Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI6005

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
10/700198-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BP2197, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte geprobeerd een drugsdeal te sluiten met twee Fransen. In een gang bij kelderboxen is een vechtpartij ontstaan waarbij een mes in het spel was. Verdachte heeft op beide Fransen geschoten. Een van hen is zwaargewond geraakt, de ander is overleden. Noodweersituatie aanwezig geacht. Schieten was disproportioneel. Geen hevige gemoedsbeweging aangenomen, derhalve geen noodweer-exces. 10 jaar gevangenisstraf. Medeverdachte is vrijgesproken.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 10a
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafrecht 417
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/700198-08

Datum uitspraak: 1 mei 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichtingen Zuid West, HvB de Dordtse Poorten te Dordrecht,

raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk, advocaat te ’s-Gravenhage.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

- hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering in de dagvaarding d.d. 27 oktober 2008 op vordering van de officier van justitie is gewijzigd (feiten 1 en 2);

- hetgeen is vermeld in de dagvaarding d.d. 1 april 2009 (feiten 3 tot en met 7).

De tekst van uiteindelijke tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

Feit 1 primair:

Slachtoffer (slachtoffer 1) heeft vermoord dan wel gedood door meerdere malen met een pistool op Slachtoffer 1 te schieten, als gevolg waarvan Slachtoffer 1 is overleden;

Feit 1 subsidiair:

alleen of met een ander heeft geprobeerd om slachtoffer 1 te beroven, tengevolge waarvan Slachtoffer 1 is overleden;

Feit 2 primair:

heeft geprobeerd slachtoffer (slachtoffer 2) te vermoorden dan wel te doden door met een pistool op Slachtoffer 2 te schieten;

Feit 2 subsidiair:

alleen of met een ander heeft geprobeerd om slachtoffer 2 te beroven, ten gevolge waarvan Slachtoffer 2 zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

Feit 3:

een rijbewijs in zijn bezit had, waarvan hij wist of kon weten dat het een gestolen rijbewijs betrof;

Feit 4:

een Tomtom in zijn bezit had, waarvan hij wist of kon weten dat het een gestolen Tomtom betrof;

Feit 5:

een pistool van het merk Makarov voorhanden heeft gehad;

Feit 6:

munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 7:

op 10 juli 2008 te Rotterdam voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet heeft gepleegd door slachtoffer 1 en slachtoffer 2 te vragen of zij drugs wilden kopen en hen mee te nemen naar de keldergang van (adres) en hen daar drugs te tonen.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Baars heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 7 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 primair (moord op slachtoffer 1), 2 primair (poging tot doodslag op slachtoffer 2), 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar met aftrek van voorarrest.

FEITEN 1 EN 2

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Op 10 juli 2008 heeft de verdachte in Rotterdam met een pistool eenmaal op slachtoffer 1 geschoten. Weliswaar verklaart verdachte zelf dat hij tweemaal op slachtoffer 2 heeft geschoten, doch dat is onverenigbaar met de aanwezigheid van slechts één schotverwonding in het lichaam van slachtoffer 2 en het ontbreken van enige kogelinslag in de omgeving waar geschoten is. Vervolgens heeft de verdachte vier maal op slachtoffer 1 geschoten . Door het eerste schot is slachtoffer 2 zwaargewond geraakt . Slachtoffer 1 is overleden als gevolg van tenminste twee van de vier schoten, die in zijn hoofd en zijn lichaam terecht zijn gekomen.

Heeft ook iemand anders geschoten?

De verdachte heeft tijdens de terechtzitting opgemerkt dat hij er vanuit gaat dat een andere persoon de dodelijke verwondingen aan slachtoffer 1 hoofd en borst heeft toegebracht. Volgens de verdachte leefde slachtoffer 1 nog toen hij slachtoffer 1 en 2 in de keldergang achterliet. Toen de verdachte circa 10 tot 15 minuten na het schieten terugkeerde bij de adres, heeft hij slachtoffer 1 nog buiten in de Franse bestelbus zien zitten, levend en wel. Tenslotte heeft de verdachte verklaard dat er volgens hem meer doorschotverwondingen bij slachtoffer 1 zijn aangetroffen, dan hij kogels op hem heeft afgevuurd.

