Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2762

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
308656 / HA ZA 08-1419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht; inhoud overeenkomst; oneigenlijke dwaling; ontbreken duidingswil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 308656 / HA ZA 08-1419

Uitspraak: 22 april 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Ruinen,

eiseres,

advocaat mr. A. Grollé,

- tegen -

[gedaagde],

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Jacobs.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 30 mei 2008 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met productie;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde], een adviesbureau voor strategie, positionering en communicatie, heeft [eiseres], een uitgeverij, opdracht gegeven om in het kader van de promotiecampagne “Ervaar Zeeland”, hierna: de campagne, een huis-aan-huis beurskrant te verspreiden en om in de Watersport Krant, een regionale informatiekrant voor watersporters, promotiemateriaal met betrekking tot de campagne op te nemen.

2.2 De Watersport Krant verschijnt in de zomer maandelijks in vier verschillende regio’s in Nederland. Iedere regio kent een eigen uitgave van de Watersport Krant.

2.3 Over de inhoud van de opdrachten hebben [gedaagde] en [eiseres] per e-mail gecorrespondeerd. Op 12 januari 2007 schrijft [eiseres] onder meer aan [gedaagde]:

“Hierbij zend ik u een aangepast voorstel voor de productie van de Huis aan Huis Beurskrant ten behoeve van de twee Zeeuwse watersportbeurzen in combinatie met de promotie van Zeeland via de landelijke editie van de Watersport Krant.

Voorstel productie Zeeuwse Beurskrant

[…]

Landelijke campagne

In combinatie met het bovenstaande kan ik voor de landelijke campagne de volgende aanbieding doen:

In de komende zomernummers van de watersportkrant 12 hele pagina’s (vier uitgaven x 3 regio’s) voor de prijs van 750 euro per pagina waarbij per hele pagina elke keer een halve pagina redactioneel gratis. Normale staffelprijs per pagina is 920 euro.”

Op 15 januari 2007 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] in reactie op de e-mail van 12 januari 2007 onder meer:

“Na overleg met betrokkenen kan ik u meedelen dat zij akkoord gaan met uw laatste voorstel als onderstaand. Wellicht is het raadzaam dat u op korte termijn met hen in contract treedt om e.e.a. te concretiseren. Ik vertrouw erop u met mijn “bemiddeling” van dienst te zijn geweest.”

Op 1 februari 2007 schrijft [eiseres] onder meer aan [gedaagde]:

“ Als bijlage stuur ik de nader uitgewerkte offerte voor de productie van de Zeeland krant waarin de wensen van alle partijen zijn meegenomen.

In alle vorige voorstellen was ook de landelijke campagne meegenomen in combinatie met de huis aan huis krant. Daar hebben we het verder niet uitdrukkelijk over gehad, maar ik ben wel benieuwd of we deze campagne en de krant blijven koppelen? Door deze combinatie kan ik de genoemde zeer scherpe pagina prijs neerleggen. Ik heb het gewoon laten staan in de offerte, maar desgewenst kunnen we dat ook loskoppelen.

Ik ga er van uit dat project Ervaar Zeeland, oftewel [gedaagde], optreedt als contractspartij.

Als de offerte akkoord is voor alle partijen, dan stuur ik u per post een overeenkomst in tweevoud.”

De bijgevoegde offerte vermeldt onder meer:

“Offerte productie Zeeuwse Beurskrant

Offerte voor de productie van de Huis aan Huis beurskrant ten behoeve van de twee Zeeuwse watersport beurzen in combinatie met de promotie van Zeeland via de landelijke editie van de Watersport Krant.

[…]

Facturering van de productie zal geschieden aan het project Ervaar Zeeland. Betalingsconditie binnen 30 dagen, alle genoemde bedragen zijn exclusief 19% btw.

Op al onze overeenkomsten zijn onze leveringsvoorwaarden van toepassing (exemplaar bijgesloten).

[…]

Landelijke campagne Ervaar Zeeland

In de komende zomernummers van de watersportkrant 12 hele pagina’s (vier uitgaven x 3 regio’s) voor de prijs van 750 euro per pagina waarbij per hele pagina elke keer een halve pagina redactioneel gratis. Normale staffelprijs per pagina is 920 euro.”

2.4 [gedaagde] heeft voor de eerste (mei 2007) en tweede (juni 2007) editie van de Watersport Krant redactionele kopij aan [eiseres] geleverd. In deze edities is door [eiseres] in vier regionale uitgaven anderhalve pagina promotiemateriaal met betrekking tot de campagne geplaatst.

