Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI8604

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
287389 / HA ZA 07-1700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aannemer die in periode 1962-1994 regelmatig met asbesthoudende Eternit-producten heeft gewerkt, overlijdt aan mesothelioom. Rechtbank oordeelt dat Eternit in periode 1969 t/m 1994 onrechtmatig heeft gehandeld door de afnemers van haar producten niet, althans niet adequaat, te waarschuwen voor het gevaar verbonden aan het gebruik, het verwerken en bewerken van Eternit-producten, welke wit asbest bevatten. Het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van Eternit en de door de aannemer geleden schade is voldoende komen vast te staan. Er is sprake van eigen schuld aan de zijde van de aannemer, nu deze als (kleine) zelfstandig ondernemer een eigen verantwoordelijkheid had om zich op de hoogte te stellen van de op zijn vakgebied belangrijke ontwikkelingen. De rechtbank komt tot het oordeel dat 20% van de schade voor eigen rekening van de aannemer dient te blijven. De hoogte van de immateriële schade wordt gesteld om € 50.000,-.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 287389 / HA ZA 07-1700

Uitspraak: 29 april 2009

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te Stad aan ‘t Haringvliet,

eiseres,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ETERNIT FABRIEKEN B.V.,

gevestigd te Goor, gemeente Hof van Twente,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” respectievelijk “Eternit”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 27 juni 2007 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- pleitnota in het schriftelijk pleidooi aan de zijde van [eiseres] met productie;

- pleitnota in het schriftelijk pleidooi aan de zijde van Eternit;

- pleitnota tweede termijn in het schriftelijk pleidooi aan de zijde van [eiseres];

- pleitnota tweede termijn in het schriftelijk pleidooi aan de zijde van Eternit.

1.2 De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor d.d. 12 februari 2007.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 [eiseres] is gehuwd geweest met de heer [persoon 1], geboren [geboortedatum] (hierna: [persoon 1]).

Tijdens dit huwelijk zijn drie kinderen geboren.

2.2 [persoon 1] heeft tussen 1962 en 1968 in loondienst gewerkt bij het aannemingsbedrijf van zijn vader. In 1968 heeft hij het bedrijf samen met zijn broer voortgezet. In 1973 heeft hij het bedrijf als eenmanszaak voortgezet.

2.3 Begin 2005 is bij [persoon 1] de diagnose mesothelioom gesteld. Deze diagnose is op 31 maart 2005 door het Nederlands Mesotheliomen Panel bevestigd. Vanwege deze ziekte heeft [persoon 1] vanaf mei 2005 zijn werkzaamheden in zijn eigen bedrijf niet meer kunnen uitoefenen. Op 16 juli 2006 is [persoon 1] aan de gevolgen van mesothelioom overleden.

2.4 Uit een notariële verklaring van erfrecht d.d. 11 juni 2007 blijkt dat [eiseres] bevoegd is om handelend voor zich, als schriftelijke gevolmachtigde van de twee meerderjarige kinderen en als wettelijke vertegenwoordiger van het minderjarige kind, als hiervoor vermeld onder 2.1, de goederen behorende tot de nalatenschap van [persoon 1] te beheren en daarover volledig te beschikken.

2.5 Tussen 1962 en (in ieder geval) 1 juli 1993 heeft Eternit asbestcementproducten, te weten asbestcementgolfplaten en vlakke asbestcementplaten, geproduceerd en aan groothandelaren, waaronder Esselink Bouwmaterialen B.V. te Middelharnis, geleverd.

2.6 In 1979 heeft Eternit een folder uitgegeven. Op de voorkant van de folder staat vermeld: “DROOG OPSLAAN BELANGRIJK”. In de folder staat op pagina 2 – voor zover thans van belang – het volgende vermeld:

“(…)

3. Bewerking

Bij de bewerking kan fijn stof ontstaan, dat asbest bevat. Het inademen van dit fijne stof in hoge concentraties moet vermeden worden, opdat gevaar voor de gezondheid wordt uitgesloten. Bij gebruik van handgereedschap (…), knabbelscharen en boren met een lage draaisneldheid is geen stofafzuiging noodzakelijk. Dit gereedschap kan dus zonder speciale voorzieningen toegepast worden. Bij gebruik van boor- en zaagmachines met hogere toerentallen dient stofafzuiging plaats te vinden.(…)”.

Voorts staat op pagina 2 onderaan een logo afgedrukt met de letter A, met daarbij de tekst:

“Volg de veiligheidsvoorschriften op. Vermijd inademing van dit stof.”

Op pagina 3 wordt met behulp van schematische tekeningen toelichting gegeven bij de toepassing van Eternit-platen. Het gevaar van asbeststof wordt daarbij niet vermeld.

Eén exemplaar van deze folder werd verstrekt bij een bundel platen als deze werd geleverd aan de groothandel. Instructies over terhandstelling aan de eindgebruikers verstrekte Eternit daarbij niet.

2.7 Bij kort-gedingvonnis van deze rechtbank d.d. 1 augustus 2006 is Eternit veroordeeld om aan [persoon 1] bij wijze van voorschot op de (immateriële) schadevergoeding te betalen € 20.000,-. Geen van partijen is tegen dit vonnis in appel gegaan. Eternit heeft dit bedrag betaald.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat Eternit onrechtmatig heeft gehandeld jegens [persoon 1] en [eiseres] en hun kinderen en daardoor jegens [eiseres] schadeplichtig is geworden;

2. Eternit te veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden de immateriële schade krachtens artikel 6:106 BW, door [eiseres] begroot op € 60.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarop het door Eternit betaalde voorschot van € 20.000,- in mindering kan strekken;

3. Eternit te veroordelen aan [eiseres] te vergoeden de door haar geleden en nog te lijden materiële schade nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente;

4. Eternit te veroordelen aan [eiseres] te vergoeden haar buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 7.880,06, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5. Eternit te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 In de periode van 1962 tot 1994 heeft [persoon 1] regelmatig asbesthoudende producten van Eternit gekocht, gebruikt en verwerkt. Bij deze werkzaamheden heeft [persoon 1] langdurig en intensief te maken gehad met blootstelling aan asbest. Van de ziekte mesothelioom is slechts één oorzaak bekend, te weten blootstelling aan asbest. Op grond hiervan kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat voormelde blootstelling aan asbest de oorzaak is geweest van de ziekte mesothelioom waaraan [persoon 1] is overleden.