Dit verweer wordt verworpen.

De getuige (getuige 1) heeft verklaard dat hij op 10 juli 2008 tussen 2.00 en 2.30 uur heeft gezien dat een gewonde man een andere kennelijk zwaar gewonde man achterin een wit busje heeft gelegd.

Het Franse busje dat op 10 juli 2008 bij het tankstation aan adres is aangetroffen, met daarin slachtoffer 2 en achterin het stoffelijke overschot van slachtoffer 1, is door de opsporingsdienst onderzocht op sporen. Er zijn geen sporen aangetroffen die erop wijzen dat in het betreffende busje is geschoten. De eerdere vaststelling door de rechtbank dat de verdachte in totaal vijf schoten heeft gelost stemt tenslotte overeen met de verklaring van een tweetal buurtbewoners dat zij vijf schoten hebben gehoord . Nu het verweer van de verdachte dat een andere persoon de dodelijke verwondingen aan slachtoffer 1 heeft toegebracht waarvoor overigens ook iedere logische verklaring ontbreekt - niet wordt ondersteund door de onderzoeksresultaten in het dossier, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

Voorbedachte raad en opzet

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte na zijn schot op slachtoffer 2 voldoende tijd heeft gehad om de eventuele gevolgen van het schieten op slachtoffer 1 te kunnen overzien. De verdachte heeft immers door het schieten op slachtoffer 2 meteen het gevolg daarvan gezien: slachtoffer 2 werd daardoor uitgeschakeld. De verdachte is daarna toch verder gegaan met schieten op slachtoffer 1. Ook na het eerste schot op slachtoffer 1 heeft de verdachte volgens zijn eigen verklaring nog de tijd genomen om op hem te richten. De verdachte heeft volgens de officier van justitie derhalve gehandeld na kalm beraad en rustig overleg en derhalve is sprake geweest van voorbedachte raad. Tevens is, gezien de plaatsen waar de beide slachtoffers zijn geraakt en het feit dat de verdachte de Fransen ‘wilde uitschakelen’, sprake geweest van onvoorwaardelijk opzet op de dood.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het gehele schietincident zich slechts in een paar seconden heeft afgespeeld en in een smalle keldergang. Er is geen tijd geweest voor beraad, de verdachte wilde slechts één ding en dat was zijn vriend uit een benarde situatie redden. De verdachte heeft daartoe het wapen naar beneden gericht. Dat de verdachte een vuurwapen bij zich had, wil niet zeggen dat daarom al sprake is van voorbedachte raad. De verdachte heeft nooit de opzet gehad om slachtoffer 1 om het leven te brengen. Voorbedachte raad kan niet wettig en overtuigend bewezen worden en evenmin de opzet de Fransen te doden. De verdachte dient te worden vrijgesproken voor de moord op slachtoffer 1.

De rechtbank overweegt het volgende.

Voor het bewijs van voorbedachte raad dient vast komen te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren genomen besluit en dat de verdachte, tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan, de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van mening dat het moment tussen het eerste schot dat de verdachte op slachtoffer 2 afvuurde en de volgende schoten op Slachtoffer 1, te kort is geweest voor de verdachte om zich te kunnen realiseren welke gevolgen het schieten op slachtoffer 1 zouden kunnen opleveren. Daarbij verdient opmerking dat het van belang is niet alleen het tijdverloop op zichzelf in ogenschouw te nemen, maar ook de situatie waarin de verdachte zich toen bevond. Hij werd immers geconfronteerd met een situatie waarin zijn vriend in gevecht was met een of twee andere personen. Aldus was des te minder gelegenheid voor het zich realiseren van die gevolgen. Hetzelfde geldt voor het moment tussen het eerste en de volgende schoten op slachtoffer 1. Hierdoor is er geen sprake van voorbedachte rade hetgeen vrijspraak voor de moord op slachtoffer 1 met zich brengt.

