Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI8661

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
309473 / HA ZA 08-1537
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

koop woning; geestelijke stoornis; matiging boete; matiging rente en proceskosten; 3:34, 6:94, 6:109 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 309473 / HA ZA 08-1537

Uitspraak: 20 mei 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IN DE STAD HOLDING B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUNNY BOY VASTGOED HOLDING B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROJECTEN IN DE STAD V B.V.,

alle gevestigd te Rotterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. A.M. Roepel,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.N.R. Nasrullah.

Partijen worden hierna aangeduid als "In de Stad c.s." respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 17 juni 2008 en de door In de Stad c.s. overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in

reconventie;

- conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in

reconventie, met productie;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in

reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in reconventie.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde] en In de Stad c.s. hebben op respectievelijk 30 januari 2008 en 4 februari 2008 een overeenkomst getekend waarbij In de Stad c.s. een onroerende zaak, gelegen aan [adres], hebben verkocht aan [gedaagde] (hierna: de koopovereenkomst). [gedaagde] handelde daarbij in het kader van de uitoefening van zijn in het handelsregister ingeschreven eenmanszaak [naam eenmanszaak]. De koopsom bedroeg € 420.000,00.

2.2 In de koopovereenkomst is bepaald dat de levering van het onroerende goed plaatsvindt op 4 maart 2008 of zoveel eerder of later als partijen tezamen overeenkomen en dat de koopsom € 441.000,00 bedraagt indien de levering na 4 maart 2008 plaatsvindt.

2.3 In artikel 4 van de koopovereenkomst is bepaald dat [gedaagde] uiterlijk op 25 februari 2008 een bankgarantie doet stellen of een waarborgsom stort voor een bedrag van € 42.000,00.

2.4 In artikel 10 van de koopovereenkomst is bepaald dat indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, de wederpartij van de nalatige de overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst kan ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete verbeuren van € 42.000,00, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van de kosten van verhaal.

2.5 In artikel 16 van de koopovereenkomst is bepaald dat de koopovereenkomst door [gedaagde] kan worden ontbonden indien hij uiterlijk op 25 februari 2008 geen hypothecaire geldlening of het aanbod daartoe heeft verkregen van een erkende geldverstrekkende instelling.

2.6 [gedaagde] heeft geen bankgarantie doen stellen, geen waarborgsom gestort en heeft het gekochte niet afgenomen.

2.7 Op 12 maart 2008 is [gedaagde] schriftelijk door In de Stad c.s. in gebreke gesteld en is hij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 20 maart 2008 alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.

2.8 Bij brief van 11 april 2008 hebben In de Stad c.s. de koopovereenkomst met [gedaagde] ontbonden en hebben zij hem gesommeerd de contractuele boete ad € 42.000,00 uiterlijk op 18 april 2008 aan hen te voldoen.

3 De vordering in conventie

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst is ontbonden;

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 42.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2008, althans 11 april 2008, althans de dag der dagvaarding, alsmede met een bedrag van € 800,00 terzake van buitengerechtelijke incassokosten en met de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben In de Stad c.s. aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst door na te laten een bankgarantie te stellen danwel een waarborgsom te storten en door het gekochte noch op de overeengekomen datum noch op een later moment af te nemen.

3.2 [gedaagde] is door In de Stad c.s. op de voorgeschreven wijze in gebreke gesteld, maar heeft ook daarna niet aan zijn verplichtingen voldaan. In de Stad c.s. waren als gevolg hiervan gerechtigd de koopovereenkomst te ontbinden en maken aanspraak op de overeengekomen terstond opeisbare boete van € 42.000,00.

