Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI7363

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
308429 / HA ZA 08-1389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Vervolg op tv 21 januari 2009. Tussen dezelfde partijen zijn twee overeenkomsten van onderaanneming van werk gesloten betreffende verschillende onderdelen van hetzelfde project.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 308429 / HA ZA 08-1389

Uitspraak: 6 mei 2009 (bij vervroeging)

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de rechtspersoon met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten

PETRON EMIRATES CONTRACTING & MANUFACTURING CO. L.L.C.,

gevestigd te Al Quoz, Dubai, V.A.E.,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident;

advocaat mr. P.H.Ch. M. van Swaaij,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEM B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J. van den Brande.

Partijen worden hierna aangeduid als "Petron" respectievelijk "NEM".

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 21 januari 2009 gewezen in het incident. In dit vonnis worden de in dat tussenvonnis genoemde begrippen gebruikt.

1.2

Ingevolge dat tussenvonnis is op 23 april 2009 een comparitie van partijen gehouden. Van die terechtzitting is proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van dat proces-verbaal en het daarin als in het geding gebracht vermelde stuk.

1.3

Partijen hebben wederom vonnis gevraagd in het incident.

2 De verdere beoordeling in het bevoegdheidsincident

2.1

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 21 januari 2009.

Montagecontract

2.2

Ter comparitie heeft NEM verklaard dat de ICC-arbitrage tussen haar en Sidem onder het ‘main contract’ is beëindigd. Door die beëindiging speelt de verwijzing in het Montagecontract onder het kopje ‘Governing Law and Disputes’ naar arbitrage onder het ‘main contract’ geen rol meer.

2.3

Zodoende zijn onder het Montagecontract nog slechts aan de orde de clausules

“This subcontract is governed by the law governing the main contract.

[..]

if a dispute arises between the contractor and the subcontractor then unless the parties agree to apply the procedure for resolving disputes as set out in the main contract the dispute will be determined by the court in Rotterdam, the Netherlands.”

Kennelijk zijn NEM en Petron niet overeengekomen om de “procedure for resolving disputes as set out in the main contract” te volgen.

2.4

NEM betoogt dat partijen door de General conditions NEM van toepassing te verklaren arbitrage volgens het NAI-reglement zijn overeengekomen. NEM voert argumenten aan waarom het voor de hand ligt en in haar belang is om de vorderingen over en weer door arbitrage te doen beslechten.

Petron voert aan dat partijen op voorstel van NEM in de in 2.3 aangehaalde clausule uitdrukkelijk de bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank zijn overeengekomen en dat zij, als buitenlandse partij, die bevoegdheid heeft aanvaard.

2.5

Het gaat hier om de uitleg van een contractueel beding waarin de betreffende verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg dient gegeven te worden aan de hand van het toepasselijke recht.

NEM heeft aangevoerd dat Frans recht van toepassing is ingevolge de eerste zin van de in 2.3 aangehaalde clausules, in samenhang met artikel 30.2 van de op het ‘main contract’ toepasselijke General Purchase Conditions.

Petron heeft aangevoerd dat het hier een bijzondere clausule betreft die alleen van toepassing is indien en voor zover een geschil bestaat tussen NEM en Sidem onder het ‘main contract’. Petron heeft aanvankelijk bij gebrek aan wetenschap betwist dat op het ‘main contract’ Frans recht van toepassing is, maar die betwisting niet meer gevoerd nadat NEM (delen van) het ‘main contract’ in het geding had gebracht. Petron betoogt dat ingevolge artikel 12a van de General conditions NEM het Nederlandse recht van toepassing is.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het Montagecontract heeft blijkens de door beide partijen in het geding gebrachte kopieën ervan de titel “Subcontractagreement”. Na de vermelding van de partijen NEM als “Contractor” en Petron als “Subcontractor” vangt de tekst van het Montagecontract aan met

“Have agreed as follows:

The Contractor has been awarded a contract number 05401 dated March 23rd 2005, hereafter the ‘main contract’ by SIDEM [..] for the Supply of 4 Heat Recovery Steam generators [..] for the Layyah expansion project [..]

Contractor and Subcontractor enter into a subcontract for the performance by Petron of all activities related to the erection [..] up to provisional acceptance of the heat recovery steam generators for the Layyah project [..]

Applicable document (in sequence of priority):

These documents form an integrated part with this Subcontract as if they were set forth at length in this subcontract.

Section 1. Commercial conditions

[..]

Section 6. Appendices:

1. NEM general conditions of purchase

[..]”

In de Commercial Conditions staan onder het kopje ‘Governing Law and Disputes’ de onder 2.3 aangehaalde clausules die aanvangen met “This subcontract is governed by the law governing the main contract”.

NEM heeft kopieën van het ‘main contract’ en van de daarin van toepassing verklaarde “General Purchase Conditions nr 9200K402 rev F” van Sidem in het geding gebracht. Het ‘main contract’ tussen Sidem en NEM heeft als titel “Purchase Order”. In artikel “30.2 Applicable law” van die General Purchase Conditions is bepaald:

“The Purchase Order shall be interpreted in accordance with the French law.”

