig gelegde beslagen, zullen worden toegewezen evenals de vordering om VLPR te gebieden het op 23 oktober 2007 gelegde beslag op te heffen. Nu de op 16 augustus 2007 gelegde beslagen inmiddels zijn opgeheven (zie 2.9 hiervoor) komt de vordering tot opheffing van deze beslagen niet voor toewijzing in aanmerking. De vordering tot betaling van door [gedaagde 2] door de beslagen geleden schade, nader op te maken bij staat, zal worden afgewezen, nu [gedaagde 2] in geen enkel processtuk, noch bij de comparitie, heeft gesteld dat en in welke vorm zij schade heeft geleden tengevolge van de beslagen.

7.11.2

Op de vraag of en in hoeverre de op 16 respectievelijk 23 oktober 2007 door VLPR ten laste van Poly Active gelegde beslagen onder SNS-bank en ABN Amro Bank onrechtmatig zijn, zal na de bewijsvoering in conventie worden teruggekomen.

Facturen [gedaagde 2]

7.12.1

VLPR heeft betwist dat zij de bij factuur nr. 06034 d.d. 4 september 2006 ad € 24.828,-- in rekening gebrachte materialen gekocht en geleverd heeft gekregen. Gelet op dit verweer had het op de weg van [gedaagde 2] gelegen haar vordering op dit punt nader te onderbouwen. De door haar bij haar akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis overgelegde producties 18 en 19 kunnen niet als een zodanige nadere onderbouwing worden aangemerkt. Ook al zou VLPR partijen plastic aan derden hebben geleverd dan valt hieruit immers nog niet af te leiden dat VLPR deze partijen eerder van [gedaagde 2] heeft gekocht. [gedaagde 2] heeft haar vordering op dit punt derhalve onvoldoende onderbouwd.

7.12.2

Met betrekking tot de door [gedaagde 2] bij factuur nr. 06050 d.d. 27 november 2006 in rekening gebrachte materialen heeft [gedaagde 2] in haar akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis, slechts gesteld dat zij een tekort heeft geconstateerd in haar voorraad en dat deze voorraad lag opgeslagen in een loods waar ook VLPR gebruik van maakte. Dit enkele (door VLPR betwiste) gegeven levert onvoldoende feitelijke grondslag op voor haar stelling dat VLPR gehouden is de betreffende factuur te voldoen, als ware VLPR koper van die voorraad. Aldus heeft [gedaagde 2] haar vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd.

7.12.3

Volgens [gedaagde 2] vertegenwoordigt haar factuur 06053 d.d. 13 december 2006 ad € 828,-- de waarde van haar goederen die VLPR, zonder dat [gedaagde 2] daartoe opdracht had gegeven, heeft vernietigd c.q. afgevoerd. VLPR is gehouden de aldus door haar veroorzaakte schade te vergoeden uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel omdat zij daardoor toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereeenkomst, aldus [gedaagde 2].

VLPR heeft de verschuldigdheid van deze factuur bij conclusie van antwoord betwist. Volgens haar gaat het hier om afval van Poly Active/[gedaagde 2] dat was achtergelaten in de gehuurde loods nadat Poly Active de samenwerking had verbroken en de verschuldigde huur van de loods niet meer voldeed. VLPR heeft de huurovereenkomst vervolgens kunnen beëindigen en moest het pand leeg opleveren. Het door Poly Active/[gedaagde 2] achtergelaten afval heeft zij afgevoerd en de kosten daarvan bij [gedaagde 3], Poly Active c.q. [gedaagde 2] in rekening gebracht. Van onrechtmatig handelen dan wel toerekenbaar tekortschieten van VLPR – zo begrijpt de rechtbank het verweer van VLPR – is geen sprake.

Uit hetgeen is overwogen in 7.3.6 volgt dat de samenwerkingsovereenkomst niet ten grondslag kan worden gelegd aan verplichtingen van VLPR jegens [gedaagde 2]. Voorts geldt dat, gelet op het verweer van VLPR, het op de weg van [gedaagde 2] had gelegen om concrete feiten en/of omstandigheden aan te voeren die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot de conclusie dat VLPR gehouden is de hier bedoelde schade te vergoeden. Nu [gedaagde 2] dat heeft nagelaten, heeft zij haar vordering ter zake niet voldoende onderbouwd.