2.5 [eiseres] heeft [gedaagde] op 9 mei 2007 een factuur gestuurd ad € 3.570,00 inclusief BTW, onder vermelding van onder meer:

“Advertentie ruimte Watersport Krant Zomereditie, juni, 4 edities, full color, 1 ½ pagina conf offerte.”

[eiseres] heeft [gedaagde] op 18 juni 2007 een factuur gestuurd ad € 3.570,00 inclusief BTW, onder vermelding van onder meer:

“Advertentie ruimte Watersport Krant nr 5, edities Noord Nederland, Zuid Nederland, Noord- en Zuid Holland en IJsselmeer Waddenzee, 1 ½ pagina full color per editie, overeenkomstig offerte.”

De bedragen zijn door [gedaagde] niet betaald.

2.6 [eiseres] heeft in de augustus editie van de Watersport Krant in vier regionale uitgaven anderhalve pagina materiaal met betrekking tot de campagne geplaatst. [gedaagde] heeft voor deze editie geen redactionele kopij aangeleverd.

2.7 [eiseres] heeft [gedaagde] voor de augustus editie van de Watersport Krant op 28 augustus 2007 een factuur gestuurd ad € 3.570,00 inclusief BTW. Het bedrag is door [gedaagde] niet betaald.

3 De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 11.781,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 10.710,00 vanaf 21 september 2007 alsmede met de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Met betrekking tot de Watersport Krant is met [gedaagde] overeengekomen dat zij twaalf pagina’s voor de prijs van € 750,00 per pagina zou afnemen. Ook werd afgesproken dat [eiseres] zes pagina’s redactionele kopij gratis zou plaatsen, dat wil zeggen een halve pagina per krant. In eerste instantie zou [eiseres] voor dit bedrag in vier edities in drie regio’s een pagina advertenties plaatsen. Later is afgesproken dat [eiseres] in drie edities in vier regio’s een pagina advertenties zou plaatsen.

3.2 [eiseres] is haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst nagekomen. Ook [gedaagde] dient de overeenkomst integraal na te komen en de in de facturen van 9 mei 2007, 18 juni 2007 en 28 augustus 2007 genoemde bedragen, in totaal € 10.710,00 inclusief BTW, zijnde twaalf pagina’s à € 750,00 exclusief BTW, aan [eiseres] te betalen.

3.3 [eiseres] heeft [gedaagde] op 14 september 2007 gesommeerd tot betaling van de openstaande vordering. Hierop is door [gedaagde] niet gereageerd.

3.4 De overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 1.071,00 exclusief verrekenbare BTW.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] danwel afwijzing van haar vordering voor zover deze het bedrag van € 1.500,00 te boven gaat, met veroordeling van [eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Primair stelt van [gedaagde] zich op het standpunt dat de offerte niet de (uiteindelijke) afspraken tussen partijen weergeeft en dat partijen de afspraken nadien nader hebben ingevuld. De betrokken partijen bij het project ‘Ervaar Zeeland’ zijn slechts akkoord gegaan met de offerte voor wat betreft de productie van de Zeeuwse Beurskrant. Met betrekking tot de Watersport Krant moet de offerte slechts gezien worden als een eerste aanzet voor een opdracht en niet als een definitieve overeenkomst.

4.2 Subsidiair stelt van [gedaagde] dat sprake is van oneigelijke dwaling als bedoeld in artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het was de bedoeling/wil van [gedaagde] dat zij

€ 750,00 per uitgave zou betalen en dat er vier uitgaven zouden worden gemaakt. Het totaalbedrag zou hiermee komen op € 3.000,00 exclusief BTW. Er is sprake van een misverstand tussen partijen, nu [gedaagde] de overeenkomst zodanig heeft uitgelegd dat er voor één pagina ad € 750,00 in vier uitgaven (totaal € 3.000,00) opdracht is gegeven, terwijl [eiseres] is uitgegaan van één pagina ad € 750,00 voor vier uitgaven in elk drie versies (totaal € 9.000,00). De wil om € 9.000,00 te betalen ontbrak bij [gedaagde]. Nu sprake is van het ontbreken van een werkelijke wil, leidt dit tot een toestand van oneigelijke dwaling, die de totstandkoming van de overeenkomst verhindert.