3.2 Eternit heeft jegens [persoon 1] en [eiseres] onrechtmatig gehandeld door in het tijdvak van 1962 respectievelijk 1968 tot 1994 [persoon 1] als afnemer en gebruiker van asbesthoudende Eternit-producten niet te waarschuwen voor het gevaar verbonden aan het gebruiken, het verwerken en bewerken van deze Eternit-producten. Weliswaar heeft Eternit vanaf 1979 een folder uitgebracht, doch daarmee heeft zij de afnemers en gebruikers van haar producten niet op een adequate wijze gewaarschuwd voor de daadwerkelijk aan het gebruik van deze producten verbonden gevaren, zoals met name het kankerrisico, resp. het mesothelioomrisico. Eternit heeft nagelaten op elk van haar producten een passend waarschuwingsetiket aan te brengen.

3.3 Reeds in 1962 wist Eternit, althans behoorde zij te weten dat het normale gebruik van haar asbesthoudende producten voor de gebruikers gevaarlijk was. In voormelde periode was het mesothelioomrisico dat ontstaat bij blootstelling aan asbeststof voldoende bekend, ook bij Eternit, althans dit had haar bekend behoren te zijn.

In ieder geval heeft te gelden dat Eternit al vanaf 1949 bekend was of bekend had moeten zijn met het gevaar van asbest, inclusief witte asbest, te weten asbestose en longkanker, welke kennis Eternit ertoe had moeten brengen om veiligheidsmaatregelen te treffen ter bescherming van de gebruikers en afnemers van haar producten. Nu Eternit dit heeft verzuimd, is de kans dat [persoon 1] een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen in aanmerkelijke mate verhoogd.

3.4 Eternit is mitsdien gehouden krachtens artikel 6:106 BW de immateriële schade van [persoon 1] en krachtens de artikelen 6:95, 6:96 jo 6:107 en 6:108 BW de door [eiseres] en haar kinderen geleden materiële schade te vergoeden.

3.5 De immateriële schade wordt begroot op € 60.000,-. Hierbij is met name in aanmerking genomen de relatief jeugdige leeftijd, 57 jaar, van [persoon 1] toen begin 2005 de diagnose mesothelioom werd gesteld.

3.6 [eiseres] heeft redelijke kosten van vaststelling van schade en aansprakelijkheid gemaakt, waaronder de kosten van deskundigen en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, ad € 7.880,06, welke eveneens door Eternit vergoed dienen te worden.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

Eternit heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Betwist wordt dat de bij [persoon 1] geconstateerde mesothelioom asbestgeïnduceerd is. Naast asbest bestaan er ook andere – gedeeltelijk onbekende – oorzaken voor mesothelioom. Tussen de 15 en 20% van alle mesothelioomgevallen staat niet in verband met asbest.

4.2 Betwist wordt dat [persoon 1] asbestcementproducten die afkomstig waren van Eternit heeft gekocht en vervolgens bewerkt. Het is aannemelijk dat [persoon 1] ook asbestcementproducten heeft afgenomen van andere producenten dan enkel van Eternit. Naast Eternit waren er namelijk meer spelers op de markt. Bovendien heeft [persoon 1] ook sloopwerkzaamheden verricht, waarbij hij aan asbestcementstof is blootgesteld. Als derhalve als vaststaand wordt aangenomen dat [persoon 1] is blootgesteld aan asbestcementstof en als gevolg daarvan de ziekte mesothelioom heeft gekregen, dan staat daarmee nog niet vast dat het betreffende asbestcementstof afkomstig was van Eternit.

4.3 Volgens de stellingen van [eiseres] is [persoon 1] eveneens in aanraking geweest met bruin en blauw asbest, hetgeen niet afkomstig kan zijn geweest van Eternit, nu Eternit in de betreffende periode louter wit asbest in haar producten verwerkte. Nu bruin en blauw asbest vele malen gevaarlijker voor de gezondheid zijn dan wit asbest, moet ervan uitgegaan worden dat de bij [persoon 1] geconstateerde mesothelioom het gevolg is van de blootstelling aan bruin en blauw asbest.

4.4 Eternit was tot en met 1979 niet op de hoogte, en hoefde dit ook niet te zijn, van de risico’s welke verbonden waren aan chrysotiel (wit asbest), waaronder het risico op de ziekte mesothelioom. Tot en met 1979 bestond er geen wetenschappelijke consensus ten aanzien van de risico’s die waren verbonden aan blootstelling aan wit asbest. Over de mate van dat risico stond nauwelijks iets vast. Bovendien werd pas in de loop van de jaren tachtig wetenschappelijk het uitgangspunt aanvaard dat elke mate van asbestblootstelling, hoe klein ook, een zeker risico op mesothelioom inhoudt, waardoor er geen veilige begrenzing is vast stellen. Eerst in de jaren tachtig is wetenschappelijk als vaststaand te beschouwen dat naast crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruin asbest) ook chrysotiel (witte asbest) voor de mens kankerverwekkend is. Daarnaast deed breed de gedachte opgeld dat incidentele blootstelling aan asbest niet tot gezondheidsproblemen kon leiden. Eternit heeft derhalve geen norm geschonden door niet reeds voor 1979 via etikettering van haar product dan wel de verpakking te waarschuwen tegen de mogelijke gevaren van het bewerken of verwerking van asbestcement golfplaten. Eternit kan mitsdien geen onzorgvuldig handelen worden verweten.

4.5 Ook indien [persoon 1] vóór 1979 zou zijn gewezen op de risico’s verbonden aan het werken met asbest, zou hij niet anders gehandeld hebben dan hij nu heeft gedaan. Hij hield immers met geen enkele waarschuwing rekening. Aldus ontbreekt het causaal verband tussen de Eternit verweten gedraging en het ontstaan van de gestelde schade.

