Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI2215

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
291406 / HA ZA 07-2281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van achterstallige management fee. Agentuur of manager van de agent? Uitleg overeenkomst. Wie is de contractuele wederpartij? Toetreding tot de overeenkomst. Grondslagwijziging bij pleidooi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 291406 / HA ZA 07-2281

Uitspraak: 18 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Zaltbommel,

eiseres,

advocaat mr. S.M. van Groeningen,

- tegen -

1. de vennootschap naar Engels recht

INVERESK PLC,

gevestigd in Londen, Verenigd Koningrijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVERESK B.V.

gevestigd te Gameren,

gedaagden,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Partijen worden hierna ook aangeduid als "[eiseres]", “Inveresk PLC” respectievelijk "Inveresk BV".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 19 december 2007. Ingevolge dat tussenvonnis is op 8 februari 2008 een comparitie van partijen gehouden waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank heeft daarvan kennisgenomen, alsmede van de volgende stukken:

- conclusie van repliek tevens akte houdende vermeerdering van eis, met 12 producties, waarvan diverse met onderverdelingen;

- conclusie van dupliek, met 7 producties;

- akte houdende uitlating producties, tevens overlegging van een productie, aan de zijde van [eiseres], met productie;

- akte uitlatingen productie aan de zijde van gedaagden;

- pleitnota van mr. Van Groeningen;

- pleitnotities van mr. W.B.J. van Overbeek namens gedaagden met als productie

aangehecht een beslissing van het Landgericht Mannheim d.d. 10 december 2008.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de producties waarop beroep is gedaan, merkt de rechtbank het volgende – voor zover thans van belang – als vaststaand aan.

2.1

Inveresk PLC (tot haar beursgang eind 1992 Inveresk Limited (hierna: “Inveresk Ltd”) geheten en als zodanig in de hierna te noemen Agreement en Management Agreement aangeduid) houdt zich bezig met het vervaardigen van papier ten behoeve van bepaalde niche markten. Eén van de handelsmerken waaronder Inveresk PLC tot medio 2005 papier verkocht was “Gemini”, welk papier werd vervaardigd in haar productiefaciliteit Carrongrove Mill. Inveresk PLC produceert in haar productiefaciliteit St. Cuthberts Mill zogenaamd “artist paper”, een product dat verkocht wordt aan speciaalzaken.

2.2

Inveresk BV, opgericht in 1989, is een 100% dochtermaatschappij van Inveresk PLC.

2.3

Krachtens twee agentuurovereenkomsten d.d. 10 september 1986 is d[bedrijf 1] (hierna: “[bedrijf 1]”), van welke [b[bedrijf 2] (hierna: “[bedrijf 2]”) statutair bestuurder is, door Inveresk Ltd aangesteld als handelsagent voor haar papierproducten (“paper products”) in de Benelux en Duitsland. Op 13 mei 1992 heeft [bedrijf 1] deze agenturen overgedragen aan Inveresk BV (toentertijd genaamd: “Eurotram Utrecht B.V.”) tegen betaling van een bedrag van NLG 1.818.000,--. Bij de daartoe opgestelde Agreement was naast Inveresk Ltd, Inveresk BV en [bedrijf 1] tevens partij [bedrijf 3] (hierna: “[bedrijf 3]”), een dochtermaatschappij van [bedrijf 1]. [bedrijf 3] voerde tezamen met [bedrijf 1] de werkzaamheden met betrekking tot de agenturen uit, hetgeen in de considerans van de Agreement als volgt is omschreven:

“Pursuant to two agency agreements each dated 10th September 1986 as amended from time to time [bedrijf 1] is Ltd’s agent in the Benelux and Germany (the “Territory”) and [bedrijf 1] jointly with [bedrijf 3] sells for and on behalf of Ltd the Inveresk Products [..].”

2.4

Op 13 juni 1991 heeft [bedrijf 1] [eiseres] opgericht, van welke vennootschap [bedrijf 2] statutair bestuurder is.

2.5

Eveneens op 13 mei 1992 is tussen Inveresk BV (Eurotram Utrecht B.V.) en [eiseres] een Management Agreement (hierna: “MA”) gesloten. In artikel 8.1 van de MA is bepaald dat deze door Nederlands recht wordt beheerst. Overigens staat in de MA – voor zover hier relevant – het volgende:

“WHEREAS:

(A) The Company [Inveresk BV; toevoeging rechtbank] is a wholly owned subsidiary of Inveresk Limited, a company manufacturing and selling paper products (the “Inveresk Products”), and the Company acts as sales agent for Inveresk Limited [..] in the Benelux and Germany.[..]

(C) The parties hereto have made arrangements regarding the providing of management services by [eiseres] for the benefit of the Company’s business and wish to lay down their agreement in writing.

