Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI6740

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
10/631138-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zwaar lichamelijk letsel de dood ten gevolge hebbend: Is val van balkon van hoogte van 6.5 m hetwelk de dood van het slachtoffer veroorzaakt redelijkerwijs toe te rekenen aan verdachte die zwaar lichamelijk letstel aan slachtoffer toebrengt ?

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 29 mei 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren [geboortedatum]1966 te [geboorteplaats] (Marokko),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [vestigingsadres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Rijnmond, HvB de IJssel te Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Vreugdenhil heeft gerequireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair (eerste gedeelte) ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 primair (tweede gedeelte), 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair (eerste gedeelte) ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 14 juni 2008 te Rotterdam,

aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,

te weten snijwonden in het gezicht, althans op het hoofd en op het lichaam heeft toegebracht, door

opzettelijk meermalen, --die [slachtoffer] met een scherp en/of zwaar voorwerp

op/tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan,

waardoor die [slachtoffer] van/over een balkon (gelegen op de eerste verdieping)

van een woning (gelegen aan de [adres]) naar beneden is gesprongen en/of gevallen

terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

2.

hij in de periode van 13 juni 2008 tot en met 14 juni 2008 te

Schiedam en/of te Rotterdam, tezamen en in vereniging met

anderen, opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers

hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat

opzet

- die [slachtoffer] geleid naar een auto (merk BMW) en

- die [slachtoffer] plaats laten nemen in die auto (op de achterbank met aan haar

linkerzijde en rechterzijde een ander persoon) en

- die [slachtoffer] vervoerd en- die [slachtoffer] geleid naar een woning (aan de [adres]);

3.

hij op 14 juni 2008 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad

-ongeveer 40,11 gram, heroïne (diacetylmorfine) en-ongeveer 72,18 gram, cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op 14 juni 2008 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7 van de Wet wapens

en munitie, gelet op 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een

door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen

gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een

nabootsing van een vuurwapen, namelijk een nabootsing van een pistool,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSOVERWEGING FEIT 1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wordt het volgende vastgesteld.

In de avond en nacht van 13 op 14 juni 2008 is de verdachte op zoek gegaan naar het slachtoffer. Naar eigen zeggen op verzoek van de moeder van het slachtoffer, doch daarvan is niet gebleken. Veeleer dient de aanleiding voor de zoektocht te worden gezocht in de onvrede die de verdachte kennelijk heeft gehad met de beëindiging van zijn relatie met het slachtoffer, door dat slachtoffer zelve. De verdachte heeft bij de zoektocht derden ingeschakeld die onder meer de auto hebben gereden en per telefoon hebben geïnformeerd naar de verblijfplaats van het slachtoffer. Die derden (meer in het bijzonder medeverdachte [medeverdachte 1]) hebben op zeker moment het slachtoffer gelokaliseerd in Schiedam. De verdachte heeft zich vervolgens naar de locatie laten rijden. [Medeverdachte 1] is daar uitgestapt en heeft het slachtoffer gevonden waarna het slachtoffer, in de veronderstelling dat zij drugs kon krijgen, naar de auto is gelopen waarin de verdachte zich, kennelijk niet zichtbaar voor het slachtoffer, bevond. Het slachtoffer is vervolgens onder dwang ingestapt. Het slachtoffer had op dat moment geen uiterlijke verwondingen. In de auto heeft zij aangegeven naar haar broer te willen en dus niet met de verdachte mee te willen. Desondanks heeft de verdachte haar meegenomen in de auto, van Schiedam naar zijn woning in Rotterdam. Daar aangekomen is de verdachte met het slachtoffer zijn woning ingegaan, vergezeld van medeverdachte [medeverdachte 2]. Daar is een ruzie ontstaan tussen het slachtoffer en de verdachte. [Medeverdachte 2] is spoedig na aanvang daarvan gaan slapen. Buren hebben het slachtoffer horen gillen, huilen en jammeren. Dat geldt ook voor de moeder van het slachtoffer en de getuige [getuige], die beiden door de telefoon het slachtoffer op de achtergrond hebben horen roepen en/of huilen. In de woning heeft de verdachte het slachtoffer, deels nog in het bijzijn van [medeverdachte 2], verbaal – door zeer kwetsende opmerkingen over de familie van het slachtoffer - en fysiek – door het afknippen van de haren – vernederd en mishandeld door met een vleesbijltje in haar gezicht en op haar lichaam te slaan. Op 19 plaatsen in de woning zijn bloedsporen van het slachtoffer aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer die volgens de verdachte rechtshandig is, zichzelf zou hebben verwond. De rechtbank acht dit, alleen al gezien de plek van de verwondingen (in het gezicht, op de borst, de rechterschouder en rechteronderarm) niet aannemelijk.