4.6 Eternit heeft vanaf 1979 haar producten “gelabeld” via toevoeging van de hiervoor onder 2.6 vermelde folder. Deze folder voldoet aan de eisen die het Etiketteringsbesluit van 17 juli 1984 (Staatscourant 1984, 145) stelt. Eternit heeft mitsdien vanaf 1979 op een adequate wijze de afnemers van haar product gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s voor de gezondheid. Deze folder werd meeverstrekt aan de groothandel aan wie Eternit haar producten leverde. Eternit mocht erop vertrouwen dat de groothandel zorg zou dragen voor verdere strekking van (de informatie van) de folder aan haar afnemers.

4.7 Er is sprake van eigen schuld aan de zijde van [persoon 1]. De kennis die Eternit wordt toegerekend, moet eveneens bij [persoon 1] bekend worden geacht. Als (kleine) zelfstandig ondernemer had [persoon 1] een eigen verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van op zijn vakgebied belangrijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld de aan het gebruik van asbesthoudend materiaal verbonden gezondheidsrisico’s en de in verband daarmee te nemen preventieve maatregelen.

4.8 De immateriële schade kan niet worden begroot op een bedrag dat hoger is dan het door het Instituut Asbestslachtoffers (verder: IAS) gehanteerde normbedrag van € 48.717,-, welk (geïndexeerd) normbedrag de uitkomst is van overleg tussen alle betrokken maatschappelijke geledingen. [eiseres] zou niet meer moeten ontvangen dan waarop een ander asbestslachtoffer recht heeft.

4.9 De materiële schade moet inmiddels begroot kunnen worden, zodat een verwijzing naar een schadestaatprocedure niet nodig is.

4.10 De gevorderde buitengerechtelijke kosten zien op verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten.

5 De beoordeling

5.1 Ter beoordeling ligt allereerst voor of Eternit onrechtmatig heeft gehandeld door afnemers van haar producten over het tijdvak 1962 (dan wel 1968) tot 1994 niet, althans niet adequaat, te waarschuwen voor het gevaar verbonden aan het gebruik, het verwerken en bewerken van asbesthoudende Eternit-producten.

[eiseres] heeft in haar dagvaarding en in haar conclusie van repliek aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat zowel vóór 1980 als nog vele jaren ná 1980 [persoon 1] te maken heeft gehad met blootstelling aan asbest dat afkomstig was van door Eternit geproduceerde en geleverde asbestcement producten, die gemaakt waren met gebruikmaking van wit asbest. Het verweer van Eternit heeft zich vervolgens nadrukkelijk toegespitst op haar wetenschap omtrent de gevaren van wit asbest. Eerst bij pleidooi heeft [eiseres] gesteld dat [persoon 1] door het gebruik van producten als Nobranda en Pical afkomstig van Eternit (ook) aan bruin asbest is blootgesteld. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] hiermee heeft gehandeld in strijd met een goede procesorde. Ter onderbouwing van haar nieuwe stelling verwijst [eiseres] slechts naar de verklaring die de getuige [getuige 1] op 12 februari 2007 heeft afgelegd. Bij het uitbrengen van de dagvaarding in juni 2007 had [eiseres] reeds rekening kunnen en moeten houden met deze verklaring. Door deze nieuwe stelling pas bij schriftelijk pleidooi te voeren, is Eternit slechts in de gelegenheid gesteld in haar tweede termijn hierop te reageren. Dit betekent niet alleen dat Eternit hierdoor ernstig in haar verdediging is bemoeilijkt, doch ook dat indien deze stelling bij onderhavig geschil wordt betrokken de procedure onwenselijk zou worden vertraagd. De rechtbank gaat mitsdien voorbij aan deze nieuwe stelling van [eiseres] en zal slechts overgaan tot de beoordeling van de vraag in hoeverre Eternit onrechtmatig jegens [persoon 1] en [eiseres] heeft gehandeld door [persoon 1] over het tijdvak 1962 (dan wel 1968) tot 1994 niet, althans niet adequaat, te waarschuwen voor het gevaar verbonden aan het gebruik, het verwerken en bewerken van Eternit-producten, welke wit asbest bevatten.

5.2 De rechtbank stelt voorop dat de rechtmatigheid van het handelen van Eternit moet worden beoordeeld in het licht van de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de aan Eternit verweten gedragingen of nalatigheden. Daarbij verdient opmerking dat vanaf het moment waarop binnen de maatschappelijke kring waartoe Eternit behoort, bekend moest worden geacht dat aan het werken met wit asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, een verhoogde zorgvuldigheidsnorm had te gelden met het oog op de belangen van diegenen die zich bevinden in de directe nabijheid van een plaats waar met wit asbest wordt gewerkt. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van de toentertijd bestaande kennis en inzichten, welke veiligheidsmaatregelen vanaf dat moment van Eternit konden worden verwacht. In dat verband zijn mede van belang de mate van zekerheid dat het werken met wit asbest gezondheidsrisico’s meebracht en de aard en ernst van die risico’s.

5.3 Voor wat betreft de periode tot en met 1979 heeft Eternit zich op het standpunt gesteld dat zij niet op de hoogte was, en ook niet hoefde te zijn, van de risico’s welke verbonden waren aan wit asbest (chrysotiel). De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

5.3.1 Reeds in de eerste helft van de vorige eeuw werd bekend dat het gebruik van asbest gevaren voor de gezondheid kon meebrengen. Aanvankelijk betrof dat het gevaar van asbestose als gevolg van het inademen van fijn asbeststof.

In 1942 publiceert dr. J. Hampe zijn proefschrift onder de titel ‘Stof en stoflongen, in het bijzonder over silicose en silicatose’ (productie 16 bij conclusie van repliek). In zijn proefschrift wijst hij op het risico van longkanker bij blootstelling aan asbest. Voorts staat in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de Wet houdende wettelijke regeling betreffende het voorkomen en het bestrijden van silicose en andere stoflongziekten van 16 december 1949 (productie 17 bij conclusie van repliek) vermeld dat asbestose ontstaat ten gevolge van de inademing van fijn asbeststof. Uit deze memorie blijkt voorts dat toen reeds het gevaar van verspreiding van asbesthoudende stof bij het vervaardigen en het verzagen van asbestcementplaten werd onderkend. In deze memorie wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten asbest.

