Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2837

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
01-05-2009
Zaaknummer
299372 / HA ZA 08-167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Directe actie artikel 7:954 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 299372 / HA ZA 08-167

Uitspraak: 18 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

- tegen -

de besloten vennootschap ERASMUS VERZEKERINGEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als “[eiseres]” en afzonderlijk als “[eiser 1]” respectievelijk “[eiseres 2]”. Gedaagde wordt hierna aangeduid als “Erasmus”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 8 januari 2008 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met productie;

- conclusie van dupliek.

1.2 Op grond van artikel 7:954 lid 6 BW is [de curator] als curator in het faillissement van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) opgeroepen in onderhavig geding te verschijnen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 8 november 1999 is met [eiser 1] een bevrachtingsovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan hij het aan hem in eigendom toebehorende binnenchip “Coja” vervracht heeft voor vervoer van een lading van ongeveer 630.018 mt consumptierijst (hierna: de lading) van Schiedam naar Wormerveer. Deze bevrachtingsovereenkomst wordt beheerst door de Bevrachtingsvoorwaarden 1991 (hierna: Bvvw).

2.2 De lading was afkomstig van het zeeschip de “Sweder” en maakte deel uit van een grote partij rijst die door dit zeeschip vanuit Suriname was aangevoerd. Op 9 november 1999 is de lading in de “Coja” geladen.

2.3 De partij rijst was ter bestrijding van ongedierte behandeld met fosforwaterstof (ook wel genaamd fosfine). [eiser 1] was hiermee niet bekend. Deze bestrijding vindt plaats door op de lading tabletten te strooien waaruit de fosforwaterstof in de vorm van gas vrij komt. Fosforwaterstof is een zeer gevaarlijk gif. Iedere inademing – ook van kleine hoeveelheden – dient te worden vermeden.

2.4 Bij het laden van de lading in de “Coja” is fosforwaterstof in de ruimen en vervolgens in de woonverblijven terecht gekomen. [eiser 1] en [eiseres 2] waren zich daarvan niet bewust; zij zijn aan het vrijgekomen gas blootgesteld en hebben dit geïnhaleerd. Zij kregen vervolgens klachten als misselijkheid, sufheid, hoofdpijn en voelden zich onwel worden.

2.5 Hierna is een medewerker van [bedrijf 1] die als controleur monsters van de partij rijst had genomen en toestemming had gegeven om de lading te lossen in het ruim van de “Coja”, gewaarschuwd. Deze constateerde een sterke gaslucht in het ruim van de “Coja” en heeft een gasdeskundige van Holland Fumigation, [persoon 1] ingeschakeld. Uit haar meting bleek dat in de lading een grote concentratie fosforwaterstof aanwezig was, te weten meer dan 100 ppm. De maximaal aanvaarde concentratie fosforwaterstof bedraagt 0,3 ppm.

2.7 Gezien de uitslag van voormelde meting zijn alle overslagwerkzaamheden gestaakt en zijn de politie en de havenautoriteiten gewaarschuwd. Op last van het bevoegd gezag werd de omgeving geëvacueerd en zijn er diverse veiligheidsmaatregelen genomen.

2.8 Nadat [eiser 1] en de Wijs van boord waren geëvacueerd, zijn zij per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. [eiser 1] en [eiseres 2] hadden hoofdpijnklachten, voortdurende dorst, keelpijn en hartkloppingen. Na enkele uren observatie zijn zij uit het ziekenhuis ontslagen.

2.9 [eiseres] hebben [bedrijf 1] aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade. [bedrijf 1] heeft deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Zij heeft aan [eiseres] – zonder erkenning van aansprakelijkheid – een bedrag van € 2.924,07 betaald als tegemoetkoming in de kosten.

2.10 [eiseres] hebben vervolgens [bedrijf 1] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Op 30 juni 2004 heeft de rechtbank Rotterdam in de hoofdzaak vonnis gewezen en geoordeeld dat [bedrijf 1] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade. De rechtbank heeft vervolgens een bedrag ad € 1.011,82, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.389,67 vanaf 9 november 1999 tot en met 22 maart 2000 en over € 1.011,82 vanaf 23 maart 2000 toegewezen. Voorts is [bedrijf 1] veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Verder werd [bedrijf 1] veroordeeld in de proceskosten ad € 1.023,96. Dit vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.11 [bedrijf 1] heeft niet aan voormeld vonnis voldaan en heeft hoger beroep ingesteld. Tijdens de appelprocedure is het faillissement van [bedrijf 1] uitgesproken in verband waarmee de procedure is geschorst. De curator [de curator] te Rotterdam heeft inmiddels verklaard dat hij de procedure niet zal voortzetten.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Erasmus te veroordelen:

- tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade ad € 1.011,82, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, welke het gevolg is van de blootstelling aan fosfine op 9 november 1999, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- tot vergoeding van de wettelijke rente over een bedrag ad € 4.389,67 vanaf 9 november 1999 tot en met 22 maart 2000, te vermeerderen met wettelijke rente;

met veroordeling van Erasmus in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [bedrijf 1] is krachtens artikel 13 Bvvw dan wel uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de materiële en immateriële schade die [eiseres] hebben geleden als gevolg van belading van de “Coja” met de lading met een te hoog fosfinegehalte.