De verdachte heeft zelf verklaard dat hij vanaf een korte afstand heeft geschoten en daarbij bewust heeft gericht. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het van een korte afstand afvuren van meerdere kogels op slachtoffer 2 en slachtoffer 1, zonder meer opzet oplevert op het (trachten te) doden van de slachtoffers.

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (de doodslag op slachtoffer 1) ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 10 juli 2008 te Rotterdam

opzettelijk een persoon genaamd slachtoffer 1 van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met een pistool, kogels in het hoofd en in het lichaam van die slachtoffer 1 afgevuurd,

tengevolge waarvan voornoemde slachtoffer 1 is overleden;

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair (de poging tot doodslag op slachtoffer 2) ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 10 juli 2008 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd slachtoffer 2 van het leven te beroven

opzettelijk met een pistool, , een kogel in de buik, van die slachtoffer 2

heeft afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

NOODWEER(EXCES)?

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte op 10 juli 2008 in de gang bij de kelderboxen heeft gehandeld vanuit een noodweer(exces)situatie. De verdachte en Jagroe zouden de Fransen naar de keldergang hebben meegenomen, om aan hen drugs te gaan verkopen. Volgens de verdachte heeft hij zijn vriend even alleen gelaten met de Fransen, om een weegschaal voor de drugs te halen. De verdachte heeft bij terugkomst in de keldergang zijn vriend voor zijn leven zien vechten. De verdachte heeft slachtoffer 2 een trap gegeven, geschreeuwd en gedreigd met het vuurwapen. Dit leek de Fransen echter niet te stoppen.

Ondertussen heeft de verdachte gezien dat het mes op de keel van zijn vriend werd gezet en las hij de angst in de ogen van zijn vriend. De verdachte heeft toen op slachtoffer 2 geschoten. De dreiging van de Fransen bleef echter bestaan, de verdachte heeft vervolgens op slachtoffer 1 geschoten. Dat de verdachte een vuurwapen bij zich had, staat niet aan een beroep op noodweer in de weg. De toelaatbaarheid van de reactie van de verdachte dient te worden beoordeeld naar de exacte omstandigheden van het geval. Indien de reactie wordt gekwalificeerd als een disproportionele reactie, dan zou de hevige gemoedsbeweging waarin de verdachte verkeerde toen hij zijn vriend voor zijn leven zag vechten hiervan de reden kunnen zijn.

Nu de situatie waarin de verdachte zich op 10 juli 2008 bevond als een noodweer-, dan wel noodweersituatie kan worden gekwalificeerd dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Volgens de officier van justitie is de ‘noodweersituatie’ later door de verdachten verzonnen.