Hoewel er reeds ruim vóór 1960 onder wetenschappers bekendheid bestond met de ziekte mesothelioom en de verdenking dat er een verband met asbest aanwezig was, is dat verband, naar algemeen wordt aanvaard, voor het eerst overtuigend aangetoond in de publicatie van [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4], Diffuse Pleural Mesothelioma and Asbestos Exposure in the North Western Cape Province, British Journal of Industrial Medicine, 1960, 17 (productie 18 bij conclusie van repliek). Het zou daarbij niet alleen gaan om gevallen van beroepsmatige blootstelling aan asbest (industrial exposure) maar ook om blootstelling door omwonenden van de asbestmijnen c.q. childhood-exposure. Van belang is verder dat in 1964 in New York de Eerste Internationale Asbestconferentie is gehouden. Op die conferentie is daadwerkelijk vast komen te staan dat sommige vormen van asbestblootstelling kunnen leiden tot de ziekte mesothelioom. Vier jaar later werd in Dresden de tweede Internationale Asbestconferentie gehouden. In het artikel van R. Zielhuis, Biologische effecten van asbest, tweede internationale conferentie Dresden 22-25 april 1968, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 112, nr. 33 (productie 25 bij conclusie van repliek) staat hierover het volgende vermeld: “In 1964 werd in New York nog betwijfeld of de meest gebruikte asbestsoort, chrysotiel, wel carcinogeen was; en men overwoog de mogelijkheid, de carcinogene soorten hierdoor te vervangen. Deze hoop is nu wel de bodem ingeslagen, zowel door experimenteel als door epidemiologisch onderzoek in vele landen. Hierover werden op het congres talrijke mededelingen gedaan.”

Begin 1967 verscheen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een artikel van [per[persoon 5], Klinische lessen, (productie 21 bij conclusie van repliek). In dit artikel wijst [persoon 5] erop dat asbest niet alleen gevaar oplevert voor degenen die, kort samengevat, in asbestmijnen en asbestfabrieken werken, maar dat het stijgend aantal toepassingen van asbest en daarmee de substantieel toegenomen asbestproductie ook gevaren inhield voor groepen die niet zo voor de hand lagen, zoals bouwvakarbeiders, huisgenoten van asbestwerkers en mensen die wonen in de omgeving van asbestmijnen en asbest-verwerkende industrieën of aan wegen waarlangs asbest werd getransporteerd. [persoon 5] maakt in dit artikel geen onderscheid qua gevaar respectievelijke carcinogeniteit tussen wit en blauw asbest. Vervolgens publiceert [persoon 6] in 1969 in Nederland zijn proefschrift over de relatie tussen asbest en maligne mesothelioom. Hierin toont hij aan dat de beroepsziekte mesothelioom in Nederland aanzienlijk vaker voorkomt dan voorheen werd aangenomen.

5.3.2 Het voorgaande toont aan dat al begin jaren ‘60 van de vorige eeuw in brede kring de wetenschap bestond dat werken met asbest gevaarlijk en zelfs levensgevaarlijk kan zijn. De nadien gevolgde publicaties bevestigden en versterkten dat alleen maar: na het verband tussen asbest en asbestose volgt dat tussen asbest en longkanker en tussen asbest en mesothelioom. In die periode was ook reeds het besef doorgedrongen dat asbestblootstelling de ziekte mesothelioom kan veroorzaken, dat dit gevaar bestond voor degenen die beroepsmatig met asbest in aanraking kwamen, maar ook voor zogenaamde thuisbesmetting en voorts dat er serieuze aanwijzingen bestonden voor de verdenking dat asbest ernstige gezondheidsrisico’s inhield voor grotere groepen, die slechts zijdelings en op een meer incidentele basis aan asbest werden blootgesteld. Weliswaar bestond er in deze jaren discussie of aan wit asbest dezelfde gevaren voor de gezondheid kleefden als aan de overige soorten asbest, doch de rechtbank is van oordeel dat Eternit hieraan niet de conclusie had mogen verbinden dat wit asbest dus niet gevaarlijk was voor de gezondheid. [eiseres] heeft ook onbetwist gesteld dat er in die jaren géén publicaties waren die aantoonden dat blootstelling aan wit asbest niet gevaarlijk respectievelijk kankerverwekkend is.

5.3.3 De rechtbank acht het voorts van belang dat uit de publicatie van [persoon 7], Toepassing van asbest, d.d. 3 april 1970 blijkt dat op de vraag van [persoon 6], directeur Eternit, of verschillende soorten asbest verschillende gevolgen hebben dr. [persoon 6] als volgt heeft geantwoord: “De meest gebruikte asbestsoorten (chrysotiel, amosiet en crocidoliet) kunnen als verwekker van asbestosen, resp. mesotheliomen, worden beschouwd. (…)” Op zijn vraag of alle asbest op een hoop kan worden geveegd, bijvoorbeeld asbest als isolatiemateriaal of gebonden als in asbestcement, kunststoffen en lassen heeft dr. [persoon 6] geantwoord: “Als eerder gezegd, zal asbest gevaar opleveren door losse, zwevende vezels; bij asbestisolatiewerkzaamheden zal dit in sterke mate het geval zijn. In gebonden vorm – als asbestcementmaterialen – zal het geen probleem opleveren, tenzij het asbest in dit soort materialen door bewerken of slijtage vrijkomt. Een onzer mesothelioomslachtoffers was bijv. een waterleidingmonteur, die jarenlang asbestcementbuizen had bewerkt. Het asbest kon in de longen van het slachtoffer worden aangetoond.” Voorts blijkt dat dr. [persoon 6] op de vraag of hij iets naders kan zeggen over de wijze waarop degenen, die al lang met asbest werken, het beste kunnen worden voorgelicht, als volgt heeft geantwoord: “Het enige vaststaande feit is het causale verband tussen asbestinademing en asbestose, resp. diffuus mesothelioom. Er is niets zeker bekend over potentiërende factoren als carcinogenen en constitutie van de patiënt; evenmin bestaat dit voor maximaal aanvaardbare concentraties asbestvezels in de atmosfeer. Wel geldt hier, dat de hoeveelheden ingeademd asbest bij het diffuus mesothelioom aanzienlijk minder zijn dan bij asbestose. De voorlichting kan derhalve slechts algemeen zijn: asbest dient beschouwd te worden als een gevaarlijk materiaal. Bij de be- en verwerking ervan zullen die maatregelen moeten worden genomen, die de mogelijkheid tot inademen van asbestvezels maximaal tegengaan.”

