Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2225

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
308007 / HA ZA 08-1349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen in executoriale vorm weergegeven terugvorderingsbesluit op grond van artikel 60 Wet Werk en Bijstand moet worden begrepen als executiegeschil. Beperkte taak executierechter. Het onbenut laten van middelen van bezwaar en beroep staat niet in de weg aan de formele rechtskracht van het terugvorderingsbesluit, ook niet als belanghebbende pas na het verstrijken van bezwaartermijn van het besluit op de hoogte geraakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 308007 / HA ZA 08-1349

Uitspraak: 11 februari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[opposante],

wonende te [woonplaats],

opposante,

advocaat mr. C.P Timmers,

- tegen -

de openbare rechtspersoon

GEMEENTE SPIJKENISSE,

gevestigd te Spijkenisse,

geopposeerde,

advocaat mr. M. de Vos.

Partijen worden hierna aangeduid als "[opposante]" respectievelijk "de gemeente".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 22 mei 2008 en de door [opposante] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 22 oktober 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brief d.d. 19 december 2008 van mr. Timmers, met bijlagen;

- brief d.d. 22 december 2008 van mr. De Vos, met bijlagen;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 12 januari 2009.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voorzover van belang – het volgende vast:

2.1 Bij brief van 19 augustus 2004 heeft de gemeente besloten tot terugvordering over te gaan van teveel verleende bijstand aan [persoon 1] (hierna: [persoon 1]). Het gaat om een bedrag van € 7.123,66, toegekend in de periode van 30 oktober 2003 tot en met 31 juli 2004. Het besluit is geadresseerd aan “[persoon 1] en [opposante]” aan de [adres] a te [woonplaats].

2.2 Op de in 2.1 genoemde datum stond [opposante] ingeschreven op het daar genoemde adres.

2.3 [opposante] heeft tegen het besluit van 19 augustus 2004 geen bezwaar gemaakt of beroep ingesteld.

2.4 Op 25 april 2006 heeft de deurwaarder (onder meer) het besluit van 19 augustus 2004 aan [opposante] op het adres [adres] a te [woonplaats] betekend met het bevel tot betaling over te gaan en met de aanzegging dat het besluit bij niet-tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd.

2.5 In de loop van 2006 heeft [opposante] in verband met de voorgenomen executie telefonisch overleg gevoerd met de deurwaarder. Ook heeft zij op 25 juni 2007 in dit verband overleg gevoerd met twee medewerkers van de gemeente.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om [opposante] te ontheffen van de terugvordering vermeld in het besluit van de gemeente van 19 augustus 2004 en de vordering van de gemeente af te wijzen, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [opposante] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Op grond van het bepaalde in artikel 5:35 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het recht van de gemeente tot invordering verjaard.

3.2 [opposante] is pas sinds 24 april 2008 op de hoogte van het besluit van 19 augustus 2004. Op laatstgenoemde datum stond zij weliswaar ingeschreven op het adres [adres] a te [woonplaats], maar zij was daar al sinds juni 2003 niet meer woonachtig.

3.3 Het besluit van 19 augustus 2004 is slechts gericht aan de heer [persoon 1] en niet (tevens) aan [opposante].

3.4 Het besluit van 19 augustus 2004 is onjuist. Anders dan in het besluit vermeld, heeft [opposante] in de periode 30 oktober 2003 tot en met 31 juli 2004 geen gezamenlijke huishouding met [persoon 1] gevoerd.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [opposante] in de kosten van het geding en met de bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

De gemeente heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 De vordering van de gemeente is niet verjaard. Nu het hier niet gaat om verbeurde dwangsommen, is de korte verjaringstermijn van artikel 5:35 Awb niet van toepassing.

4.2 Het besluit van 19 augustus 2004 is mede gericht aan [opposante]. Dat blijkt reeds uit de adressering. Het besluit vermeldt bovendien de mogelijkheid dat beslag gelegd wordt op het inkomen en de goederen van de partner van [persoon 1].

4.3 Het besluit van 19 augustus 2004 heeft formele rechtskracht. Inhoudelijke bezwaren tegen het besluit kunnen niet meer worden beoordeeld.

4.3 Subsidiair geldt dat de gemeente op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat [opposante] en [persoon 1] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

5 De beoordeling

5.1 Op grond van artikel 60 lid 3 Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB) levert een besluit tot terugvordering van bijstand een executoriale titel op. Op deze executoriale titel zijn de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van toepassing, waaronder de regeling omtrent executiegeschillen (artikel 438 Rv). [opposante] heeft een verzetdagvaarding doen uitbrengen. De WWB kent evenwel niet het middel van verzet tegen een in executoriale vorm weergegeven terugvorderingsbesluit. Gelet daarop begrijpt de rechtbank de vordering van [opposante] aldus dat zij op de voet van artikel 438 Rv opkomt tegen de tenuitvoerlegging van het besluit van 19 augustus 2004. Blijkens haar verklaringen ter comparitie is ook de gemeente daarvan uitgegaan.

