Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI7372

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
280910 / HA ZA 07-803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kettingbotsing. Aansprakelijkheid voor gebrek aan voertuig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 280910 / HA ZA 07-803

Uitspraak: 6 mei 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser 1],

wonende te Antwerpen (België),

eiser 1,

advocaat mr. R.F.L.M. van Dooren,

2. de vereniging NEDERLANDS BUREAU DER

MOTORRUITUIGVERZEKERAARS,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres 2, hierna te noemen: NBM,

advocaat mr. R.F.L.M. van Dooren,

- tegen -

de naamloze vennootschap HDI VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde, hierna te noemen: HDI,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij.

1. Het verloop van het geding

1.1. Over de onderhavige kwestie lopen de navolgende procedures bij deze rechtbank.

De procedure met kenmerk 291248 / HA ZA 07-2245 betreft de door [persoon 1] ingestelde hoofdzaak tegen [eiser 1] en [persoon 2], waarin voorts HDI als tussenkomende partij optreedt. Deze hoofdzaak is bij incidenteel vonnis van 2 mei 2007 van de rechtbank Roermond, waar de zaak aanhangig was gemaakt, naar de rechtbank Rotterdam verwezen om wegens connexiteit te worden gevoegd met een andere (hoofd)zaak (met kenmerk 270499 / HA ZA 06-2829).

Aan de eerstgenoemde hoofdzaak is een vrijwaringsprocedure verbonden, ingesteld door [eiser 1] tegen HDI (kenmerk 300627 / HA ZA 08-363).

Genoemde andere hoofdzaak (met kenmerk 270499 / HA ZA 06-2829) is ingesteld door het Berufsgenossenschaft Fur Fahrzeughaltungen tegen [eiser 1], het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars en HDI.

Hieraan zijn twee vrijwaringsprocedures verbonden, de procedure (kenmerk 278952 / HA ZA 07-520), ingesteld door HDI tegen Holland Transport Innovation BV, [eiser 1] en het NBM, alsmede de procedure met kenmerk 280910 / HA ZA 07-803, ingesteld door [eiser 1] en NBM tegen HDI.

Al deze zaken zullen zo veel mogelijk gelijktijdig en in onderlinge samenhang bezien worden beoordeeld, maar dienen voor het overige als zelfstandige zaken te worden behandeld. Omwille van de overzichtelijkheid worden in alle zaken afzonderlijke vonnissen gewezen. Heden worden in genoemde zaken vijf vonnissen gewezen.

1.2. De rechtbank heeft in de onderhavige zaak kennisgenomen van de volgende stukken:

? de dagvaarding van 20 maart 2007, met de producties 1 tot en met 3;

? de conclusie van antwoord;

? de conclusie van repliek;

? de conclusie van dupliek, met de producties 1 en 2;

? de akte uitlating producties.

2. Het geschil

[eiser 1] en NMB vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, HDI gelijktijdig met het in de hoofdzaak met rolnummer 270499 / HA ZA 06-2829 uit te spreken vonnis te veroordelen om aan hen te betalen al hetgeen waartoe zij als gedaagden in de hoofdzaak en in de daarop te volgen schadestaatprocedure mochten worden veroordeeld, met veroordeling van HDI in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in de vrijwaring.

HDI voert verweer tegen deze vorderingen en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser 1] en NMB in de kosten van de procedure.

3. De beoordeling

3.1 In het vonnis in de hoofdzaak is heden geoordeeld dat de handelwijze van [eiser 1] (op het moment van het ontstaan van het ongeval) niet tot schadeplichtigheid leidt en dat (vooralsnog) moet worden aangenomen dat [eiser 1] als werknemer / bestuurder geen bemoeienis had, noch hoefde te hebben, met het onderhoud van het voertuig, hetgeen tot de conclusie zou moeten leiden dat de vordering van BGF jegens [eiser 1] niet toewijsbaar is.

Daarvan uitgaande zou de vordering in vrijwaring van [eiser 1] jegens HDI reeds om deze reden bij gebrek aan belang niet toewijsbaar zijn. Uit hetgeen in de hoofdzaak onder 3.3 is overwogen volgt dat een definitieve beslissing hierover nog niet is gegeven.

3.2. NBM legt aan haar vordering ten grondslag dat, zoals in haar visie uit de hoofdzaak blijkt, het ongeval in alles overheersende mate aan [persoon 2] te wijten is geweest, zodat op grond van de WAM een rechtstreekse aanspraak bestaat jegens HDI in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar van het door [persoon 2] bestuurde voertuig.

