Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2791

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
296267/ HA ZA 07-2927
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht. Ook al zijn eiser en gedaagde beide in Nederland gevestigd, hun rechtsverhouding heeft een internationaal karakter omdat deze grensoverschrijdend vervoer betreft en tussen partijen over dat transport tevens een procedure in Italië aanhangig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010, 10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 296267/ HA ZA 07-2927

Uitspraak: 22 april 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres]

gevestigd te Oldenzaal,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. O.E. Meijer,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.T.G. TRADING B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. B.S. Janssen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CCBB ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.J. Langelaar,

3. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging

LIMONI SRL,

gevestigd te Bentivoglio, Italië,

gedaagde,

mr. A.J. van Steenderen,

4. de vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging

CASTINGHOME GMBH,

gevestigd te Düsseldorf, Duitsland,

gedaagde,

mr. A.J. van Steenderen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHECKPOINT EXPORT B.V.,

gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,

gedaagde,

niet verschenen,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHECKPOINT PARFUMS B.V.,

gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,

gedaagde,

niet verschenen,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

F.C.T. INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als:

“[eiseres]” waar eiseres in de hoofdzaak wordt bedoeld;

"JTG" waar gedaagde sub 1, eiseres in het incident wordt bedoeld;

“CCBB” waar gedaagde sub 2 wordt bedoeld;

“Limoni” waar gedaagde sub 3 wordt bedoeld;

“Castinghome” waar gedaagde sub 4 wordt bedoeld;

“Checkpoint” waar gedaagde sub 5 wordt bedoeld;

“F.C.T.” waar gedaagde sub 7 wordt bedoeld.

1 Het verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 27 juli 2007, met internationale betekeningstukken;

- akte overlegging producties door [eiseres], met drie producties;

- incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens incidentele conclusie tot aanhouding dan wel verwijzing van JTG, met vier producties;

- incidentele conclusie van antwoord, met twee producties;

- incidentele conclusie van repliek, met twee producties;

- incidentele conclusie van dupliek, met twee producties.

1.2

In deze beslissing wordt alleen het geschil in het incident tussen [eiseres] en JTG behandeld.

2 De vaststaande feiten in het incident

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen [eiseres] en JTG - voor zover voor de beslissing in het incident van belang - het volgende vast:

2.1

JTG heeft op of omstreeks 17 juli 2007 een partij parfum van Castinghome gekocht. JTG heeft aan CCBB opdracht gegeven tot het vervoer over de weg van deze zending parfum van Bentivoglio, Italië naar Farmsum, Nederland. CCBB heeft dit vervoer uitbesteed aan [eiseres]. Voor dit transport van Italië naar Nederland is een vrachtbrief met nummer 664564 d.d. 24 juli 2007 opgemaakt.

2.2

Het vervoer is op 24 juli 2007 in Italië aangevangen. Op 25 juli 2007 bleek na een overnachting door de chauffeur op een parkeerplaats in de omgeving van Bologna dat een gedeelte van de zending parfum verdwenen was.

2.3

Op 27 juli 2007 heeft JTG jegens [eiseres] en CCBB een procedure bij het gerecht te Bologna, te Italië, aanhangig gemaakt. Op dezelfde datum is de onderhavige procedure ingeleid.

3 De vordering in de hoofdzaak en de vorderingen en het verweer in het

incident.

vordering in de hoofdzaak

3.1

De vordering van [eiseres] luidt dat de rechtbank bij vonnis voor recht verklaart:

primair: dat gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 3 en/of gedaagde sub 4 en/of gedaagde sub 5 en/of gedaagde sub 6 en/of gedaagde sub 7 in een eventuele schadevordering jegens [eiseres] niet ontvankelijk zijn;

subsidiair: dat [eiseres] niet aansprakelijk is jegens gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 3 en/of gedaagde sub 4 en/of gedaagde sub 5 en/of gedaagde sub 6 en/of gedaagde sub 7 ter zake van de transportschade met betrekking tot de zending parfum van Italië naar Nederland ter aflevering aan gedaagde sub 1 onder vrachtbrief d.d. 24 juli 2007;

meer subsidiair: dat [eiseres] niet verder aansprakelijk is jegens gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 3 en/of gedaagde sub 4 en/of gedaagde sub 5 en/of gedaagde sub 6 en/of gedaagde sub 7 dan tot het verschuldigde blijkens artikel 23 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, gesloten te Geneve op 19 mei 1956 (hierna: CMR) daaronder niet vallende de invoerrechten/ accijnzen/BTW en/of overige douanerechten, welke door ladingbelanghebbenden mogelijk verschuldigd zijn geworden of zullen worden als gevolg van de diefstal van de parfum;

met veroordeling van gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 en/of gedaagde sub 3 en/of gedaagde sub 4 en/of gedaagde sub 5 en/of gedaagde sub 6 en/of gedaagde sub 7 in de kosten van het geding, uit te spreken bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.2