3.2 Erasmus was de aansprakelijkheidsassuradeur van [bedrijf 1]. Nu [bedrijf 1] failliet is, hebben [eiseres] er belang bij om Erasmus rechtstreeks aan te spreken op grond van artikel 7:954 BW.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

Erasmus heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Niet Erasmus is risicodrager, doch Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V.

4.2 Nu gezien het hiervoor onder 2.9 vermelde vaststaande feit reeds voor 1 januari 2006 een uitkering is gedaan aan [eiseres], is op grond van artikel 221 Overgangswet Nieuw BW artikel 7:954 BW niet van toepassing en komt [eiseres] geen bevoegdheid toe om rechtstreekse betaling van de verzekeraar te vorderen.

4.3 Er is noch sprake van wanprestatie, noch van onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] jegens [eiseres] Voorts wordt de omvang en de hoogte van de gevorderde schade betwist.

5 De beoordeling

5.1 Erasmus heeft allereerst aangevoerd dat niet zij, doch Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V risicodrager is. Zij heeft in dit verband terecht gewezen op artikel 3:20 Wet op het financieel toezicht, welk artikel bepaalt dat een verzekeraar met een zetel in Nederland de rechtsvorm van naamloze vennootschap, onderlinge waarborgmaatschappij of Europese vennootschap moet hebben. Om praktische redenen heeft Erasmus zich echter niet beroepen op niet-ontvankelijkheid, nu het voor haar van begin af aan duidelijk was dat [eiseres] beoogde Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V. in rechte te betrekken.

[eiseres] hebben vooralsnog volhard in hun stelling dat Erasmus de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf 1] was. Het komt de rechtbank geraden voor een comparitie van partijen te gelasten teneinde dit punt met partijen te bespreken.

5.2 Tussen partijen is voorts in geschil of [eiseres] een directe actie krachtens artikel 7:954 BW toekomt. Erasmus heeft betoogd dat dit, gezien artikel 221 lid 6 van de Overgangswet Nieuw BW, niet het geval is.

De rechtbank verwerpt dit verweer van Erasmus, daartoe het volgende overwegende.

Lid 6 van artikel 221 Overgangswet Nieuw BW luidt als volgt:

“Artikel 954 van Boek 7 is niet van toepassing voorzover een uitkering vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is voldaan.”

In de memorie van toelichting op dit artikellid staat het volgende vermeld:

“Ook de directe actie (…) leent zich voor toepassing op lopende verzekeringen. Dit is slechts anders voorzover de verzekeraar reeds vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet de uitkering heeft voldaan. De verzekeraar moet er in dat geval immers op kunnen vertrouwen dat hij de uitkering bevrijdend aan de verzekerde heeft betaald. Lid 6 houdt daarmee rekening. Dit betekent dat een benadeelde voorzover de schade nog niet is afgewikkeld ook rechtstreekse betaling kan verlangen ter zake van een schadevoorval dat heeft plaatsgevonden vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet. De positie van de verzekeraar wordt immers in die situatie niet verzwaard. (…)”.

Gesteld noch gebleken is dat in onderhavig geval verzekeraar aan [eiseres] dan wel [bedrijf 1] een uitkering heeft gedaan. Vast staat voorts dat de schade die [eiseres] stellen te hebben geleden nog niet is afgewikkeld. Hieruit volgt dat artikel 221 lid 6 van de Overgangswet Nieuw BW niet aan toepassing van artikel 7:954 BW in de weg staat.

5.3 Tussen partijen is vervolgens in geschil of er sprake is van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] jegens [eiseres] en voorts de omvang en de hoogte van de gevorderde schade. Hieromtrent heeft de rechtbank reeds een beslissing genomen in haar vonnis van 30 juni 2004, hiervoor vermeld onder 2.10. Weliswaar was Erasmus dan wel Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V., daarbij geen formele procespartij, doch [eiseres] hebben onbetwist gesteld dat de verzekeraar wel als materiële procespartij in dat geding is opgetreden en namens [bedrijf 1] verweer heeft gevoerd. Het komt de rechtbank geraden voor op de te gelasten comparitie tevens met partijen te bespreken welke betekenis voormeld vonnis in onderhavige zaak dient te hebben.

5.4 Nu ter comparitie slechts juridische punten aan de orde zullen worden gesteld en de rechtbank zich kan voorstellen dat het voor [eiser 1] en [eiseres 2] belastend is om ter comparitie te verschijnen, is hun aanwezigheid ter zitting niet vereist.

5.5 Iedere overige beslissing wordt aangehouden in afwachting van de comparitie.

6 De beslissing

De rechtbank,

beveelt partijen, eisers in persoon en gedaagde deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Fiege, op maandag 12 mei 2009 van 9.30 tot 11.00 uur teneinde als hiervoor vermeld onder 5.1 en 5.3.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204