Derhalve wordt het ‘main contract’ door Frans recht beheerst.

Kennelijk gaan de in het Montagecontract onder “Section 1” genoemde Commercial Conditions voor op de in “Section 6” genoemde General conditions NEM. In de aldus prevalerende clausule betreffende het toepasselijk recht wordt op het Montagecontract van toepassing verklaard het recht dat op het uitdrukkelijk in de tekst van het Montagecontract vermelde ‘main contract’ van toepassing is. De enkele omstandigheid dat in die clausule het desbetreffende rechtstelsel niet wordt vermeld maakt de verwijzing naar het recht van het ‘main contract’ naar Frans recht noch naar Nederlands recht ongeldig.

Daarom concludeert de rechtbank dat het Montagecontract door Frans recht wordt beheerst.

2.6

Naar Frans recht (artikelen 1136 – 1141 en 1156 – 1164 Code Civile) dient een contractsbepaling te worden uitgelegd naar “la commune intention des parties contractantes” zoals die uit de tekst ervan blijkt, maar “les clauses claires et précises ne sont pas sujettes à interprétation, à peine de dénaturation de l’acte” (artikel 1138 Code Civile).

Partijen hebben geen specifieke inlichtingen verschaft over de totstandkoming van de in 2.3 aangehaalde jurisdictieclausule, evenmin over de bedoeling van partijen ten aanzien daarvan.

De betreffende clausule “if a dispute arises between the contractor and the subcontractor then [..] the dispute will be determined by the court in Rotterdam, the Netherlands” is niet voor meerderlei uitleg vatbaar: partijen hebben voor de beslechting van geschillen gekozen voor de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam.

2.7

Wordt de aldus gekozen bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank beïnvloed door de General conditions NEM, waarin arbitrage is bedongen, op het Montagecontract van toepassing te verklaren?

Zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, voorziet het Montagecontract erin dat de in “Section 1” genoemde Commercial Conditions waarin de jurisdictieclausule is opgenomen voorgaan op de in “Section 6” genoemde General conditions NEM waarin het arbitraal beding is opgenomen. Bovendien gaat naar het toepasselijke Franse recht een uitdrukkelijke contractsbepaling voor op een bepaling in algemene voorwaarden die door verwijzing op die overeenkomst van toepassing zijn verklaard. Daarom prevaleert de jurisdictieclausule boven het arbitraal beding.

2.8

De conclusie is dat het beroep op onbevoegdheid van de rechtbank Rotterdam ten aanzien van vorderingen onder het Montagecontract niet opgaat.

Fabricagecontract

2.9

Hetgeen ten aanzien van het Montagecontract is overwogen brengt niet zonder meer mee dat de jurisdictieclausule ook ten aanzien van het Fabricagecontract dient te gelden, omdat de jurisdictieclausule niet is opgenomen in het Fabricagecontract en gesteld noch gebleken is dat het Fabricagecontract onderworpen is aan de bepalingen van het Montagecontract.

2.10

Tussen partijen is niet in dispuut dat de General conditions NEM op het Fabricagecontract van toepassing zijn.

Artikel 12 van de General conditions NEM luidt als volgt:

“12- Applicable law and Disputes

12a- The agreement and all its preceding negotiations, as but not limited to the Principal’s application and the Supplier’s offer and all agreements arising from the agreement shall be governed by Netherlands law. The conditions of the United Nations Convention on the International Sale of Goods (CISG) are excluded.

12b- Any dispute arisen in connection with the agreement, all preceding negotiations, as but not limited to the Principal’s application and the Supplier’s offer and all agreements arising from the agreement shall be subject to the judgement of the Netherlands Arbitration Institute ([met pen doorgehaald; rechtbank]) in accordance with the rules of the NAI.”

Naast die doorhaling staat in de kantlijn met de hand geschreven “Swiss”, waarbij een paraaf is geplaatst.

2.11

NEM betoogt dat partijen door de General conditions NEM van toepassing te verklaren arbitrage volgens het NAI-reglement zijn overeengekomen. NEM voert argumenten aan waarom het voor de hand ligt en in haar belang is om de vorderingen over en weer door arbitrage te doen beslechten.

Petron voert aan dat de in 2.3 aangehaalde jurisdictieclausule ook ten aanzien van het Fabricagecontract van toepassing is en dat het vanuit proceseconomisch opzicht juister is de vorderingen tussen partijen onder de beide contracten gezamenlijk door de Rotterdamse rechtbank te laten beoordelen.

2.12

Het gaat hier om de uitleg van het Fabricagecontract als geheel en van het in 2.10 aangehaalde artikel 12b van de General conditions NEM, een beding in op een overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden waarin een regeling voor geschillen tussen partijen wordt gegeven. Die uitleg dient gegeven te worden aan de hand van het toepasselijke recht.

Kennelijk hebben partijen in het Fabricagecontract zelf geen rechtskeuze gemaakt. Blijkens artikel 12a van de General conditions NEM hebben partijen gekozen voor toepasselijkheid van Nederlands recht.