[eiseres] heeft aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat zij op grond van artikel 17 lid 2 CMR niet aansprakelijk is voor de schade die is geleden in verband met de verdwijning van een aantal pallets met parfum.

Subsidiair stelt [eiseres] dat zij niet aansprakelijk is voor een hoger bedrag dan de beperking zoals deze volgt uit artikel 23 CMR, te bepalen naar de SDR-koers van de dag van betaling. De op de zending parfum rustende invoerrechten c.q. accijnzen zijn geen kosten die onder artikel 23 lid 4 CMR voor rekening van vervoerder [eiseres] komen zodat het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid aanzienlijk lager is dan de waarde van de verdwenen zaken met de invoerrechten c.q. accijnzen.

de vorderingen en het verweer in het incident

3.3

JTG vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vordering van [eiseres] kennis te nemen, althans dat de rechtbank de procedure zal aanhouden totdat duidelijk is dat de eerste procedure leidt tot een in de tweede staat uitvoerbare beslissing, althans dat de procedure zal worden aangehouden totdat de Italiaanse rechter over haar bevoegdheid heeft geoordeeld, dan wel tot verwijzing naar de bevoegde Italiaanse rechter, zijnde de Tribunale Bologna, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.4

JTG legt aan haar incidentele vorderingen de stelling ten grondslag dat over hetzelfde onderwerp met dezelfde oorzaak tussen JTG en onder meer [eiseres] op een eerder tijdstip een procedure aanhangig is gemaakt bij het gerecht te Bologna, zodat de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 31 lid 2 CMR haar uitspraak dient aan te houden totdat duidelijk is dat de Italiaanse procedure leidt tot een in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de litispendentie niet aan de hand van de CMR maar aan de hand van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-Vo) beoordeeld moet worden, dient de rechtbank de zaak aan te houden op grond van artikel 27 Brussel I-Vo.

Subsidiair stelt JTG, voor zover geoordeeld zou worden dat geen sprake is van een vordering omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen in de zin van artikel 31 lid 2 CMR jo. artikel 27 Brussel I-Vo, dat sprake is van vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

3.5

[eiseres] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in het incident met veroordeling van JTG in de kosten.

4 De beoordeling

in het incident

bevoegdheid

4.1

Het beroep op onbevoegdheid is door JTG in haar eerste processtuk, derhalve tijdig gedaan. JTG doet beroep op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

4.2

Allereerst zal vastgesteld moeten worden of de rechtsverhouding tussen [eiseres] en JTG van internationale aard is dan wel dat deze een Nederlandse, interne aangelegenheid betreft.

Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een internationale rechtsverhouding. Weliswaar zijn zowel [eiseres] als JTG in Nederland gevestigd, maar gelet op de omstandigheid dat de zending parfum door [eiseres] in Italië ten vervoer in ontvangst is genomen en afgeleverd diende te worden in Nederland en nu in verband met de verdwijning van (een gedeelte van) de zending parfum een procedure bij het gerecht te Bologna, Italië, aanhangig is, heeft deze zaak voldoende internationale aspecten om van een internationale rechtsverhouding te kunnen spreken.

4.3

Wegens het internationale karakter, met name de tussen partijen aanhangige procedure bij het gerecht in Bologna, valt de rechtsverhouding tussen [eiseres] en JTG onder het toepassingsbereik van de Brussel I-Vo.

Tussen [eiseres] en JTG is niet in geschil dat de CMR - al dan niet via artikel 28 CMR - op hun rechtsverhouding van toepassing is.

Er is derhalve sprake van samenloop van de Brussel I-Vo en de CMR.

