Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI6160

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
914793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werknemer wenst partiële vernietiging van de beëindigingsovereenkomst. Ze wenst een hogere vergoeding. De kantonrechter oordeelt dat partiële vernietiging op grond van artikel 6:230 BW niet nodig is. De werknemer heeft gedwaald. De gevolgen daarvan worden door de kantonrechter gewijzigd. De werknemer ontvangt een hogere vergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 228
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2009, 132
Prg. 2009, 117
JAR 2009/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Brielle

Vonnis

in de zaak van

[eiseres],

woonplaats: [woonplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 21 juli 2008,

gemachtigde: mr. P.J.Chr. van Gog,

tegen

1. de commanditaire vennootschap met één beherend vennoot

[gedaagde sub 1].

vestigingsplaats: Kruisland,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. O.R. Siemelink,

2. [gedaagde sub 2],

woonplaats: Kruisland,

beherend vennoot van gedaagde sub 1,

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. O.R. Siemelink,

3. de commanditaire vennootschap

[gedaagde sub 3],

vestigingsplaats: Spijkenisse,

gedaagde sub 3,

niet verschenen,

4. [gedaagde sub 4],

woonplaats: Kruisland,

gedaagde sub 4,

niet verschenen.

Eiseres wordt aangeduid als “[eiseres]” en de vier gedaagden in enkelvoud als “[gedaagde]”, een en ander tenzij anders is vermeld.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

1. dagvaarding met producties,

2. conclusie van antwoord met producties,

3. tussenvonnis d.d. 14 oktober 2008,

4. producties van [eiseres] ten behoeve van de comparitie van partijen,

5. productie van [gedaagde] ten behoeve van de comparitie van partijen,

6. conclusie van repliek tevens vermeerdering van eis,

7. conclusie van dupliek met één productie.

De ingevolge het tussenvonnis bepaalde comparitie heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009 in aanwezigheid van partijen en gemachtigden. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiseres] is op 23 mei 1988 in dienst getreden van een rechtsvoorgangster van [gedaagde]. Met ingang van 27 april 2007 is zij in loondienst voor [gedaagde] werkzaam als verkoopmedewerker. [gedaagde] exploiteert een Plus-supermarkt te Spijkenisse.

2.2. Blijkens de “Vaststellingsovereenkomst” d.d. 22 januari 2008 hebben partijen overeenstemming bereikt over vrijwillige uitdiensttreding van [eiseres] per deze datum, met reguliere eindafrekening en een ontslagvergoeding van € 2.969,28 (drie bruto-maandsalarissen) ten behoeve van [eiseres]. Partijen hebben uitvoering gegeven aan deze overeenkomst. [eiseres] heeft niet meer gewerkt en [gedaagde] heeft de afgesproken betalingen verricht.

2.3. Bij voormeld exploot van dagvaarding heeft [eiseres] de nietigheid van deze beëindigingsovereenkomst ingeroepen.

3. De vorderingen van [eiseres]

De gewijzigde vorderingen van [eiseres] luiden als volgt:

I. te verklaren voor recht dat de (vaststellings)overeenkomst van 22 januari 2008 voor wat betreft de hoogte van de vergoeding gedeeltelijk rechtsgeldig is vernietigd althans de (vaststellings)overeenkomst van 22 januari 2008 gedeeltelijk te vernietigen althans te verklaren voor recht dat de (vaststellings)overeenkomst van 22 januari 2008 gedeeltelijk rechtsgeldig is ontbonden althans de (vaststellings)overeenkomst van 22 januari 2008 gedeeltelijk te ontbinden, althans te verklaren voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] door [Supermarkt] kennelijk onredelijk is en [Supermarkt] - des dat de één betaalt de anderen zullen zijn bevrijd - derhalve schadeplichtig is jegens [eiseres];

II. gedaagden te veroordelen, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 36.450,-- bruto (…) onder inhouding van de wettelijke verplichtingen, althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in de gegeven omstandigheden juist acht, althans een zodanige beslissing te nemen als de Kantonrechter Brielle in goede justitie met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, des dat de één betaalt, de anderen zullen zijn bevrijd;”

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de gevraagde veroordelingen.

4. Het verweer van [gedaagde]

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans deze af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskostenveroordeling.

5. De beoordeling

Inleiding

5.1. Partijen voeren over en weer stellingen aan, deels aan de hand van producties. Deze worden hierna beoordeeld, voorzover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

Vier gedaagden

5.2. Partijen twisten over wie de werkgever is. In de dagvaarding legt [eiseres] uit waarom zij drie personen heeft gedagvaard. Bij antwoord legt [gedaagde] een uittreksel uit het handelsregister betreffende [Supermarkt] c.v., voorheen geheten [gedaagde sub 1] Dit is volgens [gedaagde] de werkgever. [gedaagde sub 3] bestaat niet want dat is slechts een voormalige handelsnaam. Bij repliek stelt [eiseres] het nog steeds niet te begrijpen en handhaaft zij de vorderingen tegen de vier gedaagden. Bij dupliek zegt [gedaagde] er niets meer over.

