Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI3346

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/ 1899 WWB-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft (wederom) een werkstage in het kader van arbeidsintegratie voortijdig beëindigd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser gedurende een maand met 50% verlaagd. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van vooringenomenheid van verweerder, evenmin slaagt het verweer betreffende dwangarbeid of verplichte arbeid in de zin van het EVRM en het IVBPR, evenals het beroep op artikel 13 ESH.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/1899 WWB-T2

Uitspraak in het geding tussen

(naam) , wonende te x, eiser,

gemachtigde mr. (naam), advocaat te x,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 26 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 8 november 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de uitkering van eiser krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 15 november 2007 voor de duur van één maand met 50% verlaagd.

Eiser heeft bij brief van 5 mei 2008 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting ter zitting van 2 februari 2009, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en - namens verweerder - x.

2 Overwegingen

Eiser ontvangt een bijstandsuitkering krachtens WWB naar de norm voor een alleenstaande, aangevuld met een toeslag van 20%.

In het kader van re-integratie op de arbeidsmarkt heeft eiser op 23 maart 2007 een trajectplan getekend bij de Service Dienst Werk (SDW). Op eigen verzoek is eiser op 12 april 2007 voor het vervullen van de werkstage geplaatst bij x. Deze stage is niet goed verlopen en door (naam) beëindigd.

Nadat dit met hem is besproken, is eiser vervolgens geplaatst bij x. Uit de voortgangsrapportage van SDW van augustus 2007 blijkt dat eiser bij x verschillende werkzaamheden uitvoert, zoals de afdeling bruingoed in de winkel, verkoop van meubelen en kassawerkzaamheden. Omdat de werk- en trajectbegeleider eiser langer willen observeren met betrekking tot zijn inzet en samenwerking met collega’s, is geadviseerd om de werkstage te verlengen met 10 weken tot het maximum van 26 weken. Op 7 augustus 2007 heeft de klantmanager Sociale Zaken & Werkgelegenheid de gevraagde toestemming voor verlenging van de stage verleend.

Bij brief van 8 oktober 2007 heeft eiser aangegeven dat hij dit traject omstreden acht en het tot nader order niet hervat.

Bij besluit van 8 november 2007 heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn uitkering vanaf 15 november 2007 op grond van artikel 8, derde lid, onder c en artikel 9, aanhef en onder c van de Maatregelenverordening (naam) 2004 (hierna: Maatregelenverordening), gedurende één maand wordt verlaagd met 100% (inclusief eventuele toeslag), omdat eiser niet of onvoldoende meewerkt aan activiteiten om zijn kansen op werk te vergroten. Op grond van eisers persoonlijke situatie heeft verweerder het percentage gematigd naar 50% van de bijstandsnorm.

Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd.

In beroep heeft eiser aangevoerd - kort samengevat - dat de maatregel met vooringenomenheid en ten onrechte is opgelegd. Volgens eiser draagt de werkstage bij x niet bij aan arbeidsinschakeling omdat het ongeschoold werk betreft en eiser niet ongeschoold is en werkervaring heeft. Eiser heeft gesteld dat hij zich uitermate heeft ingezet om aan het werk te komen, hij inmiddels ook werk heeft en dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar zijn capaciteiten en mogelijkheden om uit te stromen naar reguliere arbeid. Verweerder legt volgens eiser te weinig nadruk op een duurzame re-integratie op de reguliere arbeidsmarkt. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat door het opleggen van de maatregel, er sprake is van dwangarbeid, dan wel verplichte arbeid, hetgeen in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Tot slot is de maatregel naar de opvatting van eiser in strijd met artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Indien deze verplichting niet of onvoldoende wordt nagekomen dient verweerder op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand te verlagen overeenkomstig de gemeentelijke verordening, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In artikel 8, derde lid en onder c van de Maatregelenverordening - voor zover thans van belang - is bepaald dat het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de WWB, een gedraging betreft van de derde categorie, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.

Bij een gedraging van de derde categorie wordt volgens het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder c, van de Maatregelenverordening de maatregel vastgesteld op 100% van de bijstandnorm gedurende een maand, onverminderde het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening. In dit artikellid is bepaald dat een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

De werkstage bij x dient aangemerkt te worden als een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b, van de WWB. Vaststaat dat eiser de werkstage voortijdig heeft beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit gedrag van eiser terecht gekwalificeerd als het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 8, derde lid en onder c van de Maatregelenverordening.

Voor zover eiser met zijn stelling, dat de aangeboden werkzaamheden gelet op zijn opleiding en ervaring niet kunnen bijdragen tot het vinden van een betaalde baan, beoogt te betogen dat hem niet kan worden verweten dat hij de op hem rustende verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet is nagekomen, kan de rechtbank dat niet volgen. Uit de stukken blijkt dat eiser al sedert 1 augustus 1989 een bijstandsuitkering ontvangt, dat hem vanaf 1991 diverse mogelijkheden en opleidingen met het oog op arbeidsintegratie zijn aangeboden, dat hij nooit langer dan 2 jaar losse baantjes heeft gehad en dat zijn laatste stage bij x in 2007 is mislukt. Uit het maatregelrapport van 15 oktober 2007 blijkt dat eiser (nogmaals) is uitgelegd dat het belang van het afmaken van de werkstage is gelegen in de omstandigheid dat eiser ruim 18 jaar een bijstandsuitkering ontvangt en hij werkervaring en arbeidsritme dient op te doen. Daarnaast is het doel van de stage om gedrags- en houdingsaspecten aan te leren ten behoeve van een succesvolle arbeidsrelatie, aspecten die hebben geleid tot het mislukken van de stage bij x. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat het opdoen van werkervaring en het aanleren van vaardigheden bij x, zoals verweerder stelt, voor eiser noodzakelijk was voor het uiteindelijk vinden en behouden van reguliere arbeid. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het traject bij x onzorgvuldig en met vooringenomenheid tot stand is gekomen.

Voorts overweegt de rechtbank dat er geen sprake is van dwangarbeid of verplichte arbeid in de zin van artikel 4, tweede lid, van het EVRM en artikel 8, derde lid, van het IVBPR. In het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 23 november 1983 (Van der Mussele vs België, appl. No.8919/80) is onder meer overwogen dat van dwangarbeid slechts sprake kan zijn wanneer degene die de arbeid moet verrichten daartoe fysiek of psychisch wordt gedwongen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. In dat verband overweegt de rechtbank dat bedreiging met een maatregel weliswaar belastend moet worden geacht, echter niet zodanig dat daardoor een (psychische) dwang kan ontstaan tot het verrichten of continueren van de werkstage.

Gelet op het beoogde doel van de werkstage - uitstroom naar reguliere arbeid - is er ook geen sprake van verplichte arbeid in de zin van de hiervoor genoemde verdragsbepalingen. Daarvan zou sprake kunnen zijn wanneer eiser gedurende langere tijd op straffe van verlaging van zijn uitkering werkzaamheden had moeten verrichten waarvan volstrekt duidelijk was dat deze voor hem geen enkele positieve invloed op re-integratie op de reguliere arbeidsmarkt zouden kunnen hebben. Een dergelijke situatie is in het onderhavige geval niet aan de orde.

Eisers beroep op artikel 13 van het ESH faalt, omdat deze bepaling niet kan worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet (Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2007, LJN: BB5687).

Gelet op het voorgaande en nu eiser gewezen is op de gevolgen van het niet meewerken aan het re-integratietraject, was verweerder gehouden de bijstand te verlagen.

Nu namens eiser ook overigens niets is aangevoerd dat kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.