De verwondingen aan de hand van slachtoffer 1 komen overeen met letsel dat kan ontstaan na het afweren van het mes. Ook worden de verklaringen van de verdachten omtrent hoe de noodweersituatie zich zou hebben voorgedaan, niet ondersteund door andere sporen zoals inschotlocaties, kogelbanen en de hoogte van bloedpatronen die zijn aangetroffen. Nadere ondersteuning voor het ontbreken van de noodweersituatie is dat de verdachte die dag een wapen bij zich had en de voorwerpen nodig voor het verkopen van drugs (weegschaal, drugs) nooit zijn gevonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het pathologisch onderzoek d.d. 6 oktober 2008 gedaan door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe waarvan de conclusies door de rechtbank worden overgenomen en tot de hare gemaakt, blijkt dat slachtoffer 1 een verwonding aan zijn hand had die door een mes zou kunnen zijn veroorzaakt. Dit letsel wordt in het onderzoek beschreven als afweerletsel. De rechtbank acht het, gezien de beschrijving van de verwonding aan de hand van slachtoffer 1, de daarvan zich in het dossier bevindende en ter zitting uitvergroot getoonde foto’s alsmede gezien aard en omvang van het mes, niet aannemelijk dat dat mes op het moment van schieten door slachtoffer 1 naar de keel van Jagroe werd gebracht. In de verklaringen waarin dit wordt beschreven is er steeds sprake van dat Jagroe het mes bij het heft vastheeft en slachtoffer 1 bij het lemmet. Gezien de aard van het mes (groot, tweesnijdend, één zijde gekarteld, scherp) zou een dergelijke situatie aanmerkelijk zwaardere verwondingen aan de hand van slachtoffer 1 hebben teweeggebracht dan daadwerkelijk het geval is. Slachtoffer 1 moet het mes immers met flinke kracht hebben vastgehouden als hij in staat zou zijn geweest dit ondanks tegenwerking van Jagroe steeds dichter naar diens keel te brengen. Het is derhalve niet aannemelijk geworden dat deze situatie zich heeft voorgedaan. De rechtbank gaat ervan uit dat slachtoffer 1 en Jagroe in een worsteling waren verwikkeld waarbij een mes betrokken is geweest, hetgeen op zichzelf een zeker ingrijpen van de verdachte om de medeverdachte te beschermen zou rechtvaardigen. Ingrijpen door met een vuurwapen op slachtoffer 1 te schieten, is echter een disproportionele reactie. Van een hevige gemoedsbeweging die aan het schieten ten grondslag zou hebben gelegen, blijkt niet uit de verklaringen van de verdachte of anderen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat zich hier geen situatie voordoet waar een noodweer(exces)-verweer met succes kan worden gevoerd.

FEITEN 3 TOT EN MET 7

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Aangezien de verdachte het onder 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hierna bewezen verklaard, op de zitting heeft bekend, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 3

1. de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting d.d. 17 april 2009;

2. het ambtsedig proces-verbaal van de aangifte d.d. 10 mei 2008, nr. 2008157852-1, pag 1560.

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij omstreeks periode van 10 mei 2008 tot en met 24 juli 2008 te

Rotterdam

een goed, te weten een rijbewijs op naam van aangever, heeft

verworven en heeft voorhanden gehad , terwijl hij

ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, dat het een door

misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf,

verkregen goed betrof.

Feit 5

1. de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting d.d. 17 april 2009;

2. het ambstedig proces-verbaal nr. 2008231709-179 d.d. 28 juli 2008, (kennisgeving van inbelagneming, kluis met voorwerpnummer: 10200-2008231709 3085848), pag. 881

3. het ambtsedige proces-verbaal nr: 0807311313.OIG d.d. 24 juli 2008, (aantreffen vuurwapen in kluis voorzien van nr AAAU4042NL), pag 1025-1032;

4. het ambtsedige proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond 2008231709 (TGO Vondeling) d.d. 24 juli 2008, proces-verbaal nummer: 0807311313.OIG (onderzoek vuurwapen AAAU4042 NL), pag 1033.

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

5.

hij omstreeks 24 juli 2008 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet

wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°

van die wet in de vorm van een pistool van het merk Makarov, type PM, kaliber

9x18 millimeter, voorhanden heeft gehad;

Feit 6

1. de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting d.d. 17 april 2009;

2. het ambstedig proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond 2008231709 (TGO Vondeling) nr. 2008231709-179 d.d. 28 juli 2008, (kennisgeving van inbelagneming, kluis met voorwerpnummer: 10200-2008231709 3085848), pag. 881

3. het ambtsedige proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond 2008231709 (TGO Vondeling) nr: 0807311313.OIG d.d. 24 juli 2008, (aantreffen munitie in kluis), pag 1025-1032;

4. het ambtsedige proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond 2008231709 (TGO Vondeling) d.d. 24 juli 2008, proces-verbaal nummer: 0807311313.OIG (onderzoek munitie), pag 1035.

