Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI7384

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
309576 / HA ZA 08-1555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vervroegde opeisbaarheid WCK, overgangsrecht WCK, gronden voor vervroegde opeisbaarheid WCK zijn lopende de procedure vervuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 309576 / HA ZA 08-1555

Uitspraak: 13 mei 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ROTTERDAM U.A.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. J. van Baaren,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ODEVI WATERMANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde sub 1,

verstek verleend,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

gedaagde sub 2,

advocaat mr. I.P. de Groot,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde sub 3,

verstek verleend.

Partijen worden hierna aangeduid als: de Rabobank, Odevi, [gedaagde 2] en Holding. Odevi, [gedaagde 2] en Holding worden hierna gezamenlijk aangeduid als: Odevi c.s.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 16 juni 2008 en de door de Rabobank overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 24 september 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 12 februari 2009;

- de akte na comparitie van de zijde van de Rabobank d.d. 4 maart 2009, met producties;

- de akte van de zijde van de Rabobank d.d. 18 maart 2009, met productie;

- de antwoordakte na comparitie van de zijde van [gedaagde 2];

- beslagstukken.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Holding hield in de relevante periode en houdt ook thans nog alle aandelen in het kapitaal van Odevi; [gedaagde 2] hield en houdt alle aandelen in het kapitaal van Holding. [gedaagde 2] was en is bestuurder van Odevi en Holding.

2.2 De Rabobank heeft aan Odevi bij akte d.d. 5 augustus 2005 een krediet in rekening-courant van € 50.000,-- (hierna: het krediet (oud)) en een geldlening van € 79.500,-- (hierna: de geldlening) verstrekt. Bij akte van 3 oktober 2006 heeft de Rabobank aan Odevi een krediet in rekening-courant van € 150.000,-- verstrekt (hierna: het krediet (nieuw)), waarbij bepaald is dat daarmee het krediet in rekening-courant van € 50.000,-- uit de akte van 5 augustus 2005 werd afgelost. Daarnaast heeft de Rabobank in 1999 aan [gedaagde 2] een (privé)kredietfaciliteit van € 23.142,-- (hierna: het privékrediet) verstrekt.

2.3 Als zekerheid heeft Odevi de vorderingen op haar debiteuren aan de Rabobank verpand en hebben [gedaagde 2] en Holding zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld jegens de Rabobank voor de schulden van Odevi. [gedaagde 2] en Holding hebben ieder twee hoofdelijkheidsverklaringen getekend: één hoofdelijkheids¬verklaring voor de schulden van Odevi terzake van de bij akte d.d. 5 augustus 2005 verstrekte geldlening van € 79.500,-- en één hoofdelijkheidsverklaring voor de schulden van Odevi terzake van het bij akte d.d. 3 oktober 2005 verstrekte krediet van € 150.000,--.

2.4 Odevi / [gedaagde 2] heeft diverse betalingen van (aan de Rabobank verpande) debiteuren van Odevi omgeleid, dat wil zeggen, deze debiteuren laten betalen op andere bankrekeningen dan de bankrekening van Odevi bij de Rabobank.

2.5 Bij brief d.d. 3 april 2008 heeft de Rabobank het krediet, de geldlening en het privé¬krediet opgezegd, kort gezegd, op de grond dat het vertrouwen in Odevi en [gedaagde 2] ernstig was geschaad.

2.6 Het openstaande saldo van het krediet en de geldlening bedroeg per 1 juni 2008 € 151.513,13; het openstaande saldo van het privékrediet bedroeg per 1 juni 2008 € 15.903,54.

3 Het geschil

3.1 De Rabobank vordert – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. Odevi c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 151.513,13, vermeerderd met (primair en subsidiair nader omschreven) rente;

b. [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van € 15.903,54, vermeerderd met (primair en subsidiair nader omschreven) rente;

c. Odevi c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 4.651,36 wegens beslagkosten, vermeerderd met rente;

d. Odevi c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 2.842,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente;

e. Odevi c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, de beslagkosten daaronder begrepen, vermeerderd met rente en nakosten.