5.3. Namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als beherend vennoot is verweer gevoerd. Er wordt verstek verleend tegen [gedaagde sub 3] en tegen [gedaagde sub 2] in zijn veronderstelde hoedanigheid van eigenaar van de eenmanszaak. Nu niemand zich heeft gesteld namens deze gedaagden kan de kantonrechter de argumentatie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (te weten: “de twee andere gedaagden gelden niet als werkgever”) niet als hun verweer beschouwen en beoordelen. Er zal een vonnis worden gewezen tegen alle vier gedaagden.

Vaststellingsovereenkomst

5.4. Uit het partijdebat volgt dat [eiseres] op 22 of 23 januari 2008 gevraagd werd bij de heer [gedaagde] op zijn kantoor te komen. Duidelijk is dat [eiseres] niet wist dat het over de beëindiging van het dienstverband ging. Er was een door de accountant van [gedaagde] opgestelde “Vaststellingsovereenkomst” voorhanden. Deze is door [gedaagde] met [eiseres] doorgenomen. Bij het gesprek was eveneens aanwezig, de heer Meulenmeester, manager bij [gedaagde]. [eiseres] had haar vierjarig kind bij zich. Ter plekke is de Vaststellingsovereenkomst door partijen ondertekend en daarna heeft [eiseres] nooit meer voor [gedaagde] gewerkt en is voor het overige ook uitvoering gegeven aan de overeenkomst.

5.5. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] mag terugkomen op de Vaststellingsovereenkomst. Zij wist immers niet vantevoren dat haar uitdiensttreding onderwerp van gesprek zou zijn, zij heeft geen bedenktijd gehad en evenmin gelegenheid gehad om ter zake kundig advies in te winnen. Zeker tegen de achtergrond van het zeer langdurige dienstverband diende [gedaagde], op basis van de beginselen van goed werkgeverschap, hierin wel te voorzien. Hieraan doet niet af dat [gedaagde] in de wandelgangen zou hebben vernomen dat [eiseres] niet langer voor hem wilde werken. Dat wil immers niet zeggen dat hij voormelde beginselen niet in acht zou behoeven te nemen. Evenmin is relevant dat [eiseres] nagenoeg een half jaar heeft gewacht met het terugkomen op de Vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] is hier misnoegd over, maar verbindt daar terecht geen juridische consequenties aan. Gelet op deze overwegingen is het niet noodzakelijk om getuigen te horen over het gesprek en de vermeende uitlatingen van [eiseres] over haar voornemen te willen stoppen met werken.

Juridische duiding

5.6. Met opzet heeft de kantonrechter in de vorige overwegingen in niet juridische termen geoordeeld dat “[eiseres] mag terugkomen op de Vaststellingsovereenkomst”. De kantonrechter kan nog niet beslissen of er sprake is van dwaling of een van de andere juridische consequenties die [eiseres], blijkens haar gewijzigde petitum, hieraan verbindt.

5.7. Uit de stellingen van [eiseres] blijkt namelijk dat zij haar pijlen uitsluitend richt op de vergoeding die zij is overeengekomen met [gedaagde] en niet op het einde van haar dienstverband als zodanig. Zij berust dus in het einde dienstverband per 22 januari 2008. [gedaagde] betwist gemotiveerd dat [eiseres] rechtens uitsluitend de hoogte van de vergoeding ter discussie kan stellen terwijl [eiseres] volgens [gedaagde] bovendien miskent dat er sprake is van een vaststellingsovereenkomst.

Vaststellingsovereenkomst

5.8. De kantonrechter overweegt als volgt. [gedaagde] beroept zich met name op het feit dat er sprake is van een vaststellingsovereenkomst. Deze geldt, kort gezegd, hoe dan ook, gelet op hetgeen in artikel 7:900 BW hieromtrent is bepaald. De kantonrechter kan zich, in algemene zin, met dit standpunt verenigen, maar tekent hierbij aan dat artikel 7:901 BW, dat ziet op de vereisten van de totstandkoming van de vaststelling, in dit geval wordt beheerst door de beginselen van goed werkgeverschap (en uiteraard ook goed werknemerschap). Hiervoor is reeds overwogen dat [gedaagde] zich niet als goed werkgever heeft gedragen. Aldus is de vaststellingsovereenkomst wel degelijk aantastbaar en is er geen sprake van dat het door [eiseres] gedane beroep op dwaling met terughoudendheid zou moeten worden beoordeeld. In een geval als het onderhavige is dwaling de meest opportune rechtsgrond en blijkens de dagvaarding beroept [eiseres] zich hierop. Dit beroep zal door de kantonrechter dan ook als eerste worden beoordeeld.

Dwaling

5.9. Met [eiseres] is de kantonrechter van oordeel dat zij heeft gedwaald. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 5.5. is overwogen. [eiseres] had, na ondertekening, geen vaste inkomsten meer, was aangewezen op een mogelijke WW-uitkering en had geen enkel uitzicht op ander werk. In die zin heeft zij dus gedwaald in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub b BW, welke dwaling te wijten is aan [gedaagde]. Zij doet dus terecht een beroep op de vernietigbaarheid van de Vaststellingsovereenkomst, zij het dat zij zich tot slechts één aspect beperkt, te weten de hoogte van de vergoeding.