4.3 [eiseres] komt bovendien geen beroep toe op het gerechtvaardigde vertrouwen als bedoeld in artikel 3: 35 BW. De opdracht betrof niet de plaatsing van advertenties maar de plaatsing van een redactionele bijdrage van anderhalve pagina. [gedaagde] heeft nooit advertentietarieven ontvangen van [eiseres]. Een bedrag van € 750,00 per pagina (met een halve pagina redactionele kopij gratis) per nummer is voor een redactionele bijdrage een aanvaardbare en gebruikelijke prijs.

4.4 [gedaagde] betwist dat opdracht is gegeven voor plaatsing in drie in plaats van in vier regionale uitgaven. Bovendien heeft [eiseres] slechts twee uitgaven overeenkomstig de afspraak met [gedaagde] uitgegeven. Voor de augustus editie heeft [eiseres] immers ongevraagd en zonder enig overleg dezelfde kopij gebruikt als voor de juni editie. Dit heeft voor de promotiecampagne zeer ongunstig uitgepakt, nu de evenementenbeschrijving in de agenda niet meer actueel was. Nu van [gedaagde] er vanuit mocht gaan dat was overeengekomen dat voor vier uitgaven met één pagina à € 750,00 in totaal € 3.000,00 zou worden betaald en [eiseres] slechts twee uitgaven conform de overeenkomst heeft uitgegeven, is [gedaagde] slechts gehouden tot betaling van € 1.500,00.

4.5 [gedaagde] betwist dat zij buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd. Primair stelt zij zich op het standpunt dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat dergelijke kosten zijn gemaakt, dat die kosten redelijk zijn en dat zij redelijkerwijze gemaakt mochten worden. Bovendien zijn eventuele kosten gemaakt ter instructie van de zaak. Subsidiair stelt [gedaagde] dat niet tussen partijen is overeengekomen dat de buitengerechtelijke incassokosten 10% van de hoofdsom bedragen. Indien [gedaagde] gehouden is tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, dient dit overeenkomstig het rapport Voorwerk II te worden beperkt tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief.

4.6 [gedaagde] betwist tot slot dat zij gehouden is tot betaling van wettelijke rente over een bedrag dat de door haar erkende € 1.500,00 te boven gaat, nu de vordering voor het overige moet worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1 Kern van het geschil betreft de vraag of partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] voor de plaatsing van materiaal betreffende de campagne in de Watersport Krant € 750,00 per pagina per regionale uitgave of per pagina in alle regionale uitgaven zou betalen.

Bovendien verschillen partijen van mening over de vraag of is overeengekomen dat materiaal betreffende de campagne in vier edities van drie regionale uitgaven of in drie edities van vier regionale uitgaven van de Watersport Krant zou worden geplaatst door [eiseres].

5.2 [eiseres] heeft ten aanzien van de prijs gesteld dat € 750,00 per pagina in één regionale uitgave is overeengekomen en heeft hiertoe verwezen naar de tekst van de offerte: “In de komende zomernummers van de Watersport Krant 12 hele pagina’s (vier uitgaven x drie regio’s) voor de prijs van 750 euro per pagina waarbij per hele pagina elke keer een halve pagina redactioneel gratis”.

[gedaagde] betwist dat de offerte voor wat betreft de Watersport Krant de (uiteindelijke) afspraken tussen partijen weergeeft, maar heeft deze betwisting niet voldoende onderbouwd. Zij heeft slechts gesteld dat zij alleen akkoord is gegaan met het gedeelte van de offerte betreffende de huis-aan-huis beurskrant en dat partijen de afspraken voor wat betreft de Watersport Krant (kennelijk) nadien nader hebben ingevuld. Het had echter op haar weg gelegen de rechtbank meer concrete informatie te verschaffen over welke nadere afspraken ten aanzien van de prijs zijn gemaakt en ter ondersteuning hiervan bescheiden over te leggen. Dit heeft [gedaagde] echter nagelaten, waardoor de rechtbank aan haar betwisting voorbij gaat.

De rechtbank neemt mitsdien als vaststaand aan dat de offerte voor wat betreft de prijs de (uiteindelijke) afspraken tussen partijen weergeeft, te weten dat [gedaagde] voor het plaatsen van materiaal betreffende de campagne in de Watersport Krant aan [eiseres]

€ 750,00 per pagina per regionale uitgave zou betalen.