3.2 Het verweer van [gedaagde 2] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de Rabobank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt, voorzover nodig, hieronder ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

A. De vorderingen op [gedaagde 2]

ten aanzien van het krediet en de geldlening

4.1 Op de comparitie heeft [gedaagde 2] betoogd dat uit de akte van 3 oktober 2006 blijkt dat dit een vervanging is van de akte van 5 augustus 2005. Dit betoog leidt niet tot afwijzing van de vorderingen van de Rabobank. Uit de door [gedaagde 2] op 29 februari 2008 getekende verklaringen van hoofdelijkheid blijkt dat met de akte uit 2006 bedoeld is om het krediet (oud) van € 50.000,-- uit de akte van 2005 te vervangen door het krediet (nieuw) van € 150.000,-- en dat daarnaast de geldlening van € 79.500,-- doorliep. Immers, [gedaagde 2] stelde zich in die verklaringen zowel aansprakelijk voor het krediet van € 150.000,-- uit de akte van oktober 2006 als voor de geldlening van € 79.500,-- uit de akte van augustus 2005.

4.2 Ook het door [gedaagde 2] op de comparitie gehouden betoog dat hij aanvullende financieringsovereenkomsten met de Rabobank heeft getekend in 2008 leidt niet tot afwijzing van de vorderingen. Niet alleen is dit betoog op geen enkele wijze onderbouwd, maar ook heeft [gedaagde 2] niet - anders dan met de hierna te bespreken verweren - gemotiveerd betwist dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de financiering van Odevi.

4.3 Het is niet in geschil dat de Rabobank in april 2008 gerechtigd was tot opzegging van het krediet en de geldlening, dat Odevi gehouden was tot aflossing van het openstaande saldo onder het krediet en de geldlening en dat dit openstaande saldo per 1 juni 2008 € 151.513,13 bedroeg. Behoudens de hierna te bespreken verweren van [gedaagde 2] is niet in geschil dat [gedaagde 2] op grond van de door hem getekende verklaringen hoofdelijk aansprakelijk is voor de aflossing van dit saldo.

4.4 Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde 2] is dat de door hem getekende verklaringen van hoofdelijkheid vernietigbaar zijn op grond van artikel 1:88 BW. Dit betoog slaagt niet. Artikel 1:88 lid 5 BW bepaalt, voor zover hier relevant, dat de toestemming van de echtgenote niet vereist is wanneer de bestuurder van een besloten vennootschap die de meerderheid der aandelen houdt, zich als hoofdelijk schuldenaar verbindt voor de verplichtingen van die BV, mits de zekerheidstelling plaatsvindt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die besloten vennootschap. [gedaagde 2] is bestuurder en indirect enig aandeelhouder van Odevi en de zekerheid is door [gedaagde 2] afgegeven voor een krediet van Odevi bij de Rabobank. Het afsluiten van het krediet en de geldlening moet naar vaste rechtspraak worden beschouwd als een rechtshandeling in de normale bedrijfsvoering, behoudens bijkomende omstandigheden, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan het afsluiten van een geldlening door een onderneming die er financieel (erg) slecht voor staat. [gedaagde 2] heeft echter op de comparitie verklaard dat het ten tijde van het afgegeven van de hoofdelijkheidsverklaringen goed ging met Odevi; er was alleen een liquiditeitskrapte door het toenemen van het aantal orders. Van andere bijkomende omstandigheden is niet gebleken; de bij conclusie van antwoord ingenomen stelling van [gedaagde 2] dat het geld is geleend voor de financiering van opstartkosten - daargelaten of dit de lening buiten de normale bedrijfsvoering plaatst - is door hem zelf op de comparitie weersproken.

