Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI7211

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
10/641048-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Brandstichting in woning; gelet op hevigheid van brand was levensgevaar voor omwonenden van aangrenzende woningen te duchten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/641048-09

Datum uitspraak: 9 juni 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, locatie Noordsingel te Rotterdam,

raadsvrouw mr. R.F. Nelisse, advocaat te Dordrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte brand heeft gesticht in een woning.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Gijzen heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte;

- plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Van het volgende wordt uitgegaan.

Op 12 februari 2009 is in de woning aan de [adres] te Rotterdam brand ontstaan. De verdachte was op dat moment als enige in de woning aanwezig. Er waren twee brandhaarden, in twee verschillende slaapkamers. In één van de slaapkamers is de brand op een bed ontstaan. Na de brand lagen op de spiraalbodem van het bed brandresten van een schuimmatras en deken. Ten gevolge van deze brand zijn in de slaapkamer kunststof voorwerpen vervormd en is de gehele inboedel van de slaapkamer zwaar beroet. In de andere slaapkamer was de brandhaard op de vloer. Er lag daar een fles die gedeeltelijk was gevuld met een bruinkleurige vloeistof die naar cognac rook. In de hals van de fles zat een lap, die gedeeltelijk was verbrand. In de omgeving van de fles is door de inwerking van vuur een deel van de vloerbedekking aangetast. De woning aan de [adres ] te Rotterdam is gelegen op de bovenste etage van een uit vier woonlagen bestaand portiekflat. De betreffende woning grensde aan de andere woningen van dezelfde portiek. Er waren op het moment van de brand mensen in die woningen aanwezig.

Aangezien op twee verschillende plekken in de woning een brandhaard aanwezig was en één van die brandhaarden een fles met alcohol is met daarin een gedeeltelijk verbrande lap wordt bewezen geacht dat de branden opzettelijk zijn aangestoken. Nu de verdachte als enige in de woning aanwezig was toen de branden ontstonden wordt voorts bewezen geacht dat hij degene is geweest die deze branden heeft aangestoken.

Door en namens de verdachte is ontkend dat er sprake was van opzet, omdat hij aan het hem ten laste gelegde geen enkele herinnering heeft.

Dit verweer wordt verworpen. De verdachte heeft voorafgaand aan of tijdens het ontstaan van de brand de woning aan de binnenzijde afgesloten. Zoals hierboven al is aangegeven, waren er twee brandhaarden in de woning, in verschillende ruimtes. Het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien getuigt van een zodanig systematische handelwijze en bewustheid van de verdachte dat niet gezegd kan worden dat hij was verstoken van elk inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. De verdachte heeft dus opzet gehad op de brandstichting.

Gelet op de warmte- en rookontwikkeling die door de brand is ontstaan, waarvan behalve uit het verbranden van het matras en de deken, de vervorming van de aanwezige kunststof voorwerpen en de zware beroeting, tevens blijkt uit het feit dat de verdachte bewusteloos uit de woning naar buiten is gedragen en de omstandigheid dat de twee medewerkers van Stadstoezicht die de brand hebben geconstateerd en hebben getracht de woning binnen te treden zijn overgebracht naar het ziekenhuis omdat zij rook hadden binnen gekregen en daardoor misselijk en benauwd waren , wordt aangenomen dat het om een zodanig hevige brand ging dat daardoor behalve voor de woning zelf tevens gemeen gevaar te duchten was voor goederen in de belendende of nabij gelegen woningen, alsmede levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die woningen bevindende personen. Dit valt ook af te leiden uit het feit dat de direct omwonenden, waaronder de bewoners van hetzelfde portiek, in verband met de brand zijn geëvacueerd . Het is ook een feit van algemene bekendheid dat brandstichting in een woning die deel uitmaakt van een aaneengesloten tijdens de brand de vrees voor dit gevaar in het leven roept.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 12 februari 2009 te Rotterdam meermalen telkens opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met een matras en met een lap stof die gedeeltelijk in een fles zat met daarin alcoholische drank, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en dat matras en die lap stof en vloerbedekking geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die woning en de in die woning en zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen aanwezige goederen en

-levensgevaar voor en/of zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende personen te duchten was;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Over de verdachte is door dr. B.A. Blansjaar, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, op 22 maart 2009 een rapport uitgebracht, welk rapport als conclusie - zakelijk weergegeven - inhoudt, dat bij de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een ernstige psychose met hallucinaties, ziekelijke achterdocht, angst en suïcidale ideatie bestond. Het bewezen verklaarde feit kan geacht te worden te zijn voortgekomen uit de psychotische belevingen van de verdachte en de daardoor veroorzaakte suïcidale ideatie. Geconcludeerd wordt dat daarom dat de verdachte voor het bewezenverklaarde als ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