HAVE AGREED AS FOLLOWS:

Article 1 Management services; [eiseres]’s duties and responsibilities

1.1 In consideration for the Management Fee and subject to the provisions of section 1.5 hereof [eiseres] shall manage the Company’s business and provide the following management services to the Company (the “Management Services”):

(a) [eiseres] shall maintain the corporate records and be responsible for the registration of the Company’s details with the Chamber of Commerce;

(b) [eiseres] shall on a day-to-day basis be responsible for the general correspondence with Company’s customers and other relations;

(c) [eiseres] shall co-operate with the Company’s tax consultant in the preparation of all the Company’s tax returns;

(d) [eiseres] shall procure that its staff members referred to in section 1.2 below will on behalf of the Company support, promote and sell the Inveresk Products to the Company’s existing customers [..] and any future customer in the Benelux and, but only if the Board requests them to do so, in Germany;

(e) [eiseres] shall be responsible for maintaining close contact with Inveresk Limited’s manufacturing units on the Company’s behalf in order to provide all necessary order progress and delivery co-ordination services;

(f) [eiseres] shall assist, where necessary, with the internal administration of the Company’s transactions such as the administration of stocks, sales and deliveries, insurance contracts etc.;

(g) [eiseres] shall generally advise the Company in relation to the above and on a continuing basis make available to the Company its staff members referred to in section 1.2 below,

and [eiseres] will further render all such other management services as are requested from time to time by the Company.

1.2 [eiseres]’s managing director [persoon 1] shall be available at all times to render the Management Services [..].

Article 2 - Management Fee and other reimbursements

2.1 For all services rendered by [eiseres] under or pursuant to this Agreement the Company shall pay an annual management fee (the “Management Fee”) to [eiseres].

[..]

Article 6 - Term

6.1 Subject to the terms of this Article 6 this Agreement is entered into for a period of five years and shall therefore end by operation of law on 29th April 1997, without prejudice to the right of each party to terminate this Agreement at any time before 29th April 1997 by giving 12 months’ written notice to the other party.

6.2 After 29th April 1997 this Agreement may be annually extended by the parties hereto for subsequent periods of one year, provided that the parties agree to such an extension in writing no later than six months before the Agreement’s expiry. [..]

6.4 Either party may immediately terminate this Agreement at any time by giving written notice to the other party in any of the following events:

(a) the other party is in material default of any of the terms and conditions of this Agreement and has failed to correct such default within 30 days after having received written notice thereof;[..]”

2.6

[eiseres] kreeg de management fee per maand betaald. De management fee is slechts enkele keren door Inveresk BV betaald, verder steeds door Inveresk PLC. Vanaf juni 2005 bedroeg de management fee € 19.395,-- (te vermeerderen met BTW) per maand. De management fee is tot en met de maand oktober 2005 voldaan. De door [eiseres] verzonden facturen over de periode nadien tot 29 april 1997 zijn onbetaald gebleven.

2.7

Op 9 juni 2005 maakte Inveresk PLC bekend dat zij haar Gemini-activiteiten per 9 november 2005 zou verkopen aan Tullis Russell Papermakers Ltd. (hierna: “Tullis Russell”). Ter zake schreef [bedrijf 3] per e-mail op 1 augustus 2005 aan [persoon 2] (die bij Inveresk PLC van november 2000 tot november 2006 General Manager en Executive Director van de Carrongrove Paperboard Mill en van april 2002 tot mei 2006 Director van Inveresk PLC was) – voor zover hier relevant – het volgende:

“Officially the only info we got was the Stock Exchange letter on 09-06-05 from Internet and your tel.info on that same day, to confirm this, which was highly appreciated. You asked us to continue to represent Carrongrove/Gemini as good as possible till the closure of the mill.

On 10-06-05 we received from Carrongrove a letter, which was sent to customers. We assume that after the 08-11-05 there is no function anymore for us to represent Carrongrove/Gemini.

If so, we would like to hear from Inveresk/Carrongrove how – and against which terms and conditions – we settle the termination of our contract. The loss of this contract shall have big consequences for our company and employees. [..]”

Inveresk PLC heeft haar Gemini-activiteiten in november 2005 aan Tullis Russell overgedragen.

2.8

Op 15 september 2005 schreef [eiseres] per e-mail aan Inveresk PLC – voor zover hier van belang –:

“Of course we offer as usual our services as your agent but assume that our task shall change because the product Gemini is no longer available and Carrongrove Mill will be closed beginning of November 2005. We hope to continue working for you. [..] The closure of Carrongrove can have a great impact financially for our organisation. [..] Therefore I am asking you to inform us if Inveresk has plans with us and, if not, how Inveresk is going to settle our pending contract financially and on which conditions.”

2.9

Op 1 december 2005 heeft [bedrijf 3] aan Inveresk PLC een e-mail gestuurd waarin onder meer staat:

“Even today, 01-12-05, we have not received your monthly payment [..]