4.5 [gedaagde 2] doet voorts een beroep op misbruik van omstandigheden. [gedaagde 2] stelt dat de Rabobank in 2008 heeft aangekondigd de financiering van Odevi te zullen beëindigen, tenzij [gedaagde 2] zich hoofdelijk aansprakelijk zou stellen voor de schulden van Odevi. Hiermee stelde de Rabobank aanvullende eisen voor de financiering van Odevi en dwong zij [gedaagde 2] tot ondertekening van de akte van hoofdelijkheid, aldus [gedaagde 2]. [gedaagde 2] betoogt dat de Rabobank hiermee misbruik heeft gemaakt van de omstandigheid dat Odevi de financiering nodig had en dat [gedaagde 2] geen alternatief had. Dit betoog slaagt niet. De aktes waarmee de Rabobank aan Odevi in 2005 en 2006 het krediet (nieuw) en de geldlening verstrekte, bevatten beide de voorwaarde dat er een aantal zekerheden gesteld moest worden, waaronder een hoofdelijkheidsverklaring van [gedaagde 2]. Toen de Rabobank aan [gedaagde 2] in 2008 vroeg de hoofdelijkheidsverklarin¬gen te tekenen, stelde zij dan ook geen aanvullende voorwaarde voor de financiering van Odevi. Van misbruik van omstandigheden was dan ook geen sprake.

4.6 De slotsom van het voorgaande is dat de vordering van de Rabobank als hiervoor weer¬gegeven onder 3.1.a zal worden toegewezen. De gevorderde rente van 14,5% per jaar is door [gedaagde 2] niet betwist en is daarmee toewijsbaar.

ten aanzien van het privékrediet

4.7 Het privékrediet is afgesloten in 1999 en had - naar de Rabobank onbetwist stelt - een kredietlimiet van € 23.142,--. Op grond van artikel 3 van de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) zoals die in 1999 gold, viel het privékrediet daardoor in 1999 buiten de werking van de WCK, nu de WCK destijds alleen gold voor overeenkomsten tot een bedrag van fl. 50.000,--. De limiet van artikel 3 WCK (oud) is echter per 1 februari 2001 verhoogd tot fl. 90.000,--, waardoor het privékrediet alsnog onder de werking van de WCK is komen te vallen. Nu de rechtbank bij gebrek van andersluidende stellingen van de Rabobank ervan uitgaat dat het privékrediet is afgesloten voor onbepaalde tijd, brengt de destijds toepasselijke overgangsregeling uit de artikelen 75 en 76 WCK met zich dat artikel 33 sub c WCK per 1 februari 2004 (drie jaar na de wetswijziging van 1 februari 2001) is gaan gelden voor het privékrediet.

4.8 Het voorgaande brengt met zich mee dat de opeising van het privékrediet door de Rabobank bij brief d.d. 3 april 2008 niet geldig is, omdat een geschade vertrouwensrelatie geen, krachtens artikel 33 onder c WCK, in een overeenkomst toegestane grond voor vervroegde opeising vormt (behoudens het hier niet toepasselijke geval als bedoeld in artikel 33 onder c sub 6 WCK en het sub 5 bedoelde geval van verduistering van zekerheden, welke opzeggingsgrond echter niet is opgenomen in de door de Rabobank overgelegde voorwaarden). Nu - anders dan de Rabobank betoogt - de dagvaarding evenmin een ingebreke¬stelling in de zin van de WCK vormt omdat daarin niet is gesommeerd tot betaling binnen een redelijke termijn, betekent dit dat het privékrediet niet opeisbaar was ten tijde van de aanvang van deze procedure. De Rabobank heeft dit nadien gecorrigeerd door bij brief d.d. 27 februari 2009 [gedaagde 2] alsnog te sommeren tot betaling van de achterstallige maandtermijnen, aan welke sommatie - naar niet in geschil is - [gedaagde 2] niet heeft voldaan. Nu - naar evenmin in geschil is - [gedaagde 2] destijds tenminste twee maanden achterstallig was in de betaling van een vervallen maandbedrag, is het privékrediet daardoor alsnog opeisbaar geworden. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de Rabobank op onjuiste gronden eerder had opgezegd, nu dat er niet aan in de weg staat dat [gedaagde 2] gehouden was tot betaling van de maandelijkse termijnen, de Rabobank die aflossing ook niet heeft belet (artikel 6:58 BW) en [gedaagde 2] geen beroep op opschorting heeft gedaan (artikel 6:59 BW).