5.3 De tekst van de offerte is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en niet voor een andere uitleg vatbaar dan dat zij leidt tot een bedrag van 12 x € 750,000= € 9.000. Het verweer van [gedaagde] dat er sprake is van oneigelijke dwaling van haar kant, nu het haar bedoeling/wil was dat zij voor de bijdrage van één pagina redactionele kopij aan de Watersport Krant € 750,00 per uitgave (de rechtbank begrijpt: per editie van verschillende regionale uitgaven) zou betalen, wordt om de volgende reden afgewezen.

Op verschillende wijzen kan het voorkomen, dat tussen wil en verklaring geen overeenstemming bestaat. Een der handelende partijen kan zich vergissen door een ander cijfer te noemen of te schrijven dan zij bedoelde of een uiting kan onjuist worden overgebracht door bode, telefax of e-mail of telegraaf. In deze gevallen, die wel worden samengevat onder de benaming oneigenlijke dwaling, dekt als gevolg van de bijzondere omstandigheid de verklaring niet de wil van de desbetreffende partij.

Hiervan onderscheiden wordt het geval waarin de wil is verklaard met gebruik van een dubbelzinnige uitdrukking. In dit geval wordt gesproken van het ontbreken van duidingswil. Als gevolg daarvan kan de verklarende partij met haar verklaring iets anders hebben bedoeld dan hetgeen de wederpartij heeft begrepen. De dubbelzinnigheid van de uitdrukking brengt mee dat zij zowel de wil van de verklarende partij als van haar wederpartij dekt en er sprake is van een misverstand. (zie Asser-Hartkamp 4-II, nr. 114).

Beide gevallen zijn in de onderhavige zaak niet aan de orde. Van een vergissing of het onjuist overbrengen van een uiting kan geen sprake zijn, nu de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen dat de offerte voor wat betreft de prijs de (uiteindelijke) afspraken tussen partijen weergeeft. [gedaagde] lijkt met haar verweer ook niet zozeer te doelen op de door haar niet gewilde verklaring, maar veeleer op de door haar niet gewilde betekenis die [eiseres] aan de verklaring heeft gehecht. Van het ontbreken van duidingswil kan echter ook geen sprake zijn. De zinsnede in de offerte die de afspraak met betrekking tot de prijs weergeeft, namelijk “12 hele pagina’s […] voor de prijs van 750 euro per pagina”, bevat immers geen uitdrukking waarmee [eiseres] iets anders kan hebben bedoeld dan [gedaagde] heeft begrepen. Hierbij wordt opgemerkt dat de tussen haakjes geplaatste tekst, te weten “vier uitgaven x drie regio’s” niet de prijsberekening, maar de wijze van verdeling van het te plaatsen materiaal over de verschillende edities en regionale uitgaven van de Watersport Krant betreft. Partijen zijn aldus overeengekomen dat [gedaagde] voor het plaatsen van 12 pagina’s materiaal in de Watersportkrant € 9.000,00 aan [eiseres] zou betalen.

5.4 Met betrekking tot de wijze van verdeling van het te plaatsen materiaal over de verschillende edities en regionale uitgaven van de Watersport Krant heeft [eiseres] gesteld dat zij niet - zoals was afgesproken in de offerte - in vier edities van drie regionale uitgaven, maar in drie edities van vier regionale uitgaven materiaal zou plaatsen. Volgens [eiseres] was er in eerste instantie voor gekozen het materiaal niet in de uitgave voor Zuid-Nederland te plaatsen omdat de campagne “Ervaar Zeeland” was opgezet om watersporters vanuit andere provincies naar Zeeland te trekken. Later is de heer Verhoef van [gedaagde] hierop teruggekomen, omdat de regionale uitgave Zuid-Nederland niet alleen in Zeeland, maar ook in Brabant, Limburg en een deel van België zou worden verspreid. [eiseres] stelt dat zij bewijsexemplaren van de regionale uitgaven heeft meegestuurd met de facturen en dat op de facturen was vermeld om welke regionale uitgaven het ging. [gedaagde] heeft volgens [eiseres] pas bezwaar gemaakt na ontvangst van de tweede factuur en dit bezwaar betrof slechts de prijs en niet de wijze van verdeling van de overeengekomen pagina’s.

[gedaagde] betwist dat genoemde nadere afspraak is gemaakt. Zij is steeds uitgegaan van de in de offerte vermelde afspraak van vier uitgaven in drie regio’s, zoals zou blijken uit haar e-mail van 26 juni 2007.