If the payment is not forthcoming, according to the contract, Article 6.4 (a), we are entitled to terminate this Agreement immediately by giving written notice to the other party, which we are forced to do by this E-mail. We [..] ask you once again, to avoid problems, to pay our invoice regarding the monthly fee a.s.a.p. [..].

Meanwhile we reserve all our rights regarding the pending Agreement and we still offer our services and remain doing so. We still hope a meeting can be arranged between our 2 companies to settle the terms of termination of the Management Agreement [..].”

2.10

Bij brief van 24 maart 2006 heeft (de advocaat van) Inveresk BV aan [eiseres] geschreven, voor zover hier relevant:

“As you are aware from the announcement sent to you dated 9th June 2005 Tullis Russell Group has taken over the sales and distribution of Gemini branded products in the Benelux. As a matter of fact the relationship between [Inveresk; toevoeging rechtbank] BV and [bedrijf 2] Paper Management BV has become “an empty shell” pursuant to the transfer of the business on 9th November 2005. Due to the foregoing, the performance of services by your company is no longer required.

Without prejudice to the assertion that the relationship has already been determined, and for the avoidance of doubt, we hereby formally terminate your relationship with our client taking into account the contractual notice period of six months, so that it will end on 1st October 2006 at the latest.”

3 De vordering

3.1

Na wijziging van eis vordert [eiseres] dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagden hoofdelijk zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag groot € 415.440,90, primair ter zake van onbetaalde facturen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) te rekenen vanaf de vervaldatum van iedere factuur tot de dag der algehele voldoening, subsidiair ter zake van schadevergoeding, alsmede een bedrag groot € 5.160,-- inclusief BTW ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

[eiseres] heeft daartoe het volgende gesteld:

3.2

Hoewel Inveresk BV per 13 mei 1992 op papier werd aangesteld als agent, is het nooit de bedoeling van partijen geweest dat zij hier feitelijk invulling aan zou geven. Dat is ook niet gebeurd. [eiseres] heeft haar rol als handelsagent na 13 mei 1992 impliciet voortgezet door het management voor Inveresk BV te gaan voeren.

3.3

Bij de opzegging van de MA bij brief van 24 maart 2006 is niet de juiste opzegtermijn in acht genomen. Op grond van artikel 6.2 van de MA wordt de overeenkomst sedert 29 april 1997 telkens met een jaar tot 29 april verlengd, tenzij deze vóór 29 oktober is opgezegd. Dat betekent dat met de opzegging bij brief van 24 maart 2006 de overeenkomst per 29 april 2007 eindigde (en niet op 1 oktober 2006).

Nu er vanaf november 2005 geen management fee meer is betaald heeft [eiseres] recht op 18 maal de maandelijkse management fee van € 23.080,05 (incl. BTW), derhalve € 415.440,90.

3.4

Subsidiair, indien wordt geoordeeld dat de MA met de e-mail van 1 december 2005 met onmiddellijke ingang is geëindigd, maakt [eiseres] aanspraak op schadevergoeding. Immers, [eiseres] heeft opgezegd omdat gedaagden ten onrechte de management fee niet betaalden, hetgeen kan worden aangemerkt als een dringende reden waarvan gedaagden een verwijt treft. De schadevergoeding is in dat geval gelijk aan de management fee die [eiseres] had behoren te ontvangen ingeval van regelmatige opzegging per 1 december 2005, derhalve tegen 29 april 2007, hetgeen overeenkomt met 18 maal de maandelijkse management fee van € 23.080,05 (incl. BTW), zijnde € 415.440,90.

3.5

Inveresk PLC dient sinds 2000 als contractspartner van [eiseres] onder de MA te worden aangemerkt. Inveresk PLC heeft immers, op haar verzoek, in plaats van Inveresk BV, vanaf toen steeds onafgebroken, zelfstandig en op eigen initiatief, contact op directieniveau onderhouden met [eiseres] met betrekking tot de door [eiseres] uit hoofde van de MA te verrichten werkzaamheden. Bovendien stuurde [eiseres] haar maandelijkse facturen voor de management fee aan Inveresk PLC en betaalde deze die facturen aan [eiseres].

3.6

[eiseres] maakt tevens aanspraak op de wettelijke handelsrente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4 Het verweer

4.1

De conclusie van gedaagden strekt tot afwijzing van de vorderingen jegens beide gedaagden, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten.

Gedaagden hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.2

Tussen Inveresk PLC en [eiseres] bestaat geen contractuele relatie. Er is geen sprake van dat Inveresk PLC de positie van Inveresk BV onder de MA heeft overgenomen in de zin van artikel 6:159 BW. De contacten tussen Inveresk PLC en [eiseres] vloeiden voort uit de door [eiseres] in het kader van de MA voor Inveresk BV te verrichten werkzaamheden, zoals beschreven in artikel 1.1 (e) van de MA. Weliswaar werden de facturen van [eiseres] deels door Inveresk PLC voldaan, maar deze zijn steeds ten laste van Inveresk BV gekomen. Niet Inveresk PLC, maar Inveresk BV heeft de MA opgezegd.