5.3.4 Voormelde bij Eternit in ieder geval vanaf 1969 (het jaar waarin het proefschrift van [persoon 6] werd gepubliceerd) aanwezig geachte kennis had bij haar tot het besef moeten leiden dat het in het verkeer brengen van de asbesthoudende platen zonder waarschuwing voor de aan (het werken met) asbest verbonden gevaren, tot serieuze, en niet goed overzienbare, gezondheidsrisico’s voor derden aanleiding zou kunnen geven. Het was voor Eternit oncontroleerbaar waar de platen (uiteindelijk) terecht zouden komen en op welke wijze de platen (in de loop van de tijd) door afnemers en/of door anderen zouden worden gebruikt en welke slechts geringe of langdurige blootstelling van derden aan asbeststof daarvan het gevolg zou kunnen zijn.

Gelet hierop, en gelet op het feit dat bewerken en verwerken van de asbesthoudende platen destijds tot het normale gebruik van die platen behoorde, heeft Eternit in strijd gehandeld met de, ook naar de normen van die periode, van haar te verlangen (verhoogde) zorgvuldigheidsnorm door asbestcementplaten in het verkeer te brengen zonder waarschuwing of aanwijzing om het redelijkerwijs te verwachten gebruik tot veilige verwerking te beperken. Van Eternit had mogen worden verlangd dat zij gegeven het vermelde redelijkerwijs te verwachten gebruik en haar kennis aangaande de daaraan verbonden ernstige gevaren de voor de hand liggende en weinig kostbare maatregel van een waarschuwing (door bijvoorbeeld waarschuwingsetiketten) had genomen. Van het feit dat zij dit heeft nagelaten, valt haar – mede gelet op de ernst van de mogelijke gevolgen, te weten een letale ziekte – een ernstig verwijt te maken.

5.3.5 Uit het voorgaande volgt dat Eternit in de periode 1969 tot en met 1979 onrechtmatig heeft gehandeld door de afnemers van haar producten in die periode niet te waarschuwen voor het gevaar verbonden aan het gebruik, het verwerken en bewerken van Eternit-producten, welke wit asbest bevatten.

5.4 Voor wat betreft de periode na 1979 heeft Eternit zich op het standpunt gesteld dat zij afdoende heeft gewaarschuwd. Vooruitlopend op het Etiketteringsbesluit van 17 juli 1984 (Staatscourant 1984, 145) is zij er in 1979 toe overgegaan om haar producten te “labellen” via bijvoeging van de hiervoor onder 2.6 vermelde folder. De folder waarschuwt onder 3 en in het “a”-logo dat het asbest bevat, dat inademing van stof vermeden moet worden en dat bij gebruik van bewerkingsapparatuur stofafzuiging moet plaatsvinden. De folder voldoet aan de eisen die het Etiketteringsbesluit stelt, aldus Eternit.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat Eternit niet op elk van haar producten een passend waarschuwingsetiket heeft aangebracht. Zij verstrekte de folder slechts aan de groothandel en derhalve niet aan de gebruikers c.q. afnemers van haar producten zoals [persoon 1]. De stelling van Eternit dat zij hiermee aan haar verplichtingen heeft voldaan en het vervolgens de verantwoordelijkheid van de groothandel was om zorg te dragen voor verdere verstrekking van (de informatie van) de folder volgt de rechtbank niet. Gezien de bekendheid die Eternit had omtrent de gevaren van asbest en het te verwachten gebruik van haar producten, had zij ervoor zorg moeten dragen dat de waarschuwing de afnemers c.q. gebruikers daadwerkelijk zou bereiken, althans dat de kans daarop zo groot mogelijk zou zijn. Ze kon deze verantwoordelijkheid niet afschuiven op de groothandel. Zij had ook op eenvoudige wijze aan haar waarschuwingsplicht kunnen voldoen door, zoals het Etiketteringsbesluit waarnaar zij verwijst ook eist, elk product te voorzien van een waarschuwingssticker. Door slechts een waarschuwingsfolder te verstrekken bij een pakket asbestcementplaten, terwijl zij kon en mocht verwachten dat de groothandel niet steeds dit gehele pakket, doch slechts losse platen zou verkopen aan de afnemers, en voorts geen maatregelen te treffen om zeker te stellen dat de folder de afnemers c.q. gebruikers zou bereiken, heeft Eternit niet aan de op haar rustende zorgplicht voldaan.

5.5 Nu uit het voorgaande volgt dat Eternit onrechtmatig heeft gehandeld door afnemers van haar producten over het tijdvak 1969 tot 1994 niet, althans niet adequaat te waarschuwen voor het gevaar verbonden aan het gebruik, het verwerken en bewerken van abesthoudende Eternit-producten, is vervolgens de vraag aan de orde of er voldoende causaal verband bestaat tussen dit onrechtmatig handelen en de door [persoon 1] en [eiseres] geleden schade.

5.6 Eternit heeft in dit verband allereerst betwist dat de bij [persoon 1] geconstateerde mesothelioom asbestgeïnduceerd is. 15 tot 20% van alle mesothelioom-gevallen staat niet in verband met asbest, aldus Eternit. Ter onderbouwing van haar betwisting heeft zij een aantal publicaties overgelegd, waaronder een artikel uit 1996 van haar eigen medisch adviseur [medisch adviseur] (productie 24 conclusie van antwoord). Daarin wordt betoogd dat blootstelling aan asbest niet de enige oorzaak van mesothelioom is, maar dat ook het mineraal erioniet, radioactieve straling en littekenvorming in de longen als andere mogelijke oorzaken van mesothelioom kunnen worden aangemerkt, terwijl ook sprake zou kunnen zijn van het spontaan opkomen van de ziekte, of van ‘cases induced by unknown causes’.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat asbest als veruit de belangrijkste oorzaak van mesothelioom heeft te gelden. Deze conclusie wordt ook gedragen door de door Eternit overgelegde publicaties, waaronder vermeld artikel van [medisch adviseur]. Uit het door Eternit overgelegde deskundigenrapport van oktober 1997, opgemaakt in de zaak [persoon x] en [persoon y] (productie 8 bij conclusie van antwoord) staat vermeld dat niet alle mesotheliomen door asbest worden veroorzaakt, maar dat thans ‘algemeen wordt aangenomen dat 80 à 85% van de diffuse maligne mesotheliomen door asbest worden veroorzaakt’ en dat in de resterende 15 à 20% vrijwel nooit een oorzaak is gevonden. Niet uitgesloten kan derhalve worden dat ook in de (meerderheid van de) resterende 15 à 20% asbest de oorzaak is. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de kans dat de bij [persoon 1] geconstateerde mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest zo groot is dat daarmee het causaal verband in beginsel voldoende vaststaat. Van Eternit mocht vervolgens verwacht worden dat zij voldoende concrete feiten en omstandigheden zou stellen op grond waarvan aangenomen had kunnen worden dat enige andere concrete oorzaak (bijvoorbeeld één van de door [medisch adviseur] geschetste mogelijke oorzaken) tot de ziekte van [persoon 1] kan hebben geleid. Eternit heeft dit echter nagelaten, zodat haar verweer als zijnde onvoldoende onderbouwd wordt verworpen.

