Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2828

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
10/756227-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Economische zaak. De verdachte rechtspersoon wordt verweten te hebben gehandeld in strijd met het Arbeidsomstandighedenbesluit 1998. Door haar nalatig handelen heeft de verdachte rechtspersoon veroorzaakt dat een werknemer door een draaiende boorstang is gegrepen, waardoor het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen, aan welk letsel het slachtoffer is overleden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte rechtspersoon ernstig is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van haar medewerkers bij het uitvoeren van de hun opgedragen werkzaamheden en legt de verdachte rechtspersoon terzake een geldboete op van 20.000 euro.

Wetsverwijzingen
Arbeidsomstandighedenwet 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/756227-08

Datum uitspraak: 1 april 2009

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige economische strafkamer, in de zaak tegen de verdachte vennootschap:

[verdachte vennootschap],

gevestigd aan de [adres], [woonplaats],

op de terechtzitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger].

raadsman mr. M.L. Groen, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Sleeswijk Visser heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte vennootschap tot een geldboete van € 35.000,--.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat slechts volstaan is met het verwijt dat een doeltreffende instructie achterwege is gelaten en dat verdachte rechtspersoon in strijd met artikel 3:17 Arbeidsomstandighedenbesluit heeft gehandeld, zodat de dagvaarding niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Dit verweer wordt verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank omschrijft de tenlastelegging op de hier aan de orde zijnde punten op voldoende feitelijke wijze de aan verdachte rechtspersoon verweten handelingen. De verdachte rechtspersoon heeft, in de persoon van haar vertegenwoordiger, ter terechtzitting blijk gegeven te begrijpen wat haar in die dagvaarding wordt verweten en zij heeft zich daartegen kunnen verdedigen en zich ook verdedigd.

Ook voor de rechtbank is de tenlastelegging voldoende feitelijk.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij, voorheen genaamd [eerdere naam verdachte vennootschap], op 4 oktober 2005 te [plaats], in elk geval in Nederland, als werkgeefster in de zin van artikel 1 van de

Arbeidsomstandighedenwet 1998, die door haar werknemer(s) arbeid deed verrichten op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 van de genoemde Wet, zijnde tevens een bouwplaats als bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, bestaande die arbeid uit het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een nieuwe watertransportleiding in strijd met het in artikel 32 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) gestelde verbod handelingen heeft nagelaten in strijd met genoemde wet of de daarop rustende bepalingen door toen en daar in strijd met artikel 5 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) als werkgever na te laten bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt aangezien het gevaar te worden gegrepen door en/of bekneld te raken in draaiende onderdelen en/of draaiende apparatuur niet door haar, verdachte, in een risico inventarisatie en evaluatie was vastgelegd

en

in strijd met artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) na te laten ervoor te zorgen dat haar op de bouwplaats aanwezige en/of werkende werknemer(s) doeltreffend was/waren ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's en over de door haar genomen maatregelen (die erop gericht waren om de risico's op de arbeidsplaats/bouwplaats te voorkomen en/of te beperken)

en

in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit na te laten ervoor te zorgen dat het gevaar om bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan werd voorkomen en indien dat niet mogelijk was, zoveel mogelijk werd beperkt; zulks terwijl hierdoor, naar zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemer(s) ontstond of te verwachten was, zijnde zij, verdachte, de rechtsopvolgster van [eerdere naam verdachte vennootschap].

(artikel 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1998)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte vennootschap moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Op 4 oktober 2005 heeft er op een bouwlocatie te [plaats] een ongeval plaatsgevonden waarbij de kleding van [slachtoffer] door een draaiende boorstang is gegrepen, waardoor het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen, aan welk letsel het slachtoffer is overleden.

Blijkens de wetsgeschiedenis staat in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van werknemers in verband met de arbeid centraal. In artikel 32 van deze wet is een algemene zorgplicht opgenomen die zich tot de werkgever richt. De werkgever wordt verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of daarop rustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer medewerkers ontstaat of te verwachten is.

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 legt de werkgever bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers.

Ingevolge Artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze risico's te voorkomen of te beperken.