3.3 In de Stad c.s. hebben de vordering uit handen moeten geven en hebben hierdoor buitengerechtelijke kosten gemaakt die conform het Rapport Voorwerk II moeten worden vastgesteld op een bedrag ad € 800,00.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van In de Stad c.s. danwel tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van In de Stad c.s. in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Primair voert [gedaagde] aan dat nimmer sprake is geweest van wilsovereenstemming van zijn kant. Hij is van 18 juni 2007 tot 11 juni 2008 bij Bouman GGZ behandeld voor onder meer psychiatrische klachten. Ten tijde van het tekenen van de koopovereenkomst waren deze klachten van dien aard dat [gedaagde] de bij de rechtshandeling betrokken belangen niet redelijk kon waarderen. Dit blijkt onder andere uit het feit dat [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt van het financieringsvoorbehoud. De rechtshandeling was bovendien op voorhand nadelig voor [gedaagde], nu hij de koopovereenkomst zonder duidelijke financiële dekking is aangegaan. In de Stad c.s. hadden van de psychische gesteldheid van [gedaagde] op de hoogte moeten zijn en geen koopovereenkomst met hem aan moeten gaan. Gelet hierop is de koopovereenkomst op grond van artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar en is [gedaagde] geen contractuele boete verschuldigd aan In de Stad c.s.

4.2 Subsidiair doet [gedaagde] een beroep op matiging van de contractuele boete, de buitengerechtelijke kosten, de wettelijke rente en de proceskosten vanwege een gebrek aan voldoende inkomsten. [gedaagde] woont thans bij zijn ouders en heeft geen inkomsten uit werk. Hij is voornemens weer een studie commerciële economie aan de HES op te pakken en zal in dat geval recht hebben op een thuiswonende beurs ad € 91,81 per maand. [gedaagde] beschikt niet over enige spaartegoeden.

4.3 [gedaagde] betwist dat hij een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, nu de betreffende werkzaamheden slechts beschouwd kunnen worden als werkzaamheden ter voorbereiding van een procedure.

5 De vordering in reconventie

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de koopovereenkomst te vernietigen en In de Stad c.s. te veroordelen in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft [gedaagde] hetgeen hij in conventie als verweer heeft aangevoerd ten grondslag gelegd.

6 Het verweer in reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Naast hetgeen In de Stad c.s. in conventie hebben betoogd, hebben zij daartoe het volgende aangevoerd:

6.1 In de Stad c.s. betwisten de door [gedaagde] gestelde stoornis van zijn geestesvermogens. Zij hebben bovendien gerechtvaardigd vertrouwd op de verklaring en gedragingen van [gedaagde] zodat hem geen beroep toekomt op het (vermeend) ontbreken van zijn wil. De overeenkomst is derhalve rechtsgeldig tot stand gekomen en niet vernietigbaar.

7 De beoordeling

in conventie en in reconventie

7.1 Gelet op de samenhang van de vordering in reconventie met de vordering in conventie, zullen de geschillen gezamenlijk worden behandeld.

7.2 Allereerst ligt ter beoordeling voor of de koopovereenkomst op grond van artikel 3:34 BW vernietigd dient te worden. [gedaagde] stelt de koopovereenkomst te zijn aangegaan onder invloed van een geestelijke stoornis, hetgeen een redelijke waardering van de bij de koopovereenkomst betrokken belangen heeft belet. In de Stad c.s. hebben dit gemotiveerd betwist.

7.3 Wil het beroep op deze vernietigingsgrond slagen dan dient allereerst vast komen te staan dat de geestesvermogens van [gedaagde] op het moment van het aangaan van de koopovereenkomst blijvend of tijdelijk waren gestoord. [gedaagde] heeft dienaangaande aangevoerd dat hij van 18 juni 2007 tot 11 juni 2008 bij Bouman GGZ voor onder meer psychiatrische klachten is behandeld. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een behandelplan van Bouman GGZ d.d. 26 juni 2007 overgelegd. Uit dit behandelplan kan slechts afgeleid worden dat op 26 juni 2007 de (voorlopige) diagnose is gesteld dat bij [gedaagde] sprake is van cocaïne- en alcoholmisbruik, alsmede van problemen binnen de primaire steungroep en dat het doel van de behandeling terugvalmanagement betreft. Zonder enige nadere toelichting van de zijde van [gedaagde] kan hier echter niet uit worden afgeleid dat zijn cocaïne- en alcoholmisbruik of zijn problemen binnen de primaire steungroep hebben geleid tot een tijdelijke of blijvende stoornis van zijn geestesvermogens.