4.4

In artikel 71 Brussel I-Vo is bepaald dat die verordening onverlet laat een verdrag dat ten aanzien van een bijzonder onderwerp de rechterlijke bevoegdheid en/of de erkenning en tenuitvoerlegging regelt. De CMR, waarbij zowel Italië als Nederland partij zijn, regelt het bijzondere onderwerp van het grensoverschrijdende wegvervoer en bevat regels inzake de rechterlijke bevoegdheid. De samenloopbepaling van artikel 71 Brussel I-Vo sluit de toepassing van die verordening ten gunste van de CMR slechts uit in de gevallen die de CMR regelt en niet in de gevallen die dat verdrag niet regelt; vgl. HvJEG 6 december 1994, NJ 1995, 659 - "Tatry".

4.5

Op grond van artikel 31 lid 1 CMR kunnen rechtsgedingen waartoe een aan dat verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:

“a. de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of

b. de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen.[..]”

4.6

Nu de vordering van [eiseres] aan de CMR onderworpen vervoer betreft, JTG haar “hoofdzetel” in Dordrecht heeft en de plaats bestemd voor de aflevering van de partij parfum in Farmsum is gelegen, heeft de Nederlandse rechter ingevolge artikel 31 lid 1 CMR rechtsmacht.

4.7

JTG heeft op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank geen beroep gedaan, zodat de rechtbank ingevolge artikel 110 Rv bevoegd is om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen.

litispendentie

4.8

Vervolgens komt aan de orde de vraag of, zoals JTG vordert, aanhouding of verwijzing dient te volgen wegens de procedure tussen dezelfde partijen bij het gerecht te Bologna over het zelfde onderwerp.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van [eiseres] tegen JTG in de onderhavige hoofdzaak en die van JTG tegen [eiseres] voor het gerecht in Bologna hetzelfde onderwerp hebben.

4.9

In artikel 31 lid 2 CMR is bepaald:

“Wanneer in een rechtsgeding, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, een vordering aanhangig is voor een volgens dat lid bevoegd gerecht, of wanneer in een zodanig geding door een zodanig gerecht een uitspraak is gedaan, kan geen nieuwe vordering omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen worden ingesteld, tenzij de uitspraak van het gerecht, waarvoor de eerste vordering aanhangig is gemaakt, niet vatbaar is voor de tenuitvoerlegging in het land, waarin de nieuwe vordering wordt ingesteld.”

Blijkens de tekst van artikel 31 lid 2 CMR gaat het om eventuele niet-ontvankelijkheid van een later ingestelde vordering. Of [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering voor deze rechtbank hangt af van het antwoord op de vraag of die vordering eerder aanhangig was dan die voor het gerecht te Bologna.

4.10

In de CMR is niet geregeld vanaf welk tijdstip een vordering aanhangig is. Dit is wel geregeld in afdeling 9 van de Brussel I-Vo. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder 4.4 is overwogen, zal de rechtbank aan de hand van die bepalingen onderzoeken op welk tijdstip de onderhavige vordering aanhangig was. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat een verdrag als de CMR autonoom en waar dat niet mogelijk is aan de hand van een internationale regeling die in de betreffende landen (in deze zaak Nederland en Italië) van kracht is, dient te worden uitgelegd.

De enkele omstandigheid dat eiser en verweerder in Nederland zijn gevestigd, brengt niet mee dat daarom geen aansluiting bij afdeling 9 van de Brussel I-Vo gezocht kan worden.

Ook de omstandigheid dat de betekening van de dagvaarding volgens Nederlands intern recht is verricht brengt niet mee dat de Brussel I-Vo niet van toepassing kan zijn.

4.11

Artikel 30 aanhef en lid 2 Brussel I-Vo luidt als volgt:

“Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht [..]

2. Indien het stuk betekend of meegedeeld moet worden voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving het stuk ontvangt, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.”

In het onderhavige geval was er geen andere “autoriteit” betrokken dan de deurwaarder in Nederland. Daarom is in deze zaak de deurwaarder in Nederland “de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of de kennisgeving”

4.12

[eiseres] heeft als productie 2 bij incidentele conclusie van antwoord in het geding gebracht het faxbericht van het kantoor van haar advocaat aan deurwaarderskantoor Wouters waarin het verzoek staat de dagvaarding per direct te betekenen aan JTG. Voorts heeft zij bij deze productie een “Overzicht bevestigingen” overgelegd waarop dat faxbericht aan de deurwaarder verkleind is afgedrukt en bij “starttijd” staat vermeld: “27-JUL-2007 10:25 VR”, bij “verstreken tijd”: “02’47” en bij “resultaten”: “[OK]”.