4.9 Het is niet in geschil dat het openstaande saldo van het privékrediet, kennelijk inclusief de rente tot 1 juni 2008, € 15.903,54 bedraagt en dat de overeengekomen rente 7,8% per jaar bedraagt.

4.10 De slotsom van het voorgaande is dat de vordering uit hoofde van het privékrediet zal worden toegewezen, met de kanttekening dat bij de proceskostenveroordeling de akten na comparitie als nodeloos gemaakte kosten buiten beschouwing gelaten zullen worden. De Rabobank had immers voorafgaand aan de dagvaarding het privékrediet rechtsgeldig moeten opeisen.

ten aanzien van de beslagkosten

4.11 De Rabobank vordert vergoeding van de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding. Deze vordering zal als onbetwist worden toegewezen.

de buitengerechtelijke incassokosten

4.12 De Rabobank vordert vergoeding van buitengerechte incassokosten, stellend dat deze kosten zijn gemaakt en dat zij zich aanzienlijke kosten en inspanningen heeft moeten getroosten om haar vorderingen betaald te krijgen. Voor toewijzing hiervan dient voldaan te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. Nu de redelijkheid van de gemaakte kosten niet in geschil is en het gevorderde bedrag het in het Rapport Voorwerk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, niet te boven gaat, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Volledigheidshalve wordt overwogen dat de omstandigheid dat het privékrediet een WCK krediettransactie is, niet aan toewijzing in de wet staat, nu de betreffende kosten (mede) gemaakt zijn voor de incasso van het krediet en de geldlening, welke overeenkomsten geen krediettransacties in de zin van de WCK zijn.

4.13 De over de buitengerechtelijke incassokosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, nu de Rabobank niet stelt dat [gedaagde 2] op enig moment voor die datum in verzuim is geraakt ten aanzien van deze kosten.

B. De vorderingen op Odevi en Holding

4.14 De bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen en de vorderingen op Odevi en Holding komen niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze voor toewijzing vatbaar zijn.

C. Slotsom

4.15 De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van de Rabobank, zoals hiervoor vermeld onder 3.1., zullen worden toegewezen op de hierna omschreven wijze.

4.16 Odevi c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten, met uitzondering van de kosten van de akten na comparitie. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na aanzegging van dit vonnis. De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank,

- veroordeelt Odevi, [gedaagde 2] en Holding hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Rabobank te betalen het bedrag van € 151.513,13 (zegge: honderdéénenvijftigduizend vijfhonderddertien euro en dertien eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente van 14,5 % per jaar vanaf 1 juni 2008 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt [gedaagde 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Rabobank te betalen het bedrag van € 15.903,54 (zegge: vijftienduizend negenhonderddrie euro en vierenvijftig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente van 7,8 % per jaar vanaf 1 juni 2008 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt Odevi, [gedaagde 2] en Holding hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Rabobank te betalen het bedrag van € 4.651,36 (zegge: vierduizend zeshonderd eenenvijftig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt Odevi, [gedaagde 2] en Holding hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Rabobank te betalen het bedrag van € 2.842,-- (zegge: tweeduizend achthonderd tweeënveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt Odevi, [gedaagde 2] en Holding hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank bepaald op € 3.850,-- aan vast recht, op € 85,44 aan overige verschotten en op € 4.263,-- aan salaris voor de advocaat;

- bepaalt dat Odevi, [gedaagde 2] en Holding de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW verschuldigd zijn over de proceskosten vanaf veertien dagen na aanzegging van dit vonnis aan Odevi, [gedaagde 2] en Holding tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt Odevi, [gedaagde 2] en Holding hoofdelijk, indien Odevi, [gedaagde 2] en Holding niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen voldoen, tot betaling van € 131,-- aan nakosten, verhoogd met € 68,-- aan betekeningskosten in het geval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

- verklaart dit vonnis, voorzover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn.

Uitgesproken in het openbaar.

2057/1876