Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI6102

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
309671 / HA ZA 08-1565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opgewekte verwachtingen. Onrechtmatige daad.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 217
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2009/129 met annotatie van J.E. Allaartadvocate bij Pels Rijcken & Drooglever FortuijnW. Dijkshoorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 309671 / HA ZA 08-1565

Uitspraak: 13 mei 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [ABC],

eiser,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

- tegen -

de rechtspersoon naar publiek recht POLITIEREGIO ROTTERDAM RIJNMOND,

zetelende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.T. Schroots.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “de Politieregio”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 17 december 2007 om te verschijnen ter terechtzitting van de kantonrechter en de daarbij overgelegde producties;

incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, tevens houdende conclusie van antwoord, met producties;

conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdverklaring, tevens conclusie van repliek in de hoofdzaak, met productie;

vonnis van deze rechtbank, sector kanton, d.d. 3 juni 2008 waarbij de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard van onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak ter verdere behandeling naar de sector civiel van deze rechtbank heeft verwezen;

conclusie van dupliek, met productie.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiser] is op 1 juli 1983 aangesteld als agent bij het toenmalige politiekorps [ABC]. Op zondag 3 mei 1992 raakte hij gewond bij de aanhouding van een verdachte. Per 1 augustus 2005 is [eiser] uit dienst getreden.

2.2 Bij brieven van 14 januari 2000 heeft [eiser] aan de toenmalig districtschef, mw. J.B. Van de Streek-Looijen (hierna: de districtschef), verzocht om ontheffing van het mobiliteitsplan, een vergoeding in verband met nalatigheid van de werkgever en een vergoeding van de kosten ter zake de civiele procedure.

2.3 Een interne notitie d.d. 28 januari 2000, opgemaakt door de toenmalig leidinggevende van [eiser], de heer R.J. Timmermans (hierna: Timmermans), en gericht aan de districtschef houdt – voor zover thans van belang – het volgende in:

“(…)

Zoals u weet is collega [eiser] op 3 mei 1992 slachtoffer geworden van een geweldsincident in diensttijd. Zijn letsel werd overeenkomstig de geldende regels aangemerkt als een dienstongeval. De nasleep van dit incident is echter tot op heden niet naar behoren afgerond. In verband daarmee heb ik op uw verzoek de afhandeling van deze “nasleep” overgenomen en onderzocht. (…)

Uit mondelinge en uit het bijgevoegde verzoek van de collega [eiser] blijkt dat hij op drie onderwerpen een afhandeling of toezegging wil hebben.

Een afkoopsom voor zijn lichamelijke gesteldheid. Dit aanbod is hem door de verzekering van het gemeentelijk politiekorps [ABC] nooit gedaan omdat hij eenvoudigweg niet op tijd aangemeld was. Op verzoek van de betrokkene zelf is dit op een later tijdstip nog wel geprobeerd, maar toen bleek dat de aanmeldingstijd met ruime mate overschreden was. Op het ogenblik worden blijvend letsel afkoopsommen aangeboden tussen de vijftig en honderdduizend gulden. (...) Het letsel aan de knie van de collega [eiser] is blijvend van aard en heeft een snellere slijtage tot gevolg.

(…)

Alle feiten overwegende adviseer ik u het volgende.

(…)

De politieorganisatie blijft ook naar de toekomst verantwoordelijk voor de kosten die gemaakt worden in verband met dit dienstongeval. Door het niet aanmelden bij de verzekering is de collega [eiser] de keuze ontnomen en kan daar dus niet op terugvallen. Zeker gezien het langdurig traject denk ik dat een tegemoetkoming zeker op zijn plaats is. Persoonlijk denk ik hierbij aan een bedrag van fl. 25.000,- (…)

Resumerend stel ik voor:

Een tegemoetkoming van fl. 25.000,- (onthouden van de afkoop keuze)

Betaling van de civielrechtelijke kosten, fl. 11.437,65 (zie verzoek)

Ontheffing van de mobiliteitsverplichting.

(…)”.

2.4 Deze interne notitie (hierna: de notitie) is voorzien van de tekst: “accoord conform voorstel” en ondertekend door de districtschef.