Partiële vernietiging

5.10. Anders dan [gedaagde] stelt is de kantonrechter van oordeel dat dit wel mogelijk is. Artikel 3:53 lid 2 BW biedt de rechter de mogelijkheid om desgevraagd, als de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, aan de vernietiging geheel of gedeeltelijk haar werking te ontzeggen. Artikel 6:230 lid 2 BW gaat van dezelfde gedachte uit. Partiële vernietiging, waaraan partijen de nodige stellingen wijden, is dus niet nodig en evenmin een noodzakelijke voorwaarde om het door [eiseres] beoogde resultaat te verwezenlijken.

5.11. De kantonrechter constateert dat het voor [gedaagde] uit de stukken duidelijk is dat [eiseres] zich niet kan verenigen met de hoogte van de vergoeding, doch wel met de overige bestanddelen van de Vaststellingsovereenkomst. Zij wil een hogere vergoeding. Partijen discussiëren, zoals gezegd, over de gevolgen van partiële nietigheid en voeren allerhande argumenten aan die feitelijk ook worden bestreken door voormelde artikelen 3:53 en 6:230 BW. Gezien de verplichting van de rechter tot ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op grond van artikel 25 Rv zal de kantonrechter toepassing geven aan artikel 6:230 lid 2 BW. Alle argumenten, die partijen omtrent de hoogte van de vergoeding aanvoeren, worden door de kantonrechter in het kader van dit artikel behandeld.

Vergoeding

5.12. Aldus dient beoordeeld te worden of en in hoeverre [eiseres] aanspraak kan maken op een hogere vergoeding dan door [gedaagde] op grond van de Vaststellingsovereenkomst is betaald. Ontegenzeggelijk dient de kantonrechter ervan uit te gaan dat het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst is uitgegaan van [gedaagde] nu uit haar eigen stellingen blijkt dat zij slechts uit de wandelgangen had vernomen dat [eiseres] niet meer bij haar wilde werken. Voor het overige dient rekening te worden gehouden met de volgende omstandigheden:

- een zeer langdurig dienstverband,

- slechts één schriftelijke waarschuwing betreffende disfunctioneren (de tweede stelt [eiseres] nooit ontvangen te hebben en uit de stellingen van [gedaagde] blijkt niet dat zij het tegenovergestelde kan bewijzen),

- de aangeboden en betaalde vergoeding,

- geen uitzicht op alternatief werk,

- het onverhoeds confronteren van [eiseres] met de beëindiging van het dienstverband,

- het niet in acht nemen van de overeengekomen opzegtermijn.

5.13. Een en ander dient, overigens naar analogie van artikel 7:681 BW, te worden beoordeeld per moment van de beëindiging van het dienstverband en niet achteraf.

5.14. [gedaagde] beroept zich op haar deplorabele financiële en bedrijfseconomische situatie. [eiseres] betwist dit maar, gelet op de door [gedaagde] geproduceerde stukken van haar accountant, wordt aan deze betwisting voorbij gegaan. Uit deze stukken blijkt van een zwaar verliesgevende situatie die ter comparitie door [gedaagde] verder is uiteengezet.

5.15. De kantonrechter acht het redelijk, met toepassing van de kantonrechtersformule zoals die gold voor 1 januari 2009, de C-factor op 0,5 vast te stellen en daarmee de door [gedaagde] te betalen vergoeding te verhogen. De vergoeding van drie maanden salaris, die reeds door [gedaagde] is betaald, ziet de kantonrechter in dit verband als schadeloosstelling voor de niet in acht genomen opzegtermijn.

Proceskosten

5.16. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [eiseres] door toedoen van gedaagden heeft gedwaald omtrent de Vaststellingsovereenkomst en dat door [eiseres] terecht een beroep is gedaan op de vernietigbaarheid van deze overeenkomst nu zij hiervan nadeel heeft ondervonden,

bepaalt dat in plaats van de vernietiging van de overeenkomst de gevolgen hiervan worden gewijzigd zodanig dat gedaagden aan [eiseres] een aanvullend bedrag dienen te voldoen van

€ 12.700,00 bruto en veroordeelt gedaagden, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van dit bedrag aan [eiseres],

veroordeelt gedaagden, des dat de een betalende de anderen zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op:

€ 150,75 voor het in debet gestelde deel van het vastrecht,

€ 85,44 aan dagvaardingskosten,

€ 1.500,00 aan salaris voor de gemachtigde,

van welke bedragen het totaal op Rabobankrekening 19 23 25 892 t.n.v. MvJ Rotterdam onder vermelding van het zaaknummer moet worden overgemaakt, alsmede € 50,25 voor het door eiseres verschuldigde en door de gemachtigde betaalde deel van het vastrecht, rechtstreeks aan die gemachtigde te voldoen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.