4.3

De MA is per 29 april 1997 formeel geëindigd en nadien niet conform het gestelde in artikel 6.2 ervan schriftelijk verlengd. De handelsrelatie nadien wordt dus niet (volledig) gedekt door de inhoud van de MA; dit is slechts het geval indien partijen het gestelde in die MA nadien uitdrukkelijk of impliciet hebben aanvaard. Tussen partijen is - in afwijking van het gestelde in artikel 2.1 van de (geëxpireerde) MA - afgesproken dat de hoogte van de management fee gelijke tred zou houden met het handelsvolume van Inveresk BV.

4.4

Het handelsvolume dat voor het leeuwendeel de Gemini-activiteiten betrof is per 9 november 2005 tot nul gereduceerd door de verkoop van deze activiteiten aan Tullis Russell. Nu de management fee afhankelijk was van het handelsvolume was Inveresk BV derhalve met ingang van 1 november 2005 geen management fee meer verschuldigd aan [eiseres].

4.5

Indien geoordeeld wordt dat de bepalingen van de MA ook na 29 april 1997 zijn blijven gelden, doen gedaagden een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW: nu Inveresk PLC op 9 juni 2005 mededeelde dat zij haar Gemini-activiteiten per 9 november 2005 zou verkopen en [eiseres] sinds 1 november 2005 praktisch geen diensten meer heeft verricht, zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien [eiseres] na 1 november 2005 beroep zou doen op de bepalingen in de MA betreffende de management fee.

4.6

[eiseres] is niet gerechtigd tot management fee voor zover betrekking hebbende op de periode na 1 december 2005, omdat zijzelf de MA per die datum heeft doen eindigen.

4.7

In elk geval geldt dat, nu de relatie tussen Inveresk BV en [eiseres] sinds 29 mei 1997 niet (volledig) gedekt wordt door de MA, deze relatie voor onbepaalde tijd is gaan gelden en dat deze door elk van partijen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn kan worden beëindigd. Door op te zeggen per brief van 24 maart 2006 tegen 1 oktober 2006 heeft Inveresk BV een redelijke opzegtermijn in acht genomen zodat zij in geen geval meer verschuldigd kan zijn dan de management fee tot en met de maand september 2006.

4.8

Gedaagden betwisten dat er buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. [eiseres] heeft nagelaten de buitengerechtelijke kosten te specificeren en bewijsstukken in het geding te brengen.

4.9

Mochten de vorderingen onverhoopt worden toegewezen dan dient het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard, omdat bij [eiseres] een reëel restitutierisico bestaat. Bij eventuele uitvoerbaarverklaring bij voorraad dient de voorwaarde te worden gesteld dat door [eiseres] zekerheid wordt gesteld tot € 500.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag.

5 De beoordeling

5.1.1

Bij pleidooi heeft [eiseres] gesteld dat Inveresk PLC (tevens) aansprakelijk is jegens [eiseres] op grond van bestuurders- of concernaansprakelijkheid.

Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen het pas bij pleidooi aanvoeren van zodanige nieuwe grondslag. De rechtbank overweegt over dat bezwaar als volgt.

Met gedaagden stelt de rechtbank vast dat [eiseres] zich niet eerder op zodanige buiten contractuele aansprakelijkheid heeft beroepen en dat een zodanig beroep evenmin besloten ligt in de door haar eerder aangevoerde feiten en omstandigheden. Aldus is sprake van een nieuwe juridische grondslag.

Ingevolge artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de eiser, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. Het is derhalve niet toegestaan om bij pleidooi de gronden van de eis aan te vullen.

[eiseres] heeft verzocht de zaak voor dat doel naar de rol te verwijzen. Dit verzoek – waartegen gedaagden ook bezwaar hebben gemaakt – zal worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Daartoe is het volgende van belang.

In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat Inveresk PLC aansprakelijk is jegens [eiseres] uit hoofde van de MA. Bij conclusie van antwoord hebben gedaagden zich hier tegen verweerd en aangevoerd dat Inveresk PLC niet aansprakelijk is omdat er geen contractuele relatie is tussen Inveresk PLC en [eiseres]. Gelet op dat verweer van gedaagden bij antwoord, had het op de weg van [eiseres] gelegen om, in het geval zij van mening was dat er naast de gestelde contractuele aansprakelijkheid tevens sprake was van een buitencontractuele aansprakelijkheid van Inveresk PLC jegens [eiseres] – bijvoorbeeld uit hoofde van bestuurders- of concernaansprakelijkheid – bij conclusie van repliek of de daarna genomen akte zodanige grondslag te stellen. Dat heeft [eiseres] echter nagelaten.