5.7 Eternit heeft voorts betwist dat de asbestvezel die bij [persoon 1] de mesothelioom heeft veroorzaakt afkomstig was van een asbestcementhoudendproduct dat door Eternit in het verkeer was gebracht.

5.7.1 [eiseres] heeft in dit verband allereerst gesteld dat [persoon 1] in de periode van 1962 tot 1995 asbestcementproducten die afkomstig waren van Eternit heeft gekocht en vervolgens bewerkt. Eternit heeft dit betwist. Ter onderbouwing van haar stelling dat dit wel het geval is geweest, heeft [eiseres] het hiervoor onder 1.2 vermelde proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor d.d. 12 februari 2007 overgelegd. Partijen zijn bij dit voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd geweest, zodat de daarbij afgelegde verklaringen ingevolge het bepaalde in artikel 192 lid 1 Rv dezelfde bewijskracht hebben als waren zij in deze procedure afgelegd. [eiseres] heeft in enquête naast zichzelf als getuige doen horen de heer [getuige 1]. Eternit heeft afgezien van contra-enquête.

De getuige [getuige 1] heeft – voor zover thans van belang – het volgende verklaard:

“(…) Vanaf 1967 bracht ik bouwmaterialen rond naar aannemers. Ik werkte destijds bij Esselink. Ik bracht ook bouwmaterialen naar [persoon 1]. Ik heb van 1967 tot en met 1992 op de auto gezeten. Ik bracht allerlei soorten materialen. Ook golfplaten, asbestplaten in allerlei vormen en maten. Die platen kwamen uit Goor, daar zat Eternit. Bij mijn weten bracht ik geen platen rond die niet van Eternit afkomstig waren. Ik kwam regelmatig bij [persoon 1] met asbestplaten. Soms twee keer achter elkaar, soms wekelijks en dan weer een tijdje niet. (…) Esselink kocht die platen bij Eternit. (…) U zegt mij dat er in de eerdere procedure is gesproken over bebboards. Dat staat voor Brandvrij Eternit Board. Dat waren vlakke platen, die kwamen ook van Eternit. Ook had je nog de benamingen Nobranda, Isotex en Pical en ook nog Vlak Eternit. (…) Ik weet dat [persoon 1] ook wel eens platen nodig had voor de bouw van nieuwe schuren. Het klopt wel dat voor een nieuwe schuur meer dan twintig platen nodig zijn. Het is mogelijk dat er dan in zo’n geval meer dan veertig werden gebracht. (…)”.

[eiseres] heeft als getuige – voor zover thans van belang – het volgende verklaard:

“Mijn man had een eenmanszaak en kocht Eternitplaten in via de bouwmaterialenhandel. Mijn man had niet veel voorraad en als hij een dak moest repareren naar aanleiding van stormschade of andere schades haalde hij de platen zelf op bij de groothandel. Dit was de firma Esselink in Middelharnis. (…) Esselink leverde hoofdzakelijk platen die afkomstig waren van Eternit. (…) mijn man gebruikte eigenlijk altijd platen die van Eternit afkomstig waren. (…) De naam Eternit stond ook in de zijkant ingedrukt in de platen die van Esselink kwamen. (…) De platen die ik heb gezien die van Eternit afkomstig waren, waren grijze platen. Mijn man heeft ook nog met witte asbestplaten gewerkt maar daar weet ik niet veel van. Ook heeft hij nog met zogenaamde bebboardplaten gewerkt. (…)”.

De rechtbank is van oordeel dat het, gezien deze verklaringen, op de weg van Eternit had gelegen haar betwisting dat [persoon 1] asbestcementproducten die afkomstig waren van Eternit heeft gekocht en bewerkt met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dit heeft zij echter nagelaten, zodat de rechtbank deze betwisting onvoldoende gemotiveerd acht en hieraan voorbij gaat.

Gezien het voorgaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [persoon 1] in de periode van 1969 tot 1995 regelmatig asbesthoudende producten van Eternit heeft gekocht, gebruikt en verwerkt.

5.7.2 De rechtbank is vervolgens van oordeel dat Eternit de stelling van [eiseres] dat [persoon 1] bij het gebruiken en verwerken van de asbesthoudende producten van Eternit langdurig en intensief te maken heeft gehad met blootstelling aan wit asbest onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het is een feit van algemene bekendheid dat het verwerken van asbestcementplaten leidt tot het vrijkomen van vezels. Dit is door Eternit ook niet betwist.

