Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2844

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
01-05-2009
Zaaknummer
257603 / HA ZA 06-791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stilzwijgende aanvaarding algemene voorwaarden; wettelijke (handels)rente; terugkomen eindbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 257603 / HA ZA 06-791

Uitspraak: 29 april 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. H.T. Kernkamp,

- tegen -

de vennootschap naar buitenlands recht DEAD SEA MAGNESIUM LTD,

gevestigd te Tel Aviv (Israël),

gedaagde,

advocaat mr. H.R. Postma.

Partijen blijven hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "DSM".

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 mei 2008 en de daaraan ten grondslag liggende

processtukken;

- akte na tussenvonnnis aan de zijde van [eiseres], met productie;

- antwoordakte na tussenvonnis aan de zijde van DSM.

2. De verdere beoordeling

2.1

De rechtbank zal allereerst ingaan op de na tussenvonnis van 18 juli 2007 door DSM in haar antwoordakte d.d. 10 oktober 2007 onder 4 aan de orde gestelde punten, waarover reeds het een en ander in voornoemd tussenvonnis is overwogen.

2.1.1

Het oordeel van de rechtbank als opgenomen onder 4.6 in voornoemd tussenvonnis dat de algemene voorwaarden geacht moeten worden door DSM stilzwijgend te zijn aanvaard, is een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing. Anders dan DSM kennelijk meent, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een juridische misslag, zodat geen reden is op deze beslissing terug te komen. Ter verduidelijking van en in aanvulling op de motivering daarvan overweegt de rechtbank nog als volgt.

Zoals onder 4.5 en 4.6 van voornoemd tussenvonnis is overwogen, heeft de rechtbank relevant geacht dat partijen jaren lang zaken met elkaar hebben gedaan en [eiseres] honderden facturen per jaar aan DSM heeft verzonden, waartegen DSM nimmer bezwaar heeft gemaakt (zie o.a.: HR 19-12-1997, NJ 1998/271). Met betrekking tot de verwijzing naar meerdere sets algemene voorwaarden heeft de rechtbank onder 4.6 van voornoemd tussenvonnis overwogen dat per soort werkzaamheden is aangegeven welke algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Onder 4.9 en 4.10 is vastgesteld dat de litigieuze opdrachten zien op expeditie, zodat [eiseres] een beroep toekomt op de Fenex-voorwaarden. Een en ander impliceert dat de rechtbank van oordeel is dat de situatie dat meerdere sets algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard zonder dat op enigerlei - voor de wederpartij begrijpelijke en niet onredelijk bezwarende - wijze is aangegeven of nader is geregeld welke van die sets in het gegeven geval van toepassing zijn (zie o.a.: HR 28-11-1997, NJ 1998/75), zich in het onderhavige geval niet voordoet.

De daarnaast door DSM nog aangevoerde omstandigheden dat DSM een buitenlandse partij is zonder kennis van het Nederlandse recht en werkzaam is in een andere branche, zijn onvoldoende om aan een stilzwijgende aanvaarding van deze voorwaarden in de weg te staan. DSM is een professionele internationaal opererende onderneming die bedacht moet zijn op de toepasselijkheid van algemene voorwaarden.

2.1.2

Het verweer van DSM dat een beroep op de algemene voorwaarden door [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is in voornoemd tussenvonnis niet uitdrukkelijk aan de orde geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verweer echter evenmin slagen.

Voorop staat dat bij commerciële relaties extra terughoudendheid is geboden bij een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (zie o.a. HR 15-10-2004, NJ 2005/141). DSM heeft ter nadere onderbouwing van haar beroep verwezen naar de hiervoor onder 2.1.1 reeds vermelde omstandigheden die naar zij meent in de weg staan aan de stilzwijgende aanvaarding van de algemene voorwaarden. Andere feiten of omstandigheden die - indien bewezen - zouden kunnen leiden tot het oordeel dat een beroep van [eiseres] op de in artikel 2 van de algemene voorwaarden opgenomen bepaling omtrent tariefsverhoging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht moet worden, heeft zij niet gesteld en daarvan is evenmin gebleken. Reeds daarom faalt dit verweer.

2.1.3

De conclusie moet zijn dat er geen redenen zijn terug te komen op de onder 4.12 van voornoemd tussenvonnis gegeven eindbeslissing dat de vordering tot betaling van de hoofdsom ten bedrage van € 73.766,40 dient te worden toegewezen.

2.2

De rechtbank komt thans toe aan de akten van partijen als genomen na het tussenvonnis van 28 mei 2008. Bij dit tussenvonnis heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de voor het eerst bij antwoordakte d.d. 10 oktober 2007 door DSM opgeworpen weren met betrekking tot de gevorderde handelsrente. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

2.2.1

Naar DSM heeft betoogd en door [eiseres] niet is weersproken, dateert de tussen partijen gesloten overeenkomst van vóór 8 augustus 2002. Dit betekent dat op de onderhavige overeenkomst uit hoofde van artikel II van de implementatiewet van 7 november 2002 tot uitvoering van de richtlijn 2000/35/EG, waarmee de artikelen 6:119a en 6:120 lid 2 BW inzake de handelsrente zijn ingevoerd, het recht van toepassing is gebleven zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet. De door DSM verschuldigde rente dient daarom te worden bepaald aan de hand van artikel 6:119 jo artikel 120 lid 1 BW. [eiseres] heeft de gevorderde rente bij akte na het tussenvonnis van 28 mei 2008 dan ook conform (her)berekend. Een en ander leidt er toe dat het onder 4.13 in het tussenvonnis van 18 juli 2007 opgenomen oordeel dat de wettelijke handelsrente is verschuldigd, berust op een onjuiste grondslag, zodat dit niet in stand kan blijven. In plaats daarvan heeft te gelden dat de vordering tot betaling van wettelijke rente uitsluitend toewijsbaar is op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 lid 1 BW.

2.2.2

De door DSM krachtens artikel 6:119 BW verschuldigde rente tot 5 juli 2005 bedraagt conform de door [eiseres] opgestelde en door DSM niet betwiste berekening € 3.315,98.

Anders dan door DSM nog is betoogd, is zij ook over de periode na 5 juli 2005 wettelijke rente verschuldigd, nu de vermindering van eis door [eiseres] bij akte d.d. 14 juni 2006 slechts ziet op de per juli 2005 verschuldigde bedragen en in redelijkheid niet zo kan worden begrepen dat daarbij bedoeld is af te zien van de bij dagvaarding gevorderde rente vanaf 5 juli 2005.

2.3

De gevorderde buitengerechtelijke kosten en administratiekosten zijn - overeenkomstig hetgeen in rechtsoverweging 4.14 van het tussenvonnis van 18 juli 2007 reeds is overwogen - slechts toewijsbaar tot een gematigd bedrag van € 1.788,-.

De daarover gevorderde rente zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat deze kosten zijn voldaan.

2.4

DSM zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt DSM om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 78.860,38 (zegge: achtenzeventigduizendachthonderdzestig euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel artikel 6:120 lid 1 BW over € 77.082,38 vanaf 5 juli 2005 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt DSM in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 2.545,- aan vast recht, op € 71,32 aan overige verschotten en op € 4.263,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1515