2.5 Vervolgens heeft Timmermans [eiser] medegedeeld dat inmiddels tot uitkering overeenkomstig de notitie was besloten. Hij heeft daarbij aangegeven dat de notitie door de districtschef voor akkoord was getekend en heeft [eiser] een kopie van de ondertekende notitie overhandigd. De notitie is opgenomen in het personeelsdossier van [eiser].

2.6 In februari 2000 is aan [eiser] het in de notitie genoemde bedrag van fl. 11.437,65 overgemaakt en is hij ontheven van de mobiliteitseis.

2.7 In een brief d.d. 13 januari 2003 aan de korpschef verzoekt [eiser] de Politieregio ervoor te zorgen dat het in de interne notitie van 28 januari 2000 genoemde bedrag van fl. 25.000,- binnen zes weken na ontvangst van de brief aan hem wordt overgemaakt.

2.8 In een brief d.d. 17 april 2003 antwoordt de korpschef aan [eiser] dat hij ten onrechte aanspraak maakt op schadevergoeding ad fl. 25.000,- en wijst hij het verzoek om uitbetaling van een bedrag aan schadevergoeding af.

2.9 In een brief d.d. 22 april 2003 aan de korpschef verzoekt [eiser] hem zijn eerdere beslissing te heroverwegen.

2.10 In een brief d.d. 14 mei 2003 laat de korpschef aan [eiser] weten dat hij zijn standpunt niet zal herzien.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Politieregio te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 15.090,63, te vermeerderen met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Timmermans heeft [eiser] medegedeeld dat de districtschef akkoord was met de uitbetaling van het in de notitie genoemde bedrag ad fl. 25.000,-. Hij heeft hem een kopie van de door de districtschef geaccordeerde notitie uitgereikt en deze notitie is ook in zijn personeelsdossier opgenomen. De notitie is mitsdien aan te merken als een (vaststellings)overeenkomst die onder meer voorziet in uitkering van een schadevergoeding van fl. 25.000,- (€ 11.344,51).

3.2 Subsidiair geldt dat er bij [eiser] de verwachting is gewekt dat hem een bedrag van fl. 25.000,- zou worden uitbetaald. Deze verwachting behoort door de Politieregio te worden gehonoreerd. Van klemmende omstandigheden op grond waarvan de Politieregio redelijkerwijs niet gehouden kan worden het bedrag aan [eiser] uit te keren, is niet gebleken. Het niet-nakomen van gewekte verwachtingen is jegens [eiser] onrechtmatig.

3.3 Gezien de hiervoor onder 2.7 vermelde brief is wettelijke rente verschuldigd vanaf zes weken na 13 januari 2003, zijnde 24 februari 2003. Deze rente bedraagt tot en met 20 november 2007 € 2.794,12.

3.4 De buitengerechtelijke kosten die [eiser] heeft gemaakt, zijn forfaitair vast te stellen op € 952,-.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding.

De Politieregio heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Primair

4.1 De notitie is een intern stuk, een aanzet tot beraad, een aanzet om te komen tot een voorstel richting [eiser] over zaken als de betaling van een financiële tegemoetkoming. Deze notitie heeft geen externe rechtsgevolgen. Het is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

4.2 De brief van de korpschef d.d. 14 mei 2003 dient wel als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb te worden aangemerkt. [eiser] heeft nagelaten tegen dit besluit tijdig rechtsmiddelen aan te wenden. Deze beslissing is derhalve onherroepelijk en daarmee onaantastbaar geworden. Nu er een voldoende met waarborgen omklede rechtsgang tegen dit besluit heeft opengestaan en [eiser] deze niet heeft benut, dient [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Subsidiair

4.3 De vordering van [eiser] is verjaard. Hij realiseerde zich reeds in 1992 dat de ongevallenverzekering niet meer tot uikering zou overgaan vanwege het feit dat het ongeval te laat was gemeld, doch hij heeft pas in januari 2000 vergoeding van de schade gevorderd van de Politieregio. Nu de verjaringstermijn op grond van artikel 3:310 BW vijf jaren betreft, was de vordering reeds in 1997 verjaard.

4.4 Bovendien heeft [eiser] door 8 jaren stil te zitten in ieder geval zijn rechten verwerkt. Het is in strijd met alle redelijkheid en billijkheid om de Politieregio in 2008 aan te spreken voor een mogelijke fout die in 1992 zou zijn gemaakt.