5.2 Voorop gesteld moet worden dat de taak van de rechter in een executiegeschil beperkt is. De executierechter kan slechts staking van de tenuitvoerlegging van een executoriale titel bevelen als hij van oordeel is dat de executant misbruik van bevoegdheid maakt. Dat zal onder meer het geval kunnen zijn als de executoriale titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de executie op grond van naderhand gebleken feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde executie niet kan worden aanvaard (onder meer HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 en HR 22 december 2006, NJ 2007, 173). Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

5.3 [opposante] heeft zich in de eerste plaats beroepen op verjaring. Zij beroept zich op de korte verjaringstermijn van zes maanden, bedoeld in artikel 5:35 Awb. De rechtbank passeert dit beroep. Artikel 5:35 Awb heeft uitsluitend betrekking op de verjaring van verbeurde dwangsommen. Dat is in dit geval niet aan de orde. Hier gaat het om terugvordering van teveel uitgekeerde bijstand. Nu de WWB zelf geen verjaringsregeling kent, moet op dat punt aansluiting worden gezocht bij hetgeen in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald omtrent verjaring van vorderingen uit onverschuldigde betaling. Op grond van artikel 3:309 BW geldt voor een dergelijke vordering een verjaringstermijn van vijf jaar. Die termijn was op het moment van terugvordering door de gemeente nog niet verlopen.

5.4 [opposante] heeft aan haar vordering voorts ten grondslag gelegd dat zij tot april 2008 niet op de hoogte was van het besluit van 19 augustus 2004, omdat zij al sinds juni 2003 niet meer op het adres [adres] a te [woonplaats] woonachtig zou zijn. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat om deze reden het besluit van 19 augustus 2004 geen formele rechtskracht heeft. De gemeente betwist dit standpunt. De rechtbank overweegt het volgende.

5.5 Het enkele (gestelde) feit dat [opposante] pas na het verstrijken van de bezwaartermijn van het terugvorderingsbesluit op de hoogte geraakte is geen grond voor het ongebruikt laten van de bestuursrechtelijke procedure. Zo [opposante] zou menen dat haar het verstrijken van de bezwaartermijn niet kan worden verweten, dan had zij dat standpunt immers op de voet van artikel 6:11 Awb in de bestuursrechtelijke procedure kunnen inbrengen. Nu zij de voorgeschreven middelen van bezwaar en beroep niet heeft benut, moet de rechtbank van de rechtmatigheid van het besluit van 19 augustus 2004 uitgaan. De hier bedoelde stelling van [opposante] kan dus niet tot toewijzing van haar vordering leiden. In het midden kan blijven – mede gelet op de in 2.2 en 2.5 genoemde feiten – vanaf welk moment [opposante] daadwerkelijk van het besluit op de hoogte geraakte.

5.6 Nu het besluit van 19 augustus 2004 formele rechtskracht heeft, kan ook de stelling van [opposante] dat zij geen gezamenlijke huishouding met [persoon 1] heeft gevoerd niet tot toewijzing van de vordering leiden. Voor dat inhoudelijke bezwaar tegen het besluit is in deze procedure immers geen plaats. Dat zou slechts anders zijn als op dit punt sprake zou zijn van een klaarblijkelijke feitelijke misslag, zoals bedoeld in 5.2. Dat is naar het oordeel van de rechtbank echter niet het geval. Ter comparitie heeft de gemeente onbetwist gesteld dat zij het besluit van 19 augustus 2004 heeft gebaseerd op het bij brief van 22 december 2008 in het geding gebrachte onderzoeksrapport. Dat rapport vermeldt dat zowel [opposante] zelf als [persoon 1] hebben verklaard dat zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Gelet op deze informatie kan niet worden geconcludeerd dat het besluit gebaseerd is op een klaarblijkelijke feitelijke misslag. Van andere omstandigheden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de gemeente haar executiebevoegdheid misbruikt is evenmin gebleken.

5.7 Ten slotte heeft [opposante] aangevoerd dat het besluit van 19 augustus 2004 uitsluitend aan [persoon 1] is gericht en niet (tevens) aan haar. De rechtbank begrijpt dit betoog in deze zin dat het besluit ten onrechte jegens [opposante] wordt geëxecuteerd. De gemeente stelt zich op het standpunt dat het besluit wel degelijk ook aan [opposante] is gericht. De rechtbank deelt het standpunt van de gemeente. Weliswaar wordt in de aanhef van het besluit slechts [persoon 1] aangesproken, maar de adressering laat buiten twijfel dat het besluit zich richt tot zowel [persoon 1] als [opposante]. Aldus en mede gelet op het bepaalde in artikel 59 WWB, wordt het besluit op goede gronden jegens [opposante] ten uitvoer gelegd.

5.8 Gelet op het voorgaande komt de vordering van [opposante] niet voor toewijzing in aanmerking.

5.9 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [opposante] in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als gevorderd.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van [opposante];

veroordeelt [opposante] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 254,- aan vast recht en op € 768,- aan salaris voor de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/204