Het verweer van gedaagden richt zich – begrijpelijkerwijs – slechts tegen de contractuele vordering. In dat verband tekent de rechtbank nog aan dat – anders dan [eiseres] voorstaat – uit het verweer van gedaagden in punt 2.13 sub e van de conclusie van dupliek niet kan worden afgeleid dat gedaagden de stellingen van [eiseres] zo hebben opgevat dat deze tevens omvatten een beroep op concernaansprakelijkheid. Deze passage betreft immers uitsluitend de gevolgen van de, overigens tussen partijen niet in geschil zijnde, omstandigheid dat het bestuur van Inveresk BV steeds is gevormd door één of meer leden van het bestuur van Inveresk PLC. Dat deze omstandigheid op zichzelf niet meebrengt dat Inveresk PLC jegens [eiseres] aansprakelijk is, is door [eiseres] bij pleidooi onderkend.

Onder deze omstandigheden brengt een verwijzing naar de rol in dit stadium van de procedure, teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen alsnog een nieuwe grondslag aan te voeren – welke grondslag zelfstandig onderzoek verdient –, een naar het oordeel van de rechtbank onredelijke vertraging van de procedure met zich.

Gelet hierop wordt het verzoek tot rolverwijzing op grond van strijd met de eisen van een goede procesorde afgewezen.

5.1.2

Gedaagden hebben bij pleidooi bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis bij conclusie van repliek. Dat bezwaar hebben gedaagden bij datzelfde pleidooi ingetrokken.

5.1.3

De slotsom is dat bij de rechtbank ter beoordeling voorligt de vorderingen zoals bij repliek gewijzigd en zoals hiervoor in hoofdstuk 3 beschreven.

5.2

Met betrekking tot het toe te passen recht overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat dat de MA door Nederlands recht wordt beheerst. Zowel [eiseres] als gedaagden baseren zich ook buiten het kader van de MA op bepalingen van het Nederlands recht, al dan niet met een beroep op het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO). Gelet hierop concludeert de rechtbank dat Nederlands recht de rechtsverhoudingen tussen partijen beheerst.

5.3

De meeste verstrekkende grondslag van de vorderingen is de gestelde handelsagentuur van [eiseres] ten behoeve van Inveresk PLC. Daarom onderzoekt de rechtbank die grondslag eerst.

[eiseres] is in 1991 opgericht. Gesteld noch gebleken is dat enige partij voordien ten behoeve van [eiseres] enige overeenkomst heeft gesloten.

[bedrijf 1] heeft op 13 mei 1992 onder de Agreement de handelsagenturen voor Inveresk Ltd (dus inmiddels: Inveresk PLC) met betrekking tot de “Inveresk Products” tegen betaling overgedragen aan Inveresk BV. Op dezelfde datum zijn Inveresk BV en [eiseres] de MA aangegaan.

Behoudens bijzondere feiten of omstandigheden, volgt uit deze vaststaande feiten dat [eiseres] niet als handelsagent voor Inveresk Ltd/PLC is opgetreden.

[eiseres] heeft de volgende bijzondere feiten of omstandigheden gesteld ter onderbouwing van haar standpunt dat zij als handelsagent van Inveresk PLC valt aan te merken:

(a) De enige reden dat per 13 mei 1992

(i) de handelsagentuur is overgedragen aan Inveresk BV,

(ii) [eiseres] is opgericht en

(iii) de MA is gesloten,

is dat Inveresk PLC meer controle wilde hebben over haar verkopen in de Benelux en Duitsland;

(b) per 13 mei 1992 veranderde er materieel niets tussen [eiseres] en Inveresk PLC; [eiseres] werd manager van een papieren handelsagent, maar in de praktijk trad [eiseres] als handelsagent op, terwijl [bedrijf 3] de feitelijke werkzaamheden met [eiseres] uitvoerde; [eiseres] was alleen niet langer, zoals voorheen, verantwoordelijk voor de productie in Duitsland;

(c) vanaf 2000 was Inveresk BV een lege BV die geen enkele activiteit meer uitoefende en heeft [eiseres], op verzoek van Inveresk PLC, ter zake van het uitvoeren van al haar werkzaamheden uit hoofde van de MA slechts contact gehad met het management van Inveresk PLC; alle vergaderingen, correspondentie en telefoongesprekken vonden vanaf toen plaats tussen [eiseres] en de directie van Inveresk PLC;

(d) [eiseres] stuurde vanaf 2000 haar facturen rechtstreeks aan Inveresk PLC (om fiscale redenen waren deze op naam van Inveresk BV gesteld) en Inveresk PLC betaalde aan [eiseres].