Als desondanks al aangenomen zou worden dat er sprake was van een stoornis, dan is dat onvoldoende om aan te nemen dat deze stoornis ook bestond op 30 januari 2008, toen [gedaagde] het koopcontract ondertekende. Het behandelplan is immers opgesteld op 26 juni 2007 en zegt daarmee niets over de situatie op 30 januari 2008. Bovendien wordt in het behandelplan gesproken van ‘terugvalmanagement’, zodat niet kan worden uitgesloten dat [gedaagde] op het moment van ondertekenen van het koopcontract ‘clean’ was en eventuele met alcohol- en cocaïnemisbruik gepaard gaande psychische problemen afwezig waren.

Het had dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen zijn stelling op voornoemde punten nader te onderbouwen, bijvoorbeeld middels een verklaring van zijn behandelaar bij Bouman GGZ, waaruit blijkt welke concrete klachten er bij [gedaagde] bestonden ten tijde van de ondertekening van de koopakte. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aan zijn stelplicht voldaan.

Gelet hierop zal de rechtbank het door [gedaagde] gedane bewijsaanbod passeren. Mitsdien staat niet vast dat [gedaagde] leed aan een geestelijke stoornis ten tijde van de rechtshandeling, zodat zijn beroep op vernietiging van de koopovereenkomst op grond van artikel 3:34 BW niet slaagt. De overige stellingen van partijen terzake behoeven daarom geen verdere bespreking. De reconventionele vordering ligt voor afwijzing gereed.

7.4 Nu [gedaagde] nalatig was in de op hem rustende verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst, waaronder de verplichting tot het doen stellen van een bankgarantie of storten van een waarborgsom en het afnemen van het gekochte, en nu hij – na op 12 maart 2008 in gebreke te zijn gesteld – nalatig bleef, hebben In de Stad c.s. de koopovereenkomst met [gedaagde] bij brief van 11 april 2008 op goede gronden ontbonden en is de vordering tot betaling van de contractuele boete toewijsbaar.

7.5 Het beroep van [gedaagde] op matiging van de contractuele boete wordt verworpen. Voor matiging van de bedongen boete is ingevolge artikel 6:94 BW slechts plaats indien de billijkheid dit klaarblijke¬lijk eist. Dit betekent dat de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging alleen gebruik kan maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet gebleken. Het argument van [gedaagde] dat hij onvoldoende inkomsten heeft, dient, gelet op het feit dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het financieringsvoorbehoud, verworpen te worden. [gedaagde] heeft zich hiermee immers zelf in een situatie gebracht waarin hij een boete verschuldigd is geworden. [gedaagde] heeft verder geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld die, indien juist, de hoogte van de boete onaanvaardbaar maken. Het vorenstaande leidt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat voor matiging van de boete geen plaats is.

7.6 Conform de vordering van In de Stad c.s. zal de contractuele boete worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW, en wel vanaf 11 april 2008, nu op die datum de overeenkomst is ontbonden en [gedaagde] ingevolge de koopovereenkomst op dat moment ten behoeve van In de Stad c.s. de boete heeft verbeurd.

7.7 De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

7.8 [gedaagde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Nu de vordering in reconventie en het verweer hiertegen geheel voortvloeien uit de stellingen in conventie worden de proceskosten in reconventie op nihil begroot.

7.9 Het beroep van [gedaagde] op matiging van de wettelijke rente en de proceskosten vanwege onvoldoende inkomsten wordt verworpen. Matiging van vergoeding van schade, zoals gedorven rente of proceskosten, is op grond van artikel 6:109 BW slechts mogelijk, indien toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Hierbij moet gelet worden op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht. Het argument van [gedaagde] dat hij onvoldoende inkomsten heeft, dient, gelet op hetgeen hiervoor onder 7.5 is overwogen, ook hier verworpen te worden. [gedaagde] heeft verder geen concrete feiten en/of omstandigheden gesteld die, indien juist, bij toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zullen leiden. Het vorenstaande leidt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat voor matiging van de wettelijke rente en de proceskosten geen plaats is.

8 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en In de Stad c.s. is ontbonden;

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan In de Stad c.s. te betalen het bedrag van € 42.000,00 (zegge: tweeënveertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf 11 april 2008 tot aan de dag der voldoening;

in reconventie

wijst af de vordering van [gedaagde];

in conventie en reconventie

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van In de Stad c.s. bepaald op € 940,00 aan vast recht, op € 87,25 aan overige verschotten en op € 1.788,00 aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

2052/204