Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2412

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
310511 / J1 RK 08-950 en 315377 / J1 RK 08-1367
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaardbaarheid gesloten plaatsing minderjarige ex art. 29b lid 3 WJZ in afwachting van plaatsing in behandelinstelling. Belang van duidelijkheid over voortgang van aanmelding bij een dergelijke instelling en zicht op daadwerkelijke plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 7 april 2009

Zaak-/rekestnummer: 310511 / J1 RK 08-950 en 315377 / J1 RK 08-1367

Beschikking in de zaak van:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, hierna: de raad,

en

de Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening Leger des Heils,

gevestigd te Rotterdam,

namens bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

hierna: de stichting,

met betrekking tot de minderjarigen:

[naam, geboortedatum en -plaats van kind 1] en [naam, geboortedatum en -plaats van kind 2],

kinderen van [naam vader] en van de met het gezag belaste ouder [naam moeder], wonende [adres].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 7 oktober 2008 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld tot 7 oktober 2009.

Bij tussenbeschikking van 19 januari 2009 is de machtiging om [naam kind 1] in de gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven verlengd tot 9 april 2009 en is de machtiging tot plaatsing van [naam kind 2] in een pleeggezin verlengd tot 9 april 2009.

De behandeling van de zaak is voor het overig verzochte aangehouden met als verzoek aan de stichting de kinderrechter de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek van [naam kind 1] te doen toekomen en met het verzoek aan de raad de kinderrechter de schriftelijke onderbouwing van het verzoek tot residentiële plaatsing met betrekking tot [naam kind 2] te doen toekomen.

Van de zijde van de stichting is een rapportage betreffende de uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek van [naam kind 1] d.d. 13 maart 2009 ingekomen.

Van de zijde van de raad is een fax ingekomen betreffende de schriftelijke onderbouwing van het verzoek tot residentiële plaatsing met betrekking tot [naam kind 2], d.d. 6 april 2009.

De zaak is behandeld op 7 april 2009.

Aan de minderjarige [naam kind 1] is als advocaat toegevoegd mr. Arema.

Tijdens de zitting waren tevens aanwezig mr. Pieterse, advocaat van moeder en mr. De Boorder-Gilsing, advocaat van vader.

De beoordeling

De gezinsvoogd verwijst ter zitting naar het psycho-diagnostisch onderzoek dat is afgenomen bij [naam kind 1]. Hierin staat dat het belangrijk is dat [naam kind 1] los komt van zijn directe omgeving en dat hij niet teruggeplaatst kan worden bij zijn moeder. Het is nodig dat hij behandeld wordt voor de gedragsproblematiek en hulp krijgt bij het verwerken van eerder seksueel misbruik. [Naam kind 1] is hiervoor aangemeld bij Den Hey-Acker. Naast de zorgen voor [naam kind 1] zijn er tevens zorgen over de ontwikkeling van [naam kind 2]. Zij heeft in een studioverhoor tegen de politie verteld dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen haar en [naam kind 1]. Hoewel hier geen bewijs voor is, neemt de stichting dit wel serieus. Daarnaast geeft de stichting aan dat [naam kind 2] onvoldoende veiligheid wordt geboden in de thuissituatie. [Naam kind 2] is aangemeld voor de Horizon.

Mr. Pieterse constateert dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden van de gronden voor het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Aanvankelijk was een burenruzie de aanleiding voor uithuisplaatsing van de minderjarigen. Nu is dat niet meer aan de orde en gaat het enkel over een vermoeden van seksueel contact tussen [naam kind 1] en [naam kind 2]. De maatregel verlengen op grond van enkel dit vermoeden zou onzorgvuldig zijn.

Mr. Pieterse geeft verder aan dat zij graag onderzoek wil laten doen naar het studioverhoor van [naam kind 2] omdat dit essentieel is voor de beslissing op het verzoek.

Mr. Gilsing voert ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing van [naam kind 1] ter zitting aan dat de vereiste stukken, waaronder het indicatiebesluit en de verklaring van de gedragswetenschapper, ontbreken. Dit zou naar haar mening primair moeten leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek en subsidiair tot afwijzing van het verzoek.

Inhoudelijk merkt zij op dat er een verslechtering is waar te nemen in het gedrag en de schoolprestaties van [naam kind 1] sinds de uithuisplaatsing en dat dit nu tegen hem gebruikt wordt om de gesloten plaatsing te rechtvaardigen en te handhaven. Tevens ziet zij evenals mr. Pieterse een verschuiving van de gronden voor het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Verder geeft zij aan dat gesloten plaatsing een laatste middel dient te zijn en dat in de rapportage ten aanzien van [naam kind 1] onvoldoende gemotiveerd wordt waarom behandeling binnen de reguliere setting niet tot de mogelijkheden behoort. Ook worden er in de rapportage onvoldoende alternatieven aangedragen.

Ten slotte beroept mr. Gilsing zich op een uitspraak van de rechtbank Maastricht (LJN: BD99996). Ook beroept mr. Gilsing zich op een uitspraak van het hof Arnhem (LJN: BD9745). Mr. Gilsing vraagt de rechtbank het verzoek betreffende [naam kind 1] af te wijzen en hem onmiddellijk in vrijheid te stellen.