Meer subsidiair

4.5 De notitie kan niet aangemerkt worden als een vaststellingsovereenkomst. Er is geen sprake van een aanbod en de aanvaarding daarvan. De notitie was niet aan [eiser] gericht, doch geschreven voor intern beraad. Uit het interne akkoord dat werd aangetekend op deze interne notitie kan geenszins door [eiser] de conclusie worden getrokken dat de notitie moet worden gekwalificeerd als een (vaststellings)overeenkomst tussen hem en de Politieregio. Noch de notitie, noch de akkoordverklaring was aan hem gericht. Er is ook niet gebleken dat [eiser] een aanbod heeft geaccepteerd.

4.6 Er is geen sprake van opgewekte verwachtingen. Naar aanleiding en op grond van de notitie is er binnen de Politieregio nog een discussie gevoerd over de juistheid van deze notitie en de wenselijkheid van de daarin vermelde voorstellen. Met name de betaling van de voorgestelde post schadevergoeding heeft in die periode ter discussie gestaan, omdat uit onderzoek was gebleken dat in de notitie twee verzekeringen door elkaar worden gehaald, te weten de schadeverzekering en de ongevallenverzekering. Omdat het in casu een dienstongeval betrof, was de ongevallenverzekering van toepassing, op grond waarvan slechts een klein percentage van fl. 25.000,- bruto zou zijn uitgekeerd.

Bovendien was Timmermans niet bevoegd enige toezegging aan [eiser] te doen.

5 De beoordeling

5.1 Het primaire en het subsidiaire verweer worden verworpen. Beide verweren zijn gegrond op de stelling dat [eiser] thans vergoeding vordert van de door hem geleden schade als gevolg van de ‘slechte nazorg’, welke de Politieregio zou hebben geleverd na het hem overkomen dienstongeval. Deze stelling is echter onjuist. De grondslag van de vordering van [eiser] is primair nakoming van de door hem gestelde vaststellingsovereenkomst en subsidiair onrechtmatig handelen door het niet nakomen van opgewekte verwachtingen. Slechts de civiele rechter is bevoegd van dergelijke vorderingen kennis te nemen, zodat het primaire verweer om die reden verworpen dient te worden. In hoeverre de brief van de korpschef d.d. 17 mei 2003 als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb dient te worden aangemerkt kan derhalve in het midden blijven.

Nu [eiser] geen schadevergoeding vordert ter zake van de door hem in 1992 geleden schade, dient het beroep van de Politieregio op verjaring dan wel rechtsverwerking eveneens te worden verworpen.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank is van een vaststellingsovereenkomst geen sprake. Krachtens artikel 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Dat [eiser] de Politieregio een aanbod heeft gedaan dat vervolgens door de Politieregio is aanvaard, is gesteld noch gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat er evenmin sprake is geweest van een aanbod door de Politieregio aan [eiser]. De notitie kan niet als zodanig gekwalificeerd worden. Het betreft een interne notitie, waarin intern een voorstel wordt gedaan. Dit voorstel is derhalve niet aan [eiser] gericht. Weliswaar is de inhoud van de notitie aan [eiser] bekend gemaakt, doch het enkele ter kennis brengen van de inhoud van de notitie kan niet als aanbod gekwalificeerd worden. Nu één van de vereisten voor het ontstaan van een overeenkomst ontbreekt, kan er van een vaststellingsovereenkomst geen sprake zijn. De primaire grondslag kan derhalve niet tot toewijzing van de vordering leiden.