Waar slechts de verdachte en het slachtoffer op dat moment in de kamer aanwezig zijn geweest, kan het niemand anders dan de verdachte zijn geweest die het slachtoffer op deze wijze zwaar, gezien de diepte en/of lengte van de verwondingen, heeft mishandeld. Tenslotte is het slachtoffer onder de douche terechtgekomen, waarna de verdachte haar kleren in een zak heeft gedaan en deze op de kamer van [medeverdachte 2] onder diens bed heeft geplaatst.

Het slachtoffer is nadien van het balkon gevallen en naakt in de tuin van de buren geraakt, komende van een hoogte van circa 6,5 meter. Die val heeft, enkele dagen later, haar overlijden veroorzaakt.

Uit het vorenstaande volgt dat op het slachtoffer op vernederende wijze verbaal en fysiek geweld is uitgeoefend. Gelet op de bovengeschetste omstandigheden kan het niet anders dan dat het slachtoffer aan de vernedering en het geweld heeft willen ontkomen door via het balkon te vluchten met de fatale val als gevolg. Directe aanleiding daarvoor acht de rechtbank het bewezenverklaarde fysieke geweld, zodat een causaal verband tussen de dood van het slachtoffer en de zware mishandeling door de verdachte aanwezig is. De vraag of aan de verdachte de dood van het slachtoffer ook redelijkerwijs als gevolg van zijn gedragingen kan worden toegerekend wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de wederrechtelijke vrijheidsberoving welke aan de mishandeling vooraf is gegaan, alsmede de overige bovengenoemde omstandigheden waaronder de mishandeling heeft plaatsgevonden. De verdachte had zich dienen te realiseren dat het slachtoffer onder deze omstandigheden aan hem zou willen ontkomen. Dit geldt te meer nu de verdachte met nadruk erop heeft gewezen dat het slachtoffer niet zichzelf was die avond en nacht. Hij had daar rekening mee moeten houden bij het uitoefenen van het geweld.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1:

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van de strafbaarheid van feit 2 is namens de verdachte betoogd dat hij heeft gehandeld uit overmacht in de zin van noodtoestand, vanwege een conflict van plichten. Verdachte had de keuze het slachtoffer terug te laten keren naar een onveilige situatie bij het café in Schiedam of haar, tegen haar wil, mee te nemen teneinde haar in veiligheid te brengen.

Dit verweer wordt verworpen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verdachte al langere tijd op zoek was geweest naar het slachtoffer en dat hij zich al van te voren had voorgenomen om haar vanuit Schiedam met de auto mee te nemen. Daar komt bij dat bij het café in Schiedam rond de tijd dat de verdachte daar arriveerde weliswaar sprake is geweest van een opstootje (de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat er ‘een soort van ruzie of een kleine vechtpartij’ aan de gang was), maar niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voor het slachtoffer zodanig gevaarlijke situatie, zoals door de verdediging is geschetst, dat zij door de verdachte daaruit moest worden bevrijd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het slachtoffer is door de verdachte en zijn medeverdachten in een auto ontvoerd en naar zijn woning gebracht. Aldaar heeft de verdachte haar fysiek en psychisch vernederd en ernstig mishandeld door haar met een hakbijltje op haar hoofd en lichaam te slaan, waarbij het slachtoffer zich genoodzaakt heeft gezien aan de verdachte te ontkomen op een wijze die uiteindelijk tot haar dood heeft geleid. Aldus heeft de verdachte, in maatschappelijke termen gezegd, het slachtoffer de dood ingejaagd.

Dit betreffen gruwelijke feiten, waarbij het slachtoffer het leven is ontnomen en haar nabestaanden onherstelbaar leed is aangedaan. Dergelijke strafbare feiten dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en veroorzaken gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving.