Gedaagden betwisten die feiten en omstandigheden, althans dat daaraan de conclusie kan worden verbonden dat [eiseres] als handelsagent kan worden aangemerkt. Dat verweer slaagt. Allereerst geldt, zoals hiervoor vermeld, dat [eiseres] vóór 13 april 1992 niet als handelsagent van Inveresk Ltd/PLC optrad; dat deed [bedrijf 1]. Uit de Agreement en de considerans van de MA (hierboven onder 2.5 aangehaald) blijkt voorts dat Inveresk BV optreedt als handelsagent voor Inveresk Ltd/PLC in de Benelux en Duitsland, dat [eiseres] over aanzienlijke expertise en kennis van (de verkoop van) Inveresk producten beschikt en dat partijen in dat kader afspraken wensen te maken over de door [eiseres] te verrichten managementactiviteiten ten behoeve van de onderneming van Inveresk BV. Uit de in artikel 1 van de MA beschreven taken en verantwoordelijkheden van [eiseres] vloeit voort dat [eiseres] als manager min of meer de gehele onderneming van Inveresk BV zou voeren. Waar Inveresk BV optrad als handelsagent voor Inveresk Ltd/PLC, zou daarom ook die handelsagentuur in feite door [eiseres] worden gevoerd, zij het als manager van Inveresk BV. De hiervoor door [eiseres] onder (a), (b) en (c) gestelde feiten en omstandigheden passen alle in zodanig optreden van [eiseres] als manager van Inveresk BV. Daarom vormen die feiten en omstandigheden – indien deze vast zouden komen te staan – geen aanwijzing dat [eiseres] zelf de handelsagent van Inveresk PLC was.

Dat Inveresk PLC de Agreement en de MA is aangegaan met het doel meer controle over haar verkopen te verkrijgen – het onder (a) genoemde argument – biedt geen ondersteuning aan de stelling dat [eiseres] na 13 mei 1992 als handelsagent moet worden aangemerkt, maar geeft veeleer aan dat Inveresk Ltd/PLC weloverwogen heeft besloten om over te gaan tot het beëindigen van de handelsagenturen van [bedrijf 1] en het onderbrengen van deze handelsagenturen in haar dochtermaatschappij Inveresk BV met [eiseres] als manager van deze dochter.

Daarmee resteert de onbetwiste omstandigheid (d) dat Inveresk PLC vrijwel steeds de management fee aan [eiseres] heeft betaald. Deze omstandigheid is op zichzelf onvoldoende om daaraan de door [eiseres] beoogde gevolgtrekking te kunnen dragen.

Daarom komt de rechtbank tot de slotsom [eiseres] niet als handelsagent van Inveresk Ltd/PLC valt aan te merken. De gestelde handelsagentuur kan derhalve de vorderingen niet dragen.

5.4.1

Vervolgens onderzoekt de rechtbank de MA als grondslag van de vorderingen.

Waar buiten kijf is dat tussen [eiseres] en Inveresk BV de MA gold en de daaronder aan [eiseres] te betalen management fee (deels) looptijdgebonden was, heeft [eiseres] in beginsel aanspraak op die looptijdgebonden management fee zolang de MA voortduurde.

Partijen twisten over datum waarop de MA is geëindigd. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

5.4.2

Het dispuut tussen partijen betreft onder meer de uitleg van (de bepalingen betreffende looptijd van) de MA. Het gaat hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 - Haviltex). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM / Fox) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan – waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden – en de overige bepalingen ervan (vgl. HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576 - Uni-Invest; HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 - Meyer Europe / Pont Meyer).

Aan de hand van deze maatstaven legt de rechtbank de MA uit.

5.4.3

De MA is opgesteld op het papier van een kantoor van advocaten en notarissen. Kennelijk hebben partijen tevoren aan de hand van notities en concepten voorstellen voor de bepalingen van de MA uitgewisseld (zie productie 7 bij conclusie van repliek). Daarom is de tekst van de MA een belangrijke factor bij de uitleg ervan.

De MA liep ingevolge (het hierboven onder 2.5 aangehaalde) artikel 6.1 in beginsel van rechtswege af op 29 april 1997. Artikel 6.2 van de MA voorziet in jaarlijkse voortzetting ervan, mits partijen deze verlenging schriftelijk vastleggen. Kennelijk hebben partijen hun samenwerking na 29 april 1997 voortgezet. De vereiste schriftelijke vastlegging van de verlenging(en) ontbreekt. Gesteld noch gebleken is evenwel dat voor de voortzetting andersluidende afspraken zijn gemaakt. Daarom concludeert de rechtbank dat partijen de MA stilzwijgend hebben voortgezet. Het verweer van gedaagden dat de MA per 29 april 1997 is geëindigd, faalt derhalve.

Voorts volgt uit artikel 6.2 van de MA dat deze overeenkomst na 29 april 1997 geacht moet worden telkens met een jaar te zijn verlengd totdat deze vóór 29 oktober van enig jaar zou zijn opgezegd.

Voor de door gedaagden (subsidiair) verdedigde uitleg dat de MA weliswaar is voortgezet maar voor onbepaalde tijd, biedt de tekst van de betreffende bepaling geen aanknopingspunten, terwijl omstandigheden die tot een zodanige uitleg nopen zijn gesteld noch gebleken.