[gedaagde] heeft deze betwisting niet voldoende onderbouwd, nu zij slechts heeft gesteld dat op dit punt geen nadere afspraken zijn gemaakt, maar zij niet ingaat op de door [eiseres] aangevoerde argumenten. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om minimaal op het argument van [eiseres] in te gaan dat de heer Verhoef terugkwam op de gemaakte afspraak, nu de editie Zuid Nederland van de Watersport Krant niet alleen in Zeeland, maar ook in Brabant, Limburg en een deel van België zou worden verspreid. Dit heeft [gedaagde] echter nagelaten, waardoor de rechtbank aan haar betwisting voorbij gaat.

De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat partijen – in afwijking van de offerte – zijn overeengekomen in drie edities van vier regionale uitgaven van de Watersport Krant promotiemateriaal te plaatsen.

5.5 Nu de inhoud van de overeenkomst is vastgesteld, moet worden beoordeeld of [eiseres] aan de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan, op grond waarvan [gedaagde] het overeengekomen bedrag van € 9.000,00 aan [eiseres] dient te betalen.

5.6 Vaststaat dat [eiseres] in drie edities van vier regionale uitgaven anderhalve pagina (waarvan een halve pagina gratis) promotiemateriaal voor de campagne “Ervaar Zeeland” heeft geplaatst. Zij heeft hiermee aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst voldaan. Het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] alleen de edities van mei en juni 2007 overeenkomstig de overeenkomst heeft uitgegeven, nu [eiseres] voor de augustus editie ongevraagd en zonder enig overleg de kopij voor de juni editie heeft gebruikt, wordt verworpen. [eiseres] heeft [gedaagde] immers bij brief van 11 juli 2007 in de gelegenheid gesteld om nieuw materiaal aan te leveren voor de resterende plaatsingen en heeft daarbij aangegeven dat zij anders de laatst geplaatste pagina’s opnieuw zou plaatsen. [gedaagde] heeft hierop per e-mail van 15 juli 2007 geantwoord dat zij afziet van verdere medewerking aan het blad. Nu [gedaagde] heeft geweigerd redactionele kopij aan te leveren voor de augustus editie kan zij [eiseres] niet tegenwerpen dat niet de juiste kopij is gebruikt. Gelet op het voorgaande is [gedaagde] gehouden tot betaling van twaalf pagina’s (drie edities x vier regionale uitgaven) ad € 9.000,00. Dit bedrag ligt derhalve voor toewijzing gereed.

5.7 [gedaagde] betwist dat hij de door [eiseres] gevorderde BTW is verschuldigd, nu dit slechts contractueel zou zijn overeengekomen met betrekking tot het eerste deel van de offerte. Dit verweer wordt verworpen. Artikel 6:248 lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst niet slechts de rechtsgevolgen heeft die partijen zijn overeengekomen, maar ook die onder meer uit de aard van de overeenkomst en de gewoonte voortvloeien. In het economisch verkeer is het niet ongebruikelijk dat een partij in haar aanbod aan een ander bedrijf de prijzen exclusief BTW noemt en dat de BTW eerst bij de facturering wordt vermeld. Dit wordt aan [gedaagde] als zakelijke partij als bekend verondersteld, te meer nu in ten aanzien van de huis-aan-huis beurskrant ook over BTW is gesproken. [gedaagde] heeft na de ontvangst van de ontbrekende factuur ook niet geprotesteerd tegen de berekende BTW. Gezien deze omstandigheden kan [gedaagde] in redelijkheid niet betogen geen BTW verschuldigd te zijn omdat daarover bij het aangaan van de overeenkomst niet is gesproken.

5.8 Nu de overeenkomst een handelsovereenkomst betreft, zal over de hoofdsom ad

€ 10.710,00 inclusief BTW conform de vordering van [eiseres] de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf 21 september 2007.

5.9 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Nu [eiseres] niet heeft gesteld dat sprake is van dergelijke meeromvattende verrichtingen, moet - mede gelet op de betwisting van [gedaagde]- de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

5.10 [gedaagde] zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 10.710,00 (zegge: tienduizend zevenhonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW over dit bedrag vanaf 21 september 2007 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 306,00 aan vast recht, op € 71,80 aan overige verschotten en op € 904,00 aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vlaswinkel.

Uitgesproken in het openbaar.

2052/1401