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

6.

hij omstreeks 24 juli 2008 te Rotterdam

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te

weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III, te weten

- 13 kogelpatronen, kaliber 7.65 Br, en

- 1 kogelpatroon, kaliber 6.35 Br, en

- 3 kogelpatronen, kaliber .9 millimeter Luger,

voorhanden heeft gehad;

Feit 7

1. de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting;

2. het ambtsedig proces-verbaal nr 2008231709-235 d.d. 4 augustus 2008 (verklaring van de medeverdachte over de heroïne en de cocaïne);

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

7.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- twee, personen, te weten slachtoffer 1 en slachtoffer 2,

rijdende in een auto met een Frans kenteken heeft aangesproken met de vraag of die

slachtoffer 1 en die slachtoffer 2 drugs wilden kopen, en

- vervolgens die Slachtoffer 1 en die Slachtoffer 2 in die auto met Frans kenteken de

auto, waarin hij, verdachte en zijn mededader reden, heeft laten volgen naar

een flat aan de adres, en

- met die Slachtoffer 1 en die slachtoffer 2 de flat aan de Baloeranstraat is

binnengegaan en vervolgens in een gang waar de kelderboxen van die

flat gelegen zijn, heroïne en/of cocaïne aan die Slachtoffer 1 en die

slachtoffer 2 heeft getoond;

Feit 4

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet kon weten dat de tomtom van diefstal afkomstig was. Hij heeft deze tomtom op straat gekocht, hij heeft er een redelijke prijs voor betaald (€ 50,-) en het instructieboekje werd erbij geleverd.

Hiertoe wordt overwogen dat de verdachte, indien hij spullen op straat koopt, in ieder geval weet een strafrechtelijk risico te lopen. Daarnaast bevindt zich in het dossier het proces-verbaal van aangifte van diefstal van de tomtom en heeft de verdachte verklaard dat hij mede-eigenaar is van de tomtom die in de auto met kenteken (kenteken) van de medeverdachte is aangetroffen .

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

4.

hij omstreeks de periode van 07 juli 2008 tot en met 24 juli 2008 te

Rotterdam

Een goed, te weten een tomtom navigatiesysteem, heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de

het voorhanden krijgen van dat goed

redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk

door diefstal, verkregen goed betrof;

In de bewezen verklaarde tenlastelegging komen kennelijke verschrijvingen voor; deze zijn in de bewezenverklaring verbeterd en daarin cursief aangegeven. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN 1 TOT EN MET 7: STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1: doodslag.

Feit 2: poging tot doodslag

Feit 3: opzetheling

Feit 4: gewoonteheling

Feit 5: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie.

Feit 6: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 7: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

De feiten zijn strafbaar (voor wat betreft de feiten 1 en 2 op de hierboven onder ‘noodweer(exces)’uiteengezette gronden).

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar (voor wat betreft de feiten 1 en 2 op de hierboven onder ‘noodweer(exces)’ uiteengezette gronden).

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de nacht van 10 juli 2008 zijn de verdachte en de medeverdachte in een auto op pad gegaan om harddrugs te verkopen. Op een zeker moment zagen de verdachten een auto met een Franse nummerplaat.

Via een aantal gebaren heeft men elkaar duidelijk gemaakt wat men wilde. De beide auto’s zijn achter elkaar aangereden en bij adres te Rotterdam aangekomen. Eenmaal in de flat is het hele gezelschap naar de gang bij de kelderboxen gegaan. Hier is een worsteling ontstaan tussen de medeverdachte en één van de Fransen, slachtoffer 1. Bij de worsteling was ook een mes in het spel. De verdachte, die even weg is geweest, heeft die worsteling gezien. Hij heeft zijn pistool doorgeladen en geschoten op slachtoffer 2 en daarna Slachtoffer 1. slachtoffer 2 is hierdoor zwaargewond geraakt en slachtoffer 1 is tengevolge hiervan overleden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schietpartij niet het gevolg is geweest van een uit de hand gelopen drugsdeal, maar van een mislukte gewapende beroving. Bij de strafoplegging gaat de rechtbank daar niet vanuit, omdat het dossier onvoldoende (betrouwbaar) bewijs bevat om de conclusie te rechtvaardigen dat de verdachte en de medeverdachte van plan waren om de Fransen te beroven.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Wetboek van strafrecht kent. De verdachte heeft niet alleen het leven ontnomen aan een jongeman, die nog een heel leven voor zich had, maar heeft tevens onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer.