5.4.4

De MA voorziet er niet in dat de overeenkomst eindigt indien Inveresk PLC, de principaal van Inveresk BV, geen of minder werkzaamheden te verrichten heeft. De enkele mededeling door Inveresk PLC dat zij haar Gemini-activiteiten ging verkopen, noch de uitvoering daarvan vormen een beëindiginghandeling in de zin van de MA.

Het telefoongesprek op 9 juni 2005, zoals bevestigd in de e-mail van [eiseres] van 1 augustus 2005 (zie 2.7 hierboven), kan niet als een beëindiginghandeling in de zin van de MA worden aangemerkt. Niet alleen is niet voldaan aan het vereiste van artikel 6.1 MA dat opzegging schriftelijk dient plaats te vinden, maar ook kan uit de in zoverre door gedaagden niet bestreden weergave van dat telefoongesprek in de e-mail van 1 augustus 2005 niet worden opgemaakt dat de MA daarbij is opgezegd. In elk geval heeft [eiseres] het telefoongesprek niet als opzegging opgevat: zij spreekt immers slechts over een beëindiging van de werkzaamheden aangaande Carrongrove/Gemini (hetgeen, als overwogen, op zichzelf geen beëindiginghandeling is) en vraagt naar de “terms of termination” van de MA. Diezelfde vraag stelt zij in haar e-mail van 15 september 2005 (zie 2.8 hierboven), welke vraag overigens wordt voorafgegaan door de mededeling dat [eiseres] de samenwerking graag zou voortzetten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de MA niet is geëindigd met de overdracht door Inveresk PLC van haar Gemini-activiteiten per 9 november 2005.

5.4.5

Vervolgens dient onderzocht te worden of – zoals gedaagden stellen, maar [eiseres] bestrijdt – met de e-mail van [bedrijf 3] van 1 december 2005 met onmiddellijke ingang een einde is gekomen aan de MA.

De tekst van deze e-mail houdt in een beëindiging met onmiddellijke ingang op grond van artikel 6.4 van de MA.

[eiseres] heeft weliswaar gesteld dat hier sprake is van een ongelukkige formulering en dat niet bedoeld zou zijn de MA met onmiddellijke ingang te beëindigen, maar zij heeft nagelaten concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit blijkt. Het enkele feit dat in de e-mail tevens staat “Meanwhile we reserve all our rights regarding the pending Agreement and we still offer our services” is – gelezen in de context van deze e-mail – niet voldoende om een andere uitleg aan de tekst te geven.

5.4.6

Dat [eiseres] met bedoelde e-mail de MA heeft opgezegd, wil echter niet zeggen dat daadwerkelijk op 1 december 2005 een einde is gekomen aan de MA. [eiseres] heeft in dit verband betoogd dat Inveresk PLC de e-mail kennelijk niet als een beëindigingshandeling heeft opgevat en Inveresk PLC via de St. Cuthberts Mill diensten is blijven opdragen aan en afnemen van [eiseres] en dat partijen de MA na 1 december 2005 hebben voortgezet. In haar conclusie van dupliek (alinea 4.1) alsmede bij pleidooi (alinea 2.10 b pleitnota) hebben gedaagden erkend dat er na 1 december 2005 sprake is geweest van bemoeienissen van [eiseres] bij de verkoop van producten afkomstig van de St. Cuthberts Mill. Volgens gedaagden kunnen daar echter geen consequenties aan worden verbonden omdat:

- de betreffende werkzaamheden niet door [eiseres], maar door [bedrijf 3] zijn verricht;

- het geen managementactiviteiten voor Inveresk BV betreft, hetgeen ook uit de eigen stellingen van [eiseres] volgt nu zij ter zake aanspraak maakt op provisie;

- de omvang van de verkopen zeer gering is geweest.

Dat verweer van gedaagden faalt in al zijn onderdelen. Inderdaad staat linksboven op het door [eiseres] als productie 18.1 overgelegde overzicht – welk overzicht zij heeft overgelegd als onderbouwing van haar stelling dat zij na 1 december 2005 nog werkzaamheden voor Inveresk PLC (St. Cuthberts Mill) heeft verricht – niet de naam [eiseres], maar “[b[bedrijf 3]”, maar dat kan gedaagden niet baten. Uit de eigen stellingen van gedaagden volgt dat zij – meer dan eens – berichten van [bedrijf 3] hebben opgevat als berichten van [eiseres]; zo verwijzen gedaagden in alinea 3.3 van de conclusie van dupliek naar de e-mail van [bedrijf 3] van 1 augustus 2005 (zie 2.7 hierboven) als een bericht van [eiseres]. Datzelfde geldt voor de e-mail van 1 december 2005 (zie 2.9 hierboven), waarnaar door gedaagden in alinea 3.2.4 van de conclusie van antwoord wordt verwezen als zijnde afkomstig van [eiseres], op welke e-mail eveneens [bedrijf 3] als afzender staat. Weliswaar hebben gedaagden bij conclusie van dupliek (in alinea 2.16) betwist dat [bedrijf 3] de werkzaamheden van [eiseres] verrichte, maar tegen de hiervoor weergegeven achtergrond en gelet op de considerans van de Agreement (aangehaald onder 2.3) passeert de rechtbank deze blote ontkenning als een onvoldoende betwisting en concludeert de rechtbank dat [bedrijf 3] dient te worden aangemerkt als hulppersoon van [eiseres] ten aanzien van de onder de MA te verrichten werkzaamheden