5.7.3 Eternit heeft gesteld dat [persoon 1] ook op andere wijzen aan asbest is blootgesteld. Het is aannemelijk dat [persoon 1] ook asbestcementproducten heeft afgenomen van andere producenten dan enkel van Eternit. [persoon 1] heeft sloopwerkzaamheden verricht en volgens de eigen stelling van [eiseres] is [persoon 1] eveneens in aanraking geweest met bruin en blauw asbest. Voorts heeft Eternit gesteld dat gelet op het wijdverspreide gebruik van asbest het zeer wel mogelijk is dat [persoon 1] mesothelioom heeft gekregen door blootstelling waarvoor niemand aansprakelijk kan worden gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] te dezen terecht een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 6:99 BW. Toepassing van dat wetsartikel brengt mede dat Eternit moet bewijzen dat de ziekte die [persoon 1] heeft gekregen niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor Eternit aansprakelijk is. Dat geldt zowel voor de stelling van Eternit dat de bewuste asbestcementplaten niet (alle) door haar in het verkeer zijn gebracht, als voor haar stelling dat niet vaststaat dat [persoon 1] ziek is geworden door de asbeststof afkomstig van de bewuste asbestcementplaten maar door een blootstelling aan bruin dan wel blauw asbest. Nu Eternit op dit punt geen bewijsaanbod heeft gedaan, terwijl dit wel van haar verwacht had mogen worden, zal zij niet tot dit bewijs worden toegelaten.

Eternit heeft nog gesteld dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten Eternit met enig bewijs van een blootstellingsbron, waarvoor geen enkele asbest(cement)producent aansprakelijk kan worden gehouden te belasten. De rechtbank volgt Eternit echter niet in deze stelling. De mogelijkheid dat de schade van een benadeelde ook kan zijn veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor niemand aansprakelijk is, ontheft degene die de schade kan hebben veroorzaakt niet van zijn aansprakelijkheid voor de gehele schade, tenzij zo een aansprakelijkheid in de gegeven omstandigheden, waaronder de grootte van de kans dat de schade van de (desbetreffende) benadeelde is veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor geen aansprakelijke kan worden aangewezen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 535; DES-dochters). Eternit heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waarom het in onderhavig geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aansprakelijk wordt gehouden voor de gehele schade.

5.7.4 Eternit heeft voorts nog gesteld dat het aannemelijk is dat ook als [persoon 1] vóór 1979 gewezen zou zijn op de risico’s verbonden aan het werken met asbest, hij niet anders gehandeld zou hebben dan hij nu heeft gedaan. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de schending van de op Eternit rustende waarschuwingsplicht en het ontstaan van de ziekte mesothelioom bij [persoon 1] in beginsel is gegeven. Het ligt vervolgens op de weg van Eternit aannemelijk te maken dat deze ziekte ook bij [persoon 1] zou zijn ontstaan indien zij wel aan de op haar rustende zorgplicht had voldaan. Eternit heeft hiertoe echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Eternit heeft in dit verband verwezen naar de hiervoor onder 2.6 vermelde folder en gesteld dat [persoon 1] desondanks geen veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. [eiseres] heeft echter betwist dat [persoon 1] deze folder ooit heeft gezien en Eternit heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien juist, deze betwisting kunnen ontzenuwen. Eternit heeft voorts gesteld dat [eiseres] heeft verklaard dat [persoon 1] rond 1990 had vernomen dat het werken met asbest risico’s met zich bracht en toch nog vijf jaar is doorgegaan met het bewerken van asbestcementplaten zonder zich te beschermen. Deze stelling berust echter op een verkeerde lezing van de verklaring van [eiseres]. [eiseres] heeft als getuige verklaard: “Na 1990 hebben wij pas vernomen dat asbest gevaarlijk was.” Hoe lang na 1990 dit is geweest, blijft in het midden en staat mitsdien niet vast.

5.7.5 Uit het voorgaande volgt dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van Eternit en de door [persoon 1] en [eiseres] geleden schade voldoende is komen vast te staan.

5.8 Eternit heeft nog aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [persoon 1]. Zij heeft daartoe gesteld dat de kennis die haar wordt aangerekend eveneens bij [persoon 1] bekend moet worden geacht. [persoon 1] had als (kleine) zelfstandig ondernemer een eigen verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van op zijn vakgebied belangrijke ontwikkelingen. In dit kader heeft Eternit gewezen op het in 1971 door de overheid via de Arbeidsinspectie gepubliceerde rapport P nr. 116 “Werken met asbest” (productie 5 bij conclusie van antwoord). Met dit document richtte de overheid zich met waarschuwingen tot het bedrijfsleven, dat met asbest te maken had. Voorts heeft Eternit erop gewezen dat het bedrijf van [persoon 1] onderworpen was aan het Asbestbesluit 1988 op grond waarvan haar werknemers beschermd dienden te worden tegen blootstelling aan asbest.

[eiseres] heeft betwist dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [persoon 1]. Niet gezegd kan worden dat [persoon 1] ooit op een relevante wijze bekend is geweest met het mesothelioomrisico verbonden aan de producten van Eternit. Daar komt bij dat Eternit ook ná 1970 bij herhaling onder andere in de media met nadruk de stelling heeft verkondigd dat het gebruik van Eternit-producten niet gevaarlijk was. Bij een juiste weging van alle relevante omstandigheden kan niet gezegd worden dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [persoon 1] voor het ontstaan van de ziekte mesothelioom. Subsidiair is [eiseres] van mening dat de eventuele eigen schuld zo beperkt is geweest dat deze in het niet valt bij de schuld van Eternit.

5.8.1 De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [persoon 1] en overweegt hiertoe als volgt. [persoon 1] had als (kleine) zelfstandig ondernemer een eigen verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van de op zijn vakgebied belangrijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld de aan het gebruik van asbesthoudend materiaal verbonden gezondheidsrisico’s en de in verband daarmee te nemen preventieve maatregelen. Het had derhalve van [persoon 1] verwacht mogen worden dat hij op basis van het hiervoor vermelde rapport “Werken met asbest” uit 1971, waarin de risico’s van het werken met asbest staan vermeld, de maatschappelijke discussie over de aan het gebruik van asbest verbonden gezondheidsrisico’s die in de jaren ’70 van de vorige eeuw is gevoerd en het Asbestbesluit uit 1988 zelf maatregelen had getroffen teneinde de blootstelling aan asbest zoveel mogelijk te vermijden. Gesteld noch gebleken is dat [persoon 1] enige maatregel heeft genomen.

Aan de stelling van [eiseres] dat Eternit ná 1970 bij herhaling heeft verkondigd dat het gebruik van Eternit-producten niet gevaarlijk was, gaat de rechtbank voorbij. Indien deze stelling al juist is, is gesteld noch gebleken dat [persoon 1] hiervan destijds kennis heeft genomen.