Naar Nederlands recht kan die uitleg niet alleen op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan worden gegeven, maar daarbij komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 - Haviltex). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 NJ 2005, 493 DSM / Fox dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan – waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden – en de overige bepalingen ervan (vgl. HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576 - Uni-Invest; HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 - Meyer Europe / Pont Meyer).

2.13

Aan de hand van die maatstaven onderzoekt de rechtbank de vraag of het arbitraal beding op het Fabricagecontract van toepassing is.

Het Fabricagecontract betreft een overeenkomst van aanneming van werk en/of een koopovereenkomst.

Niet in dispuut is dat NEM de basis van het Fabricagecontract en de General conditions NEM heeft opgesteld.

Petron heeft tijdens de comparitie van partijen verklaard dat aan haar zijde geen jurist bij de onderhandelingen was betrokken.

Kennelijk waren het Fabricagecontract en het Montagecontract de eerste overeenkomsten tussen partijen. Het Fabricagecontract is op dezelfde dag gedateerd als het Montagecontract.

Zoals hiervoor overwogen, is gesteld noch gebleken dat het Fabricagecontract is onderworpen aan de bepalingen van het Montagecontract, evenmin dat in het Fabricagecontract naar het Montagecontract wordt verwezen. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan de jurisdictieclausule in het Montagecontract tevens geldig moet worden geacht ten aanzien van het Fabricagecontract, heeft die clausule geen gelding ten aanzien van laatstgenoemde overeenkomst.

Uit de doorhaling en het handgeschreven “Swiss” in de kantlijn, waarbij een paraaf is geplaatst, blijkt dat artikel 12b van de General conditions NEM tussen partijen onderwerp van bespreking is geweest.

De tekst van artikel 12b van de General conditions NEM is, afgezien van het handgeschreven “Swiss” in de kantlijn, op zichzelf duidelijk: partijen zijn voor geschillen in verband met het Fabricagecontract arbitrage volgens het NAI-reglement overeengekomen.

De doorgehaalde tekst betreft een tekst die tussen haakjes stond en derhalve niet wezenlijk was voor de bepaling. De handgeschreven toevoeging “Swiss” in de kantlijn verheldert de met de pen doorgehaalde tekst niet. Indien in plaats van de doorgehaalde tekst “Swiss” wordt gelezen ontstaan geen logische clausule, omdat in artikel 12b slechts de arbitrage wordt geregeld en niet de taal of de plaats van de arbitrage. Het toepasselijke recht is geregeld in artikel 12a, waarin niets is doorgehaald, zodat de handgeschreven toevoeging “Swiss” in de kantlijn daarop geen betrekking kan hebben. Geen van partijen kent bijzondere waarde toe aan die handgeschreven toevoeging. Daarom laat de rechtbank de handgeschreven toevoeging buiten beschouwing.

Derhalve komt de rechtbank tot de conclusie dat tussen partijen onder het Fabricagecontract is overeengekomen om geschillen aan arbiters volgens het NAI-reglement voor te leggen.

2.14

Gesteld noch gebleken is dat het arbitraal beding van artikel 12b General conditions NEM ongeldig is.

2.15

Ingevolge artikelen 1022 Rv, respectievelijk 1074 Rv dient de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten zich onbevoegd te verklaren.

2.16

Het vorenstaande leidt ertoe dat vorderingen onder het Montagecontract door de rechter en die onder het Fabricagecontract door arbiters beoordeeld zullen moeten worden. De rechtbank heeft die mogelijke uitkomst aan partijen voorgehouden in het tussenvonnis. Partijen hebben zich daarover uitgelaten bij de comparitie van partijen.

De enkele omstandigheid dat het uit proceseconomisch oogpunt meer praktisch is om hetzij de burgerlijke rechter, hetzij arbiters de vorderingen onder de beide overeenkomsten tussen partijen te laten beoordelen is onvoldoende om het op het Fabricagecontract toepasselijke arbitraal beding waarop NEM zich beroept terzijde te stellen, respectievelijk de in het Montagecontract opgenomen jurisdictieclausule waarop Petron zich beroept terzijde te stellen. Nu partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de tot oordelen te roepen instantie, zullen ten aanzien van vorderingen tussen dezelfde partijen over kennelijk met elkaar verband houdende overeenkomsten zowel een NAI-arbitrage als een procedure voor de rechter moeten worden gevoerd.

Slotsom

2.17

De rechtbank is onbevoegd ten aanzien van de vorderingen onder het Fabricagecontract, maar bevoegd ten aanzien van vorderingen onder het Montagecontract.

2.18

Waar beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

3 De verdere beoordeling in de hoofdzaak

3.1

Gegeven de beoordeling in het bevoegdheidsincident, blijft de rechtbank bevoegd om de vorderingen voor zover die niet worden beheerst door het Fabricagecontract te beoordelen.

3.2

De zodanig beperkte zaak zal worden verwezen naar de rolzitting voor het nemen van de conclusie van antwoord.

4 De beslissing

De rechtbank,

in het incident:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen voor zover die worden beheerst door het Fabricagecontract;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak voor zover die niet wordt beheerst door het Fabricagecontract naar de rolzitting van woensdag 3 juni 2009 voor het nemen van een conclusie van antwoord;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1928