Een andere jongeman is door toedoen van de verdachte zwaargewond geraakt. Door te handelen als voornoemd heeft de verdachte een zeer forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dit soort delicten versterkt de in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid.

Niet alleen bij de nabestaanden van slachtoffer 1 en bij slachtoffer 2 zijn gevoelens van angst veroorzaakt, ook heeft de verdachte maatschappelijke gevoelens van onveiligheid en onrust versterkt.

Voorts is ten aanzien van de verdachte het bezit van een vuurwapen en de daarbij behorende munitie bewezen verklaard, evenals opzetheling van een rijbewijs en schuldheling van een tomtom. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor een drugsdeal.

Wat de rechtbank de verdachte zéér zwaar aanrekent is dat hij meteen na het zien van de worsteling zijn wapen heeft getrokken, heeft gericht en is gaan schieten. Alle betrokkenen bevonden zich op dat moment in een smalle gang en dicht bij elkaar. Schieten in deze situatie moest wel desastreuze gevolgen met zich meebrengen.

Het kennelijke gemak waarmee de verdachte in deze zaak is omgegaan met het bezit en gebruik van een vuurwapen wordt uitermate zorgwekkend geacht. Die zorg wordt nog versterkt door het gegeven dat de verdachte nog een ander vuurwapen thuis had liggen. De feiten tonen bovendien aan tot welke ernstige gevolgen illegaal wapenbezit kan leiden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen het op naam van de verdachte gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 25 juli 2008.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: slachtoffer 2, wonende te adres, terzake van feit 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 1.254,-, een voorschot op de schadevergoeding wegens lichamelijk letsel en immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,-. Tevens wordt een vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand gevorderd.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schade¬vergoeding gedeeltelijk genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering deels worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment worden vastgesteld op € 5.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag als voorschot zal worden toegewezen. De materiële schade die de benadeelde partij heeft geleden is vastgesteld op

€ 250,- ter zake de aanschaf van vervangende kleding. Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij die betrekking heeft op gederfde inkomsten en de vergoeding voor de kosten rechtsbijstand (p.m.) zijn onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal daarin in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 45, 47, 57, 287, 416 en 417 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair (de moord op slachtoffer 1) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair (de doodslag op slachtoffer 1), 2 (de poging tot doodslag op slachtoffer 2), 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 (tien) jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- wijst de vordering van de benadeelde partij ter zake kleding en het voorschot op schadevergoeding wegens lichamelijk letsel en immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 5.250,- en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan slachtoffer 2, wonende te adres te betalen € 5.250,- (zegge: vijfduizend-tweehonderdenvijftig euro);

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft de overige gevorderde schadevergoeding wegens lichamelijk letsel en immateriële schadevergoeding. Dit deel zal slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft de gederfde inkomsten en de kosten voor de rechtsbijstand en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 5.250,- (zegge: vijfduizendtweehonderdenvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 61 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van den Hurk, voorzitter,

en mrs. Van der Stroom en Lablans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Bussel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2009.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 1 mei 2009:

TEKST TENLASTELEGGING / TEKST NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd slachtoffer 1 van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het hoofd en/of in het lichaam van die Slachtoffer 1 afgevuurd,

tengevolge waarvan voornoemde slachtoffer 1 is overleden;

(artikelen 47 en 289/287 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en\of zijn medader(s) voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of

geld, geheel of ten dele toebehorende aan slachtoffer 2 , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- die slachtoffer 1 heeft/hebben gevraagd, althans aangeboden om de auto van verdachte en/of zijn mededader(s) te (laten) volgen en/of