Voorts heeft de verdachte zich, niet ten eerste male, schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie door drugs, waarin verdachte naar eigen zeggen handelde, en een nepwapen in zijn bezit te hebben. Verdachte is zich bewust geweest van de strafbaarheid van deze feiten en is berekenend te werk gegaan door, toen het slachtoffer van het balkon was gevallen, éérst een en ander in zijn woning te verstoppen alvorens hij zich heeft bekommerd om het lot en de toestand van het slachtoffer.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 29 april 2009 reeds veelvuldig is veroordeeld, onder meer voor soortgelijke strafbare feiten als thans onder feit 2, 3 en 4 bewezen zijn verklaard.

Op feiten als de onderhavige kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, zoals door de officier van justitie is geëist, doet onvoldoende recht aan de ernst en gruwelijkheid van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een hogere gevangenisstraf op te leggen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 4.611,52,-.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 4.611,52,-. Daaraan doet niet af dat niet voor alle afzonderlijke posten bewijsstukken zijn overgelegd. Het voor telefoonkosten en begrafenis gevorderde bedrag acht de rechtbank redelijk en billijk.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 63, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet en artikel 55 Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair (eerste gedeelte) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair (tweede gedeelte), 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.611,52 en

veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], te betalen;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 4.611,52 (zegge: VIERDUIZENDZESHONDERDELF EURO EN TWEEENVIJFTIG EUROCENT), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 92 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Groen, voorzitter,

en mrs. Sikkel en Geurts-de Veld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 mei 2009.

Zijnde de oudste en jongste rechter buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 29 mei 2009:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 14 juni 2008

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk

- die [slachtoffer] van/over een balkon (gelegen op de eerste verdieping) van een

woning (gelegen aan de [adres]) geduwd en/of gegooid en/of

- die [slachtoffer] geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of geschopt

en/of getrapt waardoor die [slachtoffer] van/over een balkon (gelegen op de

eerste verdieping) van een woning (gelegen aan de [adres]) naar

beneden is gevallen,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

(art 287 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 14 juni 2008 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,

te weten snijwonden in het gezicht, althans op het hoofd en/of

bloeduitstortingen op het hoofd en/of het lichaam heeft toegebracht, door

opzettelijk meermalen, althans eenmaal (met kracht)

-die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te duwen en/of slaan en/of

stompen en/of schoppen en/of trappen en/of

-die [slachtoffer] met een scherp en/of puntig en/of stomp en/of zwaar voorwerp

op/tegen/naar het lichaam en/of het hoofd te steken en/of slaan,

waardoor die [slachtoffer] van/over een balkon (gelegen op de eerste verdieping)

van een woning (gelegen aan de [adres]) naar beneden is gesprongen en/of gevallen

terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

(artikelen 47 jo 302 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op of omstreeks 14 juni 2008, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, [slachtoffer], heeft mishandeld,

door meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam te duwen en/of slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of

- die [slachtoffer] met een scherp en/of puntig en/of stomp en/of zwaar voorwerp op/tegen/naar het lichaam en/of het hoofd te steken en/of slaan,

terwijl die [slachtoffer] hiervan pijn en/of letsel (te weten snijwonden in het gezicht en/of op het lichaam en/of bloeduitstortingen op het hoofd en/of het lichaam) heeft bekomen,

waardoor die [slachtoffer] van/over een balkon (gelegen op de eerste verdieping) van een woning (gelegen aan de [adres]) naar beneden is gesprongen en/of gevallen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

(artikelen 300 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2008 tot en met 14 juni 2008 te

Schiedam en/of te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers

heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat

opzet

- die [slachtoffer] geleid naar een auto (merk BMW) en/of

- die [slachtoffer] geduwd en/of getrokken naar, althans in de richting van die

auto en/of

- die [slachtoffer] plaats laten nemen in die auto (op de achterbank met aan haar

linkerzijde en rechterzijde een ander persoon) en/of

- die [slachtoffer] te vervoeren en/of

- die [slachtoffer] te geleiden naar een woning (aan de [adres])

(artikelen 47 jo 282 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 14 juni 2008 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

-ongeveer 40,11 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of

-ongeveer 72,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

4.

hij op of omstreeks 14 juni 2008 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie I onder 7 van de Wet wapens

en munitie, gelet op 3 onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een

door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen

gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een

nabootsing van een vuurwapen, namelijk een nabootsing van een pistool,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 13 jo 55 Wet wapens en munitie)