5.3 De rechtbank is van oordeel dat er wel gesproken kan worden van door de Politieregio jegens [eiser] gewekte verwachtingen. De notitie is geschreven naar aanleiding van verzoeken die [eiser] heeft gedaan tot onder meer schadevergoeding. De notitie is, nadat deze voor akkoord was getekend door de districtschef, door Timmermans aan [eiser] overhandigd met daarbij de mededeling dat tot uitkering overeenkomstig de notitie was besloten. De notitie is vervolgens in het personeelsdossier van [eiser] gevoegd, waarmee de notitie ook externe werking heeft gekregen. Vervolgens is uitvoering gegeven aan twee van de drie in de notitie gedane voorstellen. [eiser] mocht er in die omstandigheden in beginsel vanuit gaan dat ook aan het derde voorstel uitvoering gegeven zou worden. De Politieregio stelt dat er nadien intern discussie is geweest omtrent de in de notitie gedane voorstellen, hetgeen ertoe heeft geleid dat het voorstel [eiser] een bedrag ad fl. 25.000,- uit te keren niet is gevolgd, doch gesteld noch gebleken is dat [eiser] op de hoogte is gesteld van deze discussie. [eiser] heeft geruime tijd in de veronderstelling verkeerd dat hij het bedrag van fl. 25.000,- zou ontvangen. Pas in 2002 is [eiser] gebleken dat er geen integrale uitvoering zou worden gegeven aan de inhoud van de notitie. Gesteld noch gebleken is dat hem dit eerder dan bij brief van 17 april 2003 formeel te kennen is gegeven.

Gezien voorgaande omstandigheden, in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat de Politieregio bij van ’t Leven de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat zij hem een tegemoetkoming ad fl. 25.000,- zou uitbetalen. De vraag of hem een toezegging is gedaan, zoals [eiser] stelt en de Politieregio betwist, behoeft derhalve geen bespreking.

5.4 De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de Politieregio onrechtmatig handelt door niet overeenkomstig de door haar gewekte verwachting over te gaan tot uitkering van het bedoelde bedrag ad fl. 25.000,-, tenzij de Politieregio op goede gronden tot dit besluit is gekomen.

De politieregio heeft hieromtrent gesteld dat voormeld voorstel op een onjuiste voorstelling van zaken berustte. In de notitie is er ten onrechte vanuit gegaan dat de schadeverzekering van toepassing was, terwijl dit de ongevallenverzekering had moeten zijn. Dit betekent dat [eiser] geen bedrag ad fl. 25.000,- bruto is misgelopen doordat het hem overkomen dienstongeval niet tijdig bij de verzekeraar is aangemeld, doch slechts een klein percentage hiervan, aldus de Politieregio.

[eiser] heeft niet betwist dat bedoeld voorstel in de notitie is gebaseerd op onjuiste gegevens, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. Wel heeft [eiser] aangevoerd dat de door Timmermans gemaakte fouten voor rekening van de Politieregio dienen te blijven. De rechtbank volgt [eiser] echter niet in deze stelling. Zij vermag niet in te zien waarom de Politieregio, nadat zij op de hoogte is geraakt van het feit dat de notitie is gebaseerd op onjuiste gegevens, niet haar standpunt mag veranderen en alsnog mag besluiten het voorstel niet te volgen. De Politieregio handelt mitsdien niet onzorgvuldig door [eiser] geen tegemoetkoming ad fl. 25.000,- te betalen.

5.5 [eiser] heeft nog aangevoerd dat hij niet bekend was met de interne discussie en er derhalve geen rekening hoefde te houden met het feit dat bedoeld voorstel toch jegens hem niet zou worden geëffectueerd.

De rechtbank is van oordeel dat de Politieregio onzorgvuldig heeft gehandeld door [eiser] onkundig te laten van de interne discussie en hem pas in 2003 formeel op de hoogte te stellen van het feit dat de voorgestelde tegemoetkoming niet aan hem zal worden uitbetaald. [eiser] heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aangenomen kan worden dat hij hierdoor schade heeft geleden.

Hij heeft weliswaar dat hij vooruitlopend op de tegemoetkoming een groot deel van het bedrag heeft uitgegeven aan voorzieningen die de gevolgen van het bij het dienstongeval opgelopen letsel zouden kunnen verzachten, waaronder de aanschaf van een motorfiets en een caravan. Gesteld noch gebleken is echter dat hij deze uitgaven niet zou hebben gedaan indien hem de tegemoetkoming niet in het vooruitzicht zou zijn gesteld. Bovendien heeft [eiser] het genot gehad van de caravan en de motor. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat hij door deze uitgaven in zodanige financiële problemen is gekomen, dat hij hierdoor schade heeft geleden.

5.6 Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] afgewezen zal worden. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij voor wat betreft de conclusie van antwoord zal worden aangesloten bij het liquidatietarief van de sector kanton.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Politieregio bepaald op € 355,- aan vast recht en op € 752,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204/106