Voor wat betreft NBM is in het vonnis in de hoofdzaak heden overwogen dat nog (slechts) aan de orde is de vraag of BGF ook heeft beoogd aan te voeren dat NBM kan worden aangesproken op grond van de stelling dat de werkgever van [eiser 1], als eigenaar/bezitter van het voertuig, aansprakelijk is te achten wegens onvoldoende onderhoud aan het voertuig. BGF is in de hoofdzaak in de gelegenheid gesteld zich op dit punt nader uit te laten. Hieruit volgt dat ook op dit onderdeel nog geen definitieve beslissing is gegeven.

3.3. Voorts is in de hoofdzaak geoordeeld dat [persoon 2] en [persoon 1] ieder voor 50% de schade van [persoon 1] dienen te dragen. HDI is de WAM-verzekeraar van het ten tijde van het ongeval door [persoon 2] bestuurde voertuig.

3.4. De hiervoor bedoelde beslissingen in de hoofdzaak dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De stellingen van partijen in deze vrijwaring zijn ten aanzien van het ongeval immers gebaseerd op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als in de hoofdzaak.

3.5. HDI heeft zich beroepen op verjaring van de vordering van [eiser 1] en NBM, stellende dat op grond van artikel 10 lid 1 WAM volgt dat het rechtstreekse vorderingsrecht is verjaard door verloop van drie jaren te rekenen vanaf het feit waaruit de schade is ontstaan, zodat de verjaringstermijn ter zake van de gestelde vordering, bij gebreke van stuiting, was voltooid op 7 december 2004.

[eiser 1] en NBM hebben hiertegen aangevoerd dat zij pas daadwerkelijk bekend zijn geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon door kennisneming van de dagvaarding van 29 augustus 2006 in de hoofdzaak, zodat ingevolge artikel 3:310 BW de verjaringstermijn pas toen een aanvang heeft genomen.

Op haar beurt heeft HDI betwist dat artikel 3:310 BW van toepassing zou zijn op artikel 10 lid 1 WAM, stellende dat de verjaringstermijn in de WAM een exclusieve regeling betreft, hetgeen volgens HDI ook blijkt uit lid 2 van artikel 10 WAM.

Bij akte uitlating producties is de nadruk gelegd op de omstandigheid dat [eiser 1] pas na de drie-jaarstermijn kennis kreeg van het ter zake van het ongeval opgemaakte proces-verbaal en de daaruit op te maken mogelijkheid dat ook hij voor de gevolgen daarvan aansprakelijk zou kunnen worden gehouden.

HDI zal in de gelegenheid worden gesteld zich hierover nog nader uit te laten, waarbij dient te worden betrokken hetgeen hiervoor is overwogen over het mogelijke belang van de positie van de werkgever van [eiser 1], als eigenaar/bezitter van het door [eiser 1] bestuurde voertuig. Verdere beslissingen worden thans aangehouden.

3.5. In de hoofdzaak (en in de andere samenhangende zaken, gelijktijdig plaats te vinden) is heden bij vonnis een comparitie van partijen bevolen. Het komt de rechtbank wenselijk voor dit ook in de onderhavige vrijwaringsprocedure te doen, opdat de mogelijkheid wordt opengehouden dat eventuele appellen in een of meer van de samenhangende zaken gelijktijdig kunnen worden ingesteld. De visie van partijen hieromtrent kan ter comparitie worden besproken.

Mede met het oog hierop zal op de voet van artikel 337 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering worden bepaald dat voor het instellen van hoger beroep tegen dit tussenvonnis het eindvonnis niet behoeft te worden afgewacht.

3.5. Partijen hebben ter comparitie de gelegenheid zich nader uit te laten als hiervoor aangegeven. Partijen worden ter bevordering van een efficiënt verloop van de zitting verzocht hun desbetreffende standpunten reeds op voorhand op schrift te stellen en aan de comparitierechter en aan de andere partijen toe te sturen.

3.6. Iedere verdere beslissing zal thans worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

beveelt partijen te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank, voor de rechter mr. R.J.A.M. Cooijmans, op donderdag 2 juli 2009 van 9.30 tot 11.00 uur om een schikking te beproeven en inlichtingen te verstrekken;

beveelt dat partijen eventuele nieuwe stukken uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en aan de wederpartijen zullen toezenden;

bepaalt dat van dit tussenvonnis thans de mogelijkheid van hoger beroep openstaat;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694 / 1729]