- die slachtoffer 1 heeft/hebben meegevraagd, althans meegenomen naar (een gang in een kelder van) een flat aan adres,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die slachtoffer 1, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- tonen en/of voorhouden van een pistool, althans een vuurwapen aan die slachtoffer 1 en/of

- tonen en/of voorhouden van een (rambo)mes aan die slachtoffer 1 en/of

- met dat/een mes steken en/of snijden in een hand van die slachtoffer 1 en/of

- met dat/een pistool, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het hoofd

en/of in het lichaam van die slachtoffer 1 af te vuren,

terwijl het feit de dood van die slachtoffer 1 tengevolge heeft gehad;

(artikel 45, 47 en 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade e, althans opzettelijk en persoon genaamd slachtoffer 2 van het leven te beroven

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, een kogel in de buik, althans in het lichaam, van die slachtoffer 2

heeft afgevuurd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikelen 45, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medader(s) voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of

geld, geheel of ten dele toebehorende aan slachtoffer 2, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- die slachtoffer 2 heeft/hebben gevraagd, althans aangeboden om de auto van verdachte en/of zijn mededader(s) te (laten) volgen en/of

- die slachtoffer 2 heeft/hebben meegevraagd, althans meegenomen naar (een gang in een kelder van) een flat aan de adres,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die slachtoffer 2, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- tonen en/of voorhouden van een pistool, althans een vuurwapen aan die slachtoffer 2 en/of

- met dat/een pistool, althans een vuurwapen, één of meer kogel(s) in het buik, althans het lichaam van die slachtoffer 2 af te vuren,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten een inschotwond in de buik en/of een breuk van een wervel in de onderrug en/of een breuk in de bekkenkom en/of een beschadiging van de urinebuis en/of een perforatie van de dunne darm) voor die slachtoffer 2 ten gevolge heeft gehad;

(artikel 45, 47 en 312 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks periode van 10 mei 2008 tot en met 24 juli 2008 te

Rotterdam

(een) goed(eren), te weten een rijbewijs (op naam van aangever), heeft

verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die

goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf,

verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 07 juli 2008 tot en met 24 juli 2008 te

Rotterdam

(een) goed(eren), te weten een tomtom navigatiesysteem, heeft verworven en/of

heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans

redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk

door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis van het Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 24 juli 2008 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet

wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°

van die wet in de vorm van een pistool van het merk Makarov, type PM, kaliber

9x18 millimeter, voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo 55 van de Wet wapens en munitie)

6.

hij op of omstreeks 24 juli 2008 te Rotterdam

munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te

weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie

III, te weten

- 13 kogelpatronen, kaliber 7.65 Br, en/of

- 2 kogelpatronen, kaliber 6.35 Br, en/of

- 3 kogelpatronen, kaliber .9 millimeter Luger,

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo 55 van de Wet wapens en munitie)

7.

hij op of omstreeks 10 juli 2008 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken

van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of

te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die

feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om

daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen te verschaffen,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

- twee, althans een, perso(o)n(en), te weten slachtoffer 1 en/of slachtoffer 2,

rijdende in een auto met een Frans kenteken aangesproken met de vraag of die

slachtoffer 1 en/of die slachtoffer 2 drugs wilden kopen, en/of

- (vervolgens) die slachtoffer 1 en/of die slachtoffer 2 in die auto met Frans kenteken de

auto, waarin hij, verdachte en/of zijn mededader reden, laten volgen naar

een flat aan de adres, en/of

- met die slachtoffer 1 en/of die slachtoffer 2 dat flat aan de adres zijn

binnengegaan en/of (vervolgens) in een gang waar de kelderboxen van dat

flat gelegen zijn, die heroïne en/of cocaïne aan die slachtoffer 1 en/of die

slachtoffer 2 getoond;

(artikel 10a van de Opiumwet)