In het door dr. E.J.P. Brand, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, over de verdachte op 14 april 2009 uitgebrachte rapport wordt eveneens geconcludeerd dat het bewezen verklaarde feit de verdachte niet kan worden toegerekend. Volgens rapporteur was de verdachte ten tijde van het delict lijdende aan een psychotische stoornis. De verdachte pleegde het delict onder invloed van deze stoornis, hij was volledig in de ban van de wraakactie jegens zijn moeder en mogelijk van akoestische hallucinaties.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van Blansjaar en Brand en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de verdachte voor het plegen van het bewezen verklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar is en derhalve niet strafbaar is. Hij zal daarom van alle rechtsvervolging worden ontslagen.

MOTIVERING MAATREGEL

De verdachte heeft brand gesticht in een portiekwoning, als gevolg waarvan schade is ontstaan aan de woning, de verdachte bewusteloos uit de woning is gehaald, twee medewerkers van stadstoezicht met ademhalingsklachten naar het ziekenhuis zijn gebracht en omwonenden uit hun woning zijn geëvacueerd. Deze gebeurtenissen moeten een ernstige impact hebben gehad op de betrokkenen en gevoelens van schrik en angst hebben teweeggebracht.

Voornoemd rapport van psychiater Blansjaar houdt in, dat de kans op herhaling van soortgelijke feiten verhoogd is door de ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte. Rapporteur adviseert om de kans op herhaling voor soortgelijke feiten door de ziekelijke stoornis van de geestvermogens te verlagen door de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen voor de duur van ten hoogste één jaar, voor behandeling van zijn psychose en voor resocialisatie naar een instelling voor begeleid wonen of beschermd wonen.

Het voornoemde rapport van psycholoog Brand houdt eveneens in, dat de verdachte zonder psychiatrische behandeling en vervolgcontacten door middel van gesprekken met hem en zijn moeder (en eventueel zijn broer) en/of een verantwoorde woonsituatie waarin hij zijn mate van zelfstandigheid kan bewijzen, opnieuw met spanningen en conflicten te kampen zal krijgen en onder invloed daarvan opnieuw zal decompenseren en tot strafbare handelingen zal komen. Ook deze rapporteur adviseert de verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis, zo nodig met een forensische afdeling, om te werken aan rehabilitatie en een verantwoorde terugkeer in de samenleving.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapporten daarom over en maakt die tot de hare. Mede gelet op de aard en ernst van het gepleegde delict zal daarom de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis worden gelast, omdat het risico van recidive bij uitblijven van behandeling hoog wordt geacht en de verdachte daardoor als een gevaar kan worden beschouwd voor de veiligheid van zichzelf en anderen en/of hun goederen.

Met betrekking tot de noodzaak om de opname in een verplicht kader te laten plaatsvinden wordt mede acht geslagen op het feit dat de verdachte eerder ongeveer een maand opgenomen is geweest in het psychiatrisch ziekenhuis BAVO. Hij is aldaar niet volledig medicatietrouw geweest en heeft, in tegenstelling tot wat zijn behandelaars hem hebben aangeraden, zijn behandeling niet afgemaakt. De dag nadat hij daar is weggegaan, heeft de verdachte het bewezen verklaarde delict begaan.

Alles afwegend wordt na te noemen maatregel passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 37, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van 1 (één) jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. Hamaker en Van Dort, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Goudzwaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2009.

Bijlage bij vonnis van 9 juni 2009:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 februari 2009 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk vuur van een sigaret en/of aansteker en/of lucifers, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een matras en/of terpentine en/of met een lap stof die (gedeeltelijk) in een een fles zat met daarin cognac of alcoholische drank, althans brandbare vloeistof (een zogenaamde molotov coctail), althans met (een) of meer brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat matras en/of die lap stof en/of vloerbedekking geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan

-gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

-levensgevaarvoor en/of zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 februari 2009 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal (telkens)

in een woning aan de [adres] grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam vuur van een sigaret en/of aansteker en/of lucifers, in elk geval (telkens) (open) vuur in aanraking heeft gebracht met een matras en/of terpentine en/of met een lap stof die (gedeeltelijk) in een een fles zat met daarin cognac of alcoholische drank, althans brandbare vloeistof (een zogenaamde molotov coctail), althans met (een) of meer brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er brand is ontstaan en/of dat matras en/of die lap stof en/of vloerbedekking geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daardoor

-gemeen gevaar voor die woning en/of voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

-levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond;

(artikel 157 Wetboek van Strafrecht)