7.12.4

Voor zover de (onderdelen van de) vordering van [gedaagde 2] hiervoor als onvoldoende onderbouwd zijn aangemerkt, is voor het opdragen van bewijs geen reden en zal de vordering op die onderdelen worden afgewezen.

7.12.5

[gedaagde 2] heeft voorts, voor het eerst bij akte overlegging producties tevens houdende vermeerdering van eis, gesteld de bij factuur nr. 20060118 d.d. 31 juli 2007 in rekening gebrachte partij pe/pa rollen van 16.000 kilogram ad € 4.800,-- nooit te hebben ontvangen. Thans vordert zij terugbetaling van het – volgens haar – aldus teveel betaalde bedrag.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.12.6

Het betreft hier de factuur waarvan in conventie betaling is gevorderd en waarvan door gedaagden is gesteld dat deze door verrekening is betaald. In alinea 71 van haar conclusie van antwoord in conventie heeft [gedaagde 2] in dit verband betoogd:

“Factuur 20060118 groot EUR 4.800,-- betreft een levering van 16.760 kilo goederen aan [gedaagde 2]. Het is juist dat [gedaagde 2] deze hoeveelheid goederen van Van Leijen Plastic Recycling gekocht en geleverd heeft gekregen, [..].”

De rechtbank merkt deze mededeling aan als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 lid 1 Rv. Ingevolge lid 2 van dit artikel kan een gerechtelijke erkentenis slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd.

7.12.7

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde 2] bij haar eiswijziging niet heeft aangegeven dat zij ten aanzien van bedoelde mededeling heeft gedwaald of dat deze niet in vrijheid is afgelegd. Voorts is van belang dat VLPR bij de voortzetting van de comparitie op 5 november 2008 ten aanzien van de betreffende factuur heeft verklaard:

“Deze factuur is betaald door middel van verrekening met facturen van [gedaagde 2] (zie producties 12 en 13) bij conclusie van antwoord. Het verweer op dit punt van de wederpartij is correct.”

Gedaagden hebben toen slechts verklaard:

“Inderdaad is deze factuur door verrekening betaald.

7.12.8

Nu [gedaagde 2] bij de voortzetting van de comparitie d.d. 5 november 2008 kennelijk al van plan was haar eis te wijzigen (zij heeft voor dat doel immers om verwijzing naar de rol verzocht) had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde 2] gelegen om bij deze (voortgezette) comparitie aan te geven dat sprake was van een vergissing met betrekking tot de ontvangst van de bij bedoelde factuur in rekening gebrachte goederen. Dat heeft [gedaagde 2] niet gedaan noch heeft zij dat – zoals hiervoor overwogen – nadien bij haar akte tot (onder meer) vermeerdering van eis gesteld. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de verklaring van [gedaagde 2] in de conclusie van antwoord door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Derhalve is voor herroeping geen plaats.

Dat betekent er in deze procedure van wordt uitgegaan dat [gedaagde 2] de goederen heeft ontvangen. Daarop strandt dit onderdeel van de vordering.

8 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

draagt VLPR op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zij schade heeft geleden doordat de bedrijfshal is beschadigd door een fout van [persoon x], dat hij die fout heeft gemaakt in de periode dat hij bij Poly Active in loondienst was, alsmede dat die schade € 4.300,- te vermeerderen met BTW beloopt (rov. 7.5.9);

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 24 juni 2009 voor uitlating door VLPR bij akte over de wijze waarop zij voornemens is aan die bewijsopdracht te voldoen;

bepaalt dat voor zover VLPR het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen:

(a) deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. W.P. Sprenger; en

(b) VLPR in de genoemde akte opgave moet doen van de voor te brengen getuigen, hun verhinderdata en de verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden in de maanden augustus en september 2009 opdat aan de hand daarvan dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

houdt elke verdere beslissing aan;

in reconventie

houdt elke beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1775/1928