De rechtbank acht het gelet op dat faxbericht en dat overzicht voldoende aannemelijk dat de deze procedure inleidende dagvaarding op 27 juli 2007 om 10.25 uur is gezonden aan de deurwaarder en dat deze de dagvaarding op die datum enkele minuten later heeft ontvangen. Daarom is de onderhavige procedure aanhangig in de zin van artikel 30 lid 2 Brussel I-Vo vanaf 27 juli 2007, omstreeks 10.28 uur.

Weliswaar heeft JTG betwist dat de deurwaarder de fax op dat tijdstip heeft ontvangen, maar nu zij geen enkele feitelijke onderbouwing van haar betwisting heeft gegeven is die betwisting onvoldoende.

4.13

Tussen partijen is niet in geschil dat de door JTG in Italië uitgebrachte dagvaarding bij het gerecht te Bologna op 27 juli 2007 om 11.00 uur aanhangig is gemaakt.

Derhalve is de onderhavige procedure bij deze rechtbank, die vanaf 27 juli 2007 omstreeks 10.28 uur aanhangig is, eerder aanhangig geworden dan die bij het gerecht te Bologna.

4.14

De uitzondering van artikel 31 lid 2 CMR (“tenzij de uitspraak van het gerecht, waarvoor de eerste vordering aanhangig is gemaakt, niet vatbaar is voor de tenuitvoerlegging in het land, waarin de nieuwe vordering wordt ingesteld”) doet zich niet voor.

4.15

De conclusie is dat de aanhangigheid van de vordering van JTG bij het gerecht te Bologna niet meebrengt dat [eiseres] in haar vordering bij deze rechtbank niet kan worden ontvangen ingevolge artikel 31 lid 2 CMR.

4.16

JTG heeft voorts aangevoerd dat haar vordering tot schadevergoeding aanhangig gemaakt bij het gerecht te Bologna voorrang behoort te krijgen boven die van [eiseres] tot een verklaring voor recht bij deze rechtbank. Die stelling gaat niet op.

Het gaat hier - onbetwist - om vorderingen over en weer omtrent "hetzelfde onderwerp" in de zin van artikel 31 lid 2 CMR. Het begrip "hetzelfde onderwerp" is in de CMR niet nader beschreven. Dat begrip "hetzelfde onderwerp" komt overeen met de term in artikel 27 Brussel I-Vo. Het HvJEG heeft bij uitspraak van 6 december 1994, NJ 1995, 659 - "Tatry" geoordeeld dat een vordering tot schadevergoeding "hetzelfde onderwerp" (in de zin van de voorloper van artikel 27 Brussel I-Vo) betreft als de spiegelbeeldige vordering tot verklaring voor recht dat de aangesproken partij niet aansprakelijk is. Voorrang tussen zodanige vorderingen heeft het HvJEG daarbij niet bepaald. Het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof heeft bij uitspraak van 17 februari 2006, European Transport Law 2006, blz. 561, onder verwijzing naar de uitspraak van het HvJEG in de Tatry-zaak geoordeeld, dat voor de toepassing van de litispendentieregeling van artikel 31 lid 2 CMR moet worden aangenomen dat een vordering tot schadevergoeding hetzelfde onderwerp heeft als een vordering tot een verklaring voor recht van niet-aansprakelijkheid voor die schade, eveneens zonder aanduiding van enige voorrang tussen zodanige vorderingen. De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 28 november 2008, NJ 2008, 623 vooralsnog achter die beslissing van het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof geschaard, behoudens andersluidende beantwoording van de in dat arrest aan het HvJEG voorgelegde vraag.

De rechtbank concludeert daarom dat voor de door JTG gestelde voorrang geen plaats is.

4.17

Het subsidiair door JTG gevorderde behoeft gelet op het hiervoor overwogene geen behandeling meer.

4.18

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank de incidentele vorderingen van JTG afwijzen en JTG veroordelen in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak

4.19

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door JTG.

5 De beslissing

De rechtbank,

in het incident

wijst af de vordering van JTG;

veroordeelt JTG in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op nihil aan vast recht en overige verschotten en op € 904,- aan salaris voor de advocaat;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 3 juni 2009 voor het nemen van een conclusie van antwoord door JTG.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1295/1928/901