5.8.2 De rechtbank is van oordeel dat wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten de billijkheid eist dat de schade niet evenredig over [persoon 1] en Eternit verdeeld wordt, doch dat 20% van de schade voor eigen rekening van [persoon 1] (en dus [eiseres]) dient te blijven en 80% van de schade door Eternit vergoed dient te worden. Zij heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden. Allereerst staat tussen partijen vast dat Eternit een asbestproducerend bedrijf is dat deel uitmaakt(e) van een Belgische groep, die een belangrijke internationale positie in de asbestindustrie innam. Zoals van Eternit verwacht mocht worden, was bij haar veel kennis aanwezig omtrent de gevaren die het werken met asbest met zich bracht. Eternit kon kennisnemen van internationale bronnen, deelnemen aan internationale conferenties op dit terrein en zich laten adviseren door deskundigen, waaronder [persoon 6], hetgeen zij ook heeft gedaan. Hier tegenover staat dat [persoon 1] een (kleine) zelfstandig ondernemer was die zich weliswaar op de hoogte moest houden van belangrijke ontwikkelingen op zijn vakgebied, doch ten aanzien van het werken met asbest geen specifieke kennis bezat. Voorts acht de rechtbank het van belang dat uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat Eternit vanaf 1969 onrechtmatig heeft gehandeld, terwijl de eigen schuld van [persoon 1] pas na 1971 is ontstaan.

5.9 Omtrent de hoogte van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Bij het vaststellen van deze hoogte zijn de volgende omstandigheden van belang. Eternit is tekortgeschoten in een op haar rustende zorgplicht voor de gezondheid/veiligheid van de afnemers c.q. gebruikers van door haar op de markt gebrachte producten. Begin 2005 is bij [persoon 1] de diagnose mesothelioom gesteld. Op 16 juli 2006 is hij op 59-jarige leeftijd aan de gevolgen hiervan overleden. Ten gevolge van deze ziekte is de levensverwachting van [persoon 1] plotseling sterk bekort. Mesothelioom gaat bovendien gepaard met ernstig lichamelijk lijden. Het Instituut Asbestslachtoffers te Den Haag, welk instituut mede uitvoering geeft aan de landelijke regeling terzake van tegemoetkomingen aan bepaalde groepen mesothelioomslachtoffers, hanteert ter zake een normbedrag dat anno 2008 € 49.643,- bedraagt. Gezien deze omstandigheden acht de rechtbank een schadevergoeding ter zake de door [persoon 1] geleden immateriële schade ad € 50.000,- passend en geboden. Zoals hiervoor onder 5.8.2 is overwogen dient Eternit 80% van deze schade te vergoeden, zijnde een bedrag ad € 40.000,-.

[eiseres] heeft wettelijke rente gevorderd met ingang van de dag waarop bij [persoon 1] de diagnose mesothelioom werd gesteld. Deze datum blijkt echter niet uit de stellingen van partijen dan wel de overgelegde stukken. Nu gezien het hiervoor onder 2.3 vermelde vaststaand feit wel vast staat dat de diagnose op 31 maart 2005 is bevestigd, zal de rechtbank deze datum aanhouden. Op deze veroordeling dient in mindering te strekken het reeds aan [persoon 1] verstrekte voorschot ad € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop dit voorschot is betaald.

5.10 De hoogte van de door [eiseres] en haar kinderen geleden materiële schade, welke krachtens de artikelen 6:95 jo 6:107 en 6:108 BW door Eternit vergoed dient te worden (en wel, gezien hetgeen hiervoor onder 5.8.2 is overwogen, voor 80%), kan door de rechtbank in dit vonnis niet begroot worden, aangezien [eiseres] hieromtrent geen gegevens heeft verschaft. De rechtbank is van oordeel dat zij, gezien de betwisting van de aansprakelijkheid door Eternit, daartoe ook nog niet gehouden was. Nu de rechtbank het voldoende aannemelijk acht dat [eiseres] en haar kinderen enige materiële schade hebben geleden, zal dit onderdeel van de vordering naar de schadestaatprocedure worden verwezen.

5.11 Wat betreft de gevorderde vergoeding ter zake buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank als volgt. Bij dagvaarding heeft [eiseres] een specificatie van deze kosten overgelegd, waaruit blijkt dat deze kosten zien op de periode 8 mei 2006 tot en met 28 maart 2007. Eternit heeft vervolgens bij conclusie van antwoord gesteld dat deze kosten zien op verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. In reactie hierop heeft [eiseres] in haar conclusie van repliek slechts verwezen naar voormelde specificatie zonder een nadere toelichting hierop te geven.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] met deze enkele verwijzing naar de specificatie dit onderdeel van haar vordering in het licht van de gemotiveerde betwisting door Eternit onvoldoende heeft onderbouwd. Gezien het feit dat het kort-gedingvonnis is gewezen op 1 augustus 2006, het voorlopig getuigenverhoor heeft plaatsgevonden op 12 februari 2007 en de dagvaarding dateert van 27 juni 2007 had het op de weg van [eiseres] gelegen toe te lichten waarom de op de specificatie vermelde verrichtingen desondanks zien op werkzaamheden die niet onder een proceskostenveroordeling vallen. Nu deze nadere toelichting ontbreekt, ligt dit onderdeel van de vordering als onvoldoende onderbouwd voor afwijzing gereed.

5.12 Gezien de veroordelingen heeft [eiseres] geen belang meer bij de door haar gevorderde verklaring voor recht, zodat deze zal worden afgewezen.

5.13 Eternit wordt als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, waaronder die van het voorlopig getuigenverhoor worden begrepen.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt Eternit om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 40.000,- (zegge: veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 31 maart 2005 tot aan de dag der voldoening op welk bedrag in mindering strekt het reeds door Eternit betaalde voorschot ad € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf de datum waarop Eternit dit bedrag heeft betaald;

veroordeelt Eternit tot vergoeding aan [eiseres] van de schade als hiervoor onder 5.10 bedoeld, nader op te maken bij staat;

veroordeelt Eternit in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 1.495,- aan vast recht, op € 109,51 aan overige verschotten en op € 2.895,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. M. Fiege en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren.

Uitgesproken in het openbaar.

204/106/336