Ingevolge artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.

Door de raadsman van de verdachte vennootschap is, onder verwijzing naar het Verslag Ongevalsonderzoek [plaats] ([datum]), aangevoerd dat ingevolge artikel 1, eerste lid sub a 1? van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, de verdachte vennootschap geen werkgever was van het slachtoffer omdat het slachtoffer was uitgeleend aan [vennootschap 2] zodat zij reeds hierom vrijgesproken dient te worden.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier en de behandeling ter zitting blijkt dat tussen [slachtoffer] en verdachte rechtspersoon een arbeidsrelatie bestond. Dat wil zeggen dat werkzaamheden werden verricht krachtens een arbeidsovereenkomst, zodat sprake was van werkgever en werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid sub a 1? van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, hetgeen eveneens blijkt uit de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte rechtspersoon [vertegenwoordiger] van 25 november 2005.

De stelling dat het slachtoffer ten behoeve van het project in [plaats] ter beschikking is gesteld van [vennootschap 2] (een onderdeel van [vennootschap 3]), die de boringswerkzaamheden uitvoerde en derhalve was uitgeleend in de zin van artikel 1, eerste lid, sub a 1? van de Arbeidsomstandighedenwet, volgt de rechtbank niet nu deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Het door de verdediging aangehaalde verslag zegt zulks niet met zoveel woorden, terwijl voorts de juistheid van de door de verdediging geponeerde stelling niet uit enig ander stuk blijkt.

Zelfs in het geval het slachtoffer uitgeleend zou zijn aan [vennootschap 2] zou de verdachte rechtspersoon ingevolge artikel 1, eerste lid, sub a 2° van de Arbeidsomstandighedenwet zijn aan te merken als werkgever. Het verweer dat de verdachte rechtspersoon ten opzichte van het slachtoffer geen werkgever is als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, treft derhalve geen doel.

Namens de verdachte rechtspersoon is voorts aangevoerd dat, kort gezegd, de door haar gegeven veiligheidsinstructies en getroffen veiligheidsmaatregelen wel degelijk doeltreffend en adequaat zijn geweest. De raadsman bepleit derhalve vrijspraak.

Dit verweer wordt eveneens verworpen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het proces-verbaal van de Arbeidsinspectie van 4 mei 2006 en de daarbij behorende bijlagen komt naar voren dat verdachte rechtspersoon in strijd met het gestelde in bovengenoemde artikelen heeft gehandeld.

Gebleken is immers dat de drie bij de te verrichten boorwerkzaamheden betrokken personen onervaren waren met deze werkzaamheden; dat de werkinstructies die door de voorman Visser mondeling zijn gegeven aan deze personen, niet schriftelijk waren vastgelegd en dat door de verdachte rechtspersoon de toezichthoudende taken van de betreffende voorman niet formeel waren geregeld. Voorts is gebleken dat het proces van koppelen van de boorstangen met een draaiende boor en boorstangen gebeurde, zonder dat de boorstangen waren afgeschermd. Tevens waren er geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat het slachtoffer in aanraking kon komen met de draaiende boorstang. Na het ongeval bleken deze maatregelen op betrekkelijk eenvoudig wijze gerealiseerd te kunnen worden.

De verdachte rechtspersoon erkent dat de ten tijde van het ongeval geldende risico-inventarisatie en -evaluatie niet waarschuwde voor het gevaar gegrepen te worden door draaiende delen.

De getuige [getuige] heeft weliswaar ter terechtzitting verklaard dat hij meerdere malen gedurende zeker drie dagen mondeling veiligheidinstructies aan betrokkenen heeft gegeven, doch dit neemt niet weg dat de verdachte rechtspersoon de plicht heeft deze instructies schriftelijk vast te leggen en erop toe te zien dat de veiligheidsinstructies daadwerkelijk worden gegeven. Niet is gebleken dat dit is gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte rechtspersoon ernstig tekort is geschoten in het geven van doeltreffende en adequate instructies en dit te veel heeft overgelaten aan de welwillendheid van de individuele medewerker.