Wat betreft het verzoek tot verlenging van de plaatsing van de minderjarige [naam kind 2] betreurt mr. Gilsing het feit dat de schriftelijke onderbouwing van de raad ver buiten de termijn is ingediend en de raad ook niet is verschenen om eventuele vragen te beantwoorden. Daar voegt zij aan toe dat de schriftelijke onderbouwing van het verzoek te mager is en onvoldoende concreet. Het wordt onvoldoende duidelijk hoe het op het moment met [naam kind 2] gaat.

Ook ten aanzien van [naam kind 2] vraagt mr. Gilsing afwijzing van het verzoek en onmiddellijke invrijheidstelling van de minderjarige.

Mr. Arema sluit zich aan bij haar collega's en wijst ook op het ontbreken van de vereiste stukken ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing van de minderjarige [naam kind 1]. Verder stelt zij zich op het standpunt dat het verzoek tot verlenging van de machtiging plaatsing nimmer mag worden verleend op grond van het seksueel misbruik tussen [naam kind 1] en [naam kind 2] omdat [naam kind 1] hier niet over is gehoord en het niet in rechte is komen vast te staan. Zij geeft aan dat [naam kind 1] lijdt aan gedragsproblemen en dat hij behandeling nodig heeft omdat hij seksueel misbruikt is in het verleden. Naar haar mening behoort ambulante behandeling voor de problematiek van [naam kind 1] tot de mogelijkheden. Tot slot laat zij weten dat [naam kind 1] graag terug naar huis zou willen.

De kinderrechter overweegt als volgt:

Ten aanzien van [naam kind 1]:

Allereerst moet worden geconstateerd dat [naam kind 1] ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is om te voorkomen dat hij zich zal onttrekken aan de zorg die hij nodig heeft of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Overduidelijk is dat [naam kind 1] gedragsmatig grote problemen heeft en dat hij ook te kampen heeft met de gevolgen van seksueel misbruik dat hij op jongere leeftijd heeft ondergaan. Daarvoor moet hij behandeling krijgen, wat de rechtbank betreft ook in een gesloten setting. Daartegen verzetten zijn ouders en ook [naam kind 1] zich met hand en tand. Aan de vereisten van artikel 29b lid 3 WJZ is dan ook gelet op het voorgaande voldaan. Uit de stukken en ter zitting is evenwel gebleken dat niet gezegd kan worden wanneer de behandeling, die [naam kind 1] zo hard nodig heeft, kan aanvangen. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat het na ruim 8 maanden verblijf in Het Poortje niet langer aanvaardbaar is om [naam kind 1] gesloten geplaatst te houden. Van de zijde van het Leger des Heils wordt juist in deze zaak verwacht dat zij voortvarend te werk gaat en min of meer concreet kan aangeven wanneer er met behandeling kan worden gestart. Het Leger des Heils heeft daarin -ook nadrukkelijk daarnaar gevraagd- geen enkel inzicht kunnen geven. In zo'n geval acht de rechtbank vrijheidsbeneming niet langer gerechtvaardigd.

Om een oordeel te kunnen vormen over het verzoek tot verlenging van de plaatsing van [naam kind 2] in een pleeggezin, gevolgd door plaatsing in een residentiële setting, dient eerst meer duidelijkheid verkregen te worden op de vraag of er seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen [naam kind 2] en haar broer [naam kind 1]. Hiertoe benoemt de kinderrechter een deskundige, te weten prof. dr. R. Bullens om het studioverhoor, dat is afgenomen bij [naam kind 2], te analyseren en de rechtbank te informeren. Tot duidelijkheid is verkregen, zal de uithuisplaatsing van [naam kind 2] worden verlengd zodat geen onnodig risico wordt genomen nu [naam kind 1] weer naar huis gaat.

De beslissing

Wijst af het verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing van de minderjarige [naam kind 1].

Verlengt met ingang van 9 april 2009 de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige [naam kind 2] in een pleeggezin, gevolgd door plaatsing in een residentiële setting, tot 7 oktober 2009.

En alvorens verder te beslissen:

Benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten: Prof. Dr. R. Bullens (hierna: de deskundige), van het Diagnostisch Expertise Centrum te Amsterdam, postbus 11516, 1001 GM Amsterdam.

Bepaalt dat de deskundige, partijen in de gelegenheid moet stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en daarvan doet blijken in het door de deskundige op te maken schriftelijk bericht.

Bepaalt dat het door de deskundige uit te brengen -ondertekende - bericht zo mogelijk voor 7 oktober 2009 zal worden ingeleverd ter griffie van deze rechtbank.

Bepaalt dat de griffier het procesdossier in afschrift aan de deskundige doet toekomen en dat het Leger des Heils de tapes en verslagen van het studioverhoor aan de deskundige zal doen toekomen en voorts alles wat de deskundige nog nodig mocht hebben voor het verrichten van zijn onderzoek.

Bepaalt dat de kosten van de deskundige worden vergoed overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, door de rechter vast te stellen.

Bepaalt dat de deskundige bij de inlevering van het bericht een gespecificeerde opgave doet van de kosten, inclusief honorarium.

Bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 7 oktober 2009 PRO FORMA, in afwachting van het deskundigenbericht.

Bepaalt dat partijen op laatstgenoemde datum niet ter zitting hoeven te verschijnen.

Verzoekt de griffier na ontvangst van het deskundigenbericht de zaak aanstonds weer op een zitting te plannen en partijen voor die zitting op te roepen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, kinderrechter, in bijzijn van D.T.A.J.M. Schapendonk griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.