Met betrekking tot de vraag of door de thans bewezen verklaarde schending van de in voornoemde artikelen besloten liggende zorgplichten levensgevaar dan wel ernstige schade voor de gezondheid van werknemers is ontstaan dan wel te verwachten was, overweegt de rechtbank dat gezien het voorgaande dit genoegzaam is gebleken, zodat sprake was van een gevaarsituatie in de zin van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet 1998.

De rechtbank overweegt voorts dat aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte rechtspersoon niet af doet dat het ongeval zou zijn ontstaan door onvoorzichtigheid van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat – zelfs al zou sprake zijn van enige vorm van eigen schuld van het slachtoffer, wat geenszins vaststaat - dit niet in de weg staat aan het toerekenen aan de verdachte vennootschap van de vastgestelde tekortkomingen op het gebied van te nemen voorzorgsmaatregelen en te stellen eisen van veiligheid.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen ten laste is gelegd.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 32, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 begaan door een rechtspersoon.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte rechtspersoon is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte rechtspersoon wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de draagkracht van de verdachte rechtspersoon. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte rechtspersoon heeft door haar nalatig handelen veroorzaakt dat een werknemer door een draaiende boorstang is gegrepen, waardoor het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen, aan welk letsel het slachtoffer is overleden.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte rechtspersoon ernstig is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van haar medewerkers bij het uitvoeren van de hun opgedragen werkzaamheden. Een werkgever is verplicht om de omstandigheden in en om het bedrijf voor werknemers, zo veilig mogelijk te maken. Werknemers moeten er op kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden voldoende maatregelen zijn genomen om hun veiligheid en welzijn in verband met de arbeid te waarborgen. Dit staat los van de eigen verantwoordelijkheid die werknemers hebben op het gebied van de veiligheid.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 20 februari 2009 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, doch de rechtbank rekent het de verdachte rechtspersoon aan dat een eerder plaatsgevonden bedrijfsongeval dat ook een dodelijke afloop kende, kennelijk onvoldoende aanleiding is geweest om adequate maatregelen te treffen op het gebied van veilige werkomstandigheden.

Alles afwegend wordt na te noemen geldboete passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Na het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 23 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

- veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000 (zegge: TWINTIGDUIZEND euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Boven, voorzitter,

en mrs. De Vreede en Van Ginneken, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Kandemir-Akkal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 april 2009.

De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van [verdachte vennootschap]. d.d. 1 april 2009.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij, voorheen genaamd [eerdere naam verdachte vennootschap] , op of omstreeks 4 oktober 2005 te [plaats], in elk geval in Nederland, als werkgeefster in de zin van artikel 1 van de

Arbeidsomstandighedenwet 1998, die door haar werknemer(s) arbeid deed verrichten op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 van de genoemde Wet, zijnde tevens een bouwplaats als bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, bestaande die arbeid uit het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een nieuwe watertransportleiding in strijd met het in artikel 32 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) gestelde verbod (een) handeling(en) heeft verricht en/of heeft nagelaten in strijd met genoemde wet of de daarop rustende bepalingen door toen en daar in strijd met artikel 5 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) als werkgever na te laten bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt aangezien het gevaar te worden gegrepen door en/of bekneld te raken in draaiende onderdelen en/of draaiende apparatuur niet door haar, verdachte, in de/een risico inventarisatie en evaluatie was vastgelegd

en/of

in strijd met artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (1998) na te laten ervoor te zorgen dat haar op de bouwplaats aanwezige en/of werkende werknemer(s) doeltreffend was/waren ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en/of de daaraan verbonden risico's en/of over een/de door haar genomen maatregel(en) (die erop gericht waren om de risico's op de arbeidsplaats/bouwplaats te voorkomen en/of te beperken)

en/of

in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit na te laten ervoor te zorgen dat het gevaar om bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan werd voorkomen en indien dat niet mogelijk was, zoveel mogelijk werd beperkt; zulks terwijl hierdoor, naar zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemer(s) ontstond of te verwachten was, zijnde zij, verdachte, de rechtsopvolgster van [eerdere naam verdachte vennootschap].

(artikel 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1998)