Uit de considerans van de MA (zie 2.5 hierboven) volgt dat de werkzaamheden van [eiseres] betrekking hadden op “paper products” van Inveresk PLC. Tussen partijen staat vast dat in de St. Cuthberts Mill “artist paper” werd vervaardigd en dat het dit papier betreft dat door [eiseres] ook na november 2005 is verhandeld. Gedaagden hebben weliswaar bestreden dat het hier werkzaamheden betreft die onder de MA vallen, maar zij hebben dit op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd. Voorts zijn onweersproken gebleven de stellingen van [eiseres] dat zij de betreffende werkzaamheden al geruime tijd verrichtte en dat haar betreffende werkzaamheden op geen andere wijze dan door betaling van de management fee werden beloond. [eiseres] heeft in dit verband bij pleidooi nog gesteld dat zij met betrekking tot deze werkzaamheden geen aanspraak maakt of heeft gemaakt op provisie.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de werkzaamheden verricht door [eiseres] (of [bedrijf 3] voor [eiseres]) ten aanzien van producten afkomstig uit de St. Cuthberts Mill dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden uit hoofde van de MA, dat Inveresk PLC deze na december 2005 is blijven opdragen en dat [eiseres] deze is blijven verrichten.

Dat de omvang van de verkopen gering is geweest, is geen factor van betekenis voor het antwoord op de vraag of de MA na 1 december 2005 is voortgezet omdat, zoals hiervoor reeds in 5.4.4 is overwogen, de MA er niet in voorziet dat de overeenkomst eindigt indien Inveresk PLC, de principaal van Inveresk BV, geen of minder werkzaamheden te verrichten heeft. Uitgaande van het als productie 18.1 bij repliek overgelegde overzicht en de onweersproken mededeling van [eiseres] bij pleidooi dat de bestelling doorgaans vier weken voor de factuurdatum ligt, volgt uit het hetgeen hiervoor is overwogen dat [eiseres] nog werkzaamheden voor de St. Cuthberts Mill heeft verricht tot en met mei 2006. Nu hieruit blijkt dat ook [eiseres] de MA heeft voortgezet, heeft de beëindigingshandeling per 1 december 2005 derhalve geen werking gehad.

5.5

Het vorenstaande betekent dat de MA niet eerder is beëindigd dan met de opzegging in de brief van 24 maart 2006 (zie 2.10 hierboven), welke opzegging door [eiseres] als een opzegging door Inveresk PLC is aangemerkt.

Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat bij de opzegging niet de juiste opzegtermijn in acht is genomen. Uit artikel 6.2 van de MA en hetgeen hiervoor onder 5.4.3 is overwogen ten aanzien van de verlenging van de MA volgt dat de MA na 29 april 1997 telkens met een jaar tot 29 april is verlengd tenzij deze vóór 29 oktober was opgezegd. Dat betekent dat een opzegging per brief van 24 maart 2006 ertoe leidt dat de MA per 29 april 2007 eindigde (en niet op 1 oktober 2006).

5.6

Ten aanzien van het beloop van de management fee waartoe [eiseres] gedurende de resterende looptijd van de MA gerechtigd is, wordt het volgende overwogen.

Partijen zijn het er over eens dat de management fee vanaf juni 2005 € 19.395,-- te vermeerderen met BTW per maand bedroeg. Nu gedaagden hun stelling dat tussen partijen was afgesproken dat de hoogte van de management fee gelijke tred zou houden met het handelsvolume van Inveresk BV tegenover de betwisting van [eiseres] niet met feiten en omstandigheden hebben onderbouwd en evenmin de stelling van [eiseres] dat het hier een vaste fee betreft niet voldoende gemotiveerd hebben bestreden, gaat de rechtbank ervan uit dat de vanaf juni tot en met oktober 2005 betaalde management fee van € 19.395,-- (exclusief BTW) per maand ook verschuldigd is over de periode november 2005 tot en met april 2007. [eiseres] heeft derhalve recht op (18 maal € 19.395,-- =) € 349.110,--, te vermeerderen met de daarover verschuldigde BTW.

5.7

Gedaagden hebben aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om de management fee te moeten betalen over de maanden waarin [eiseres] weinig of geen werkzaamheden heeft behoeven te verrichten.

De rechter dient het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW met de nodige terughoudendheid toe te passen.

Van belang is dat [eiseres] na de mededeling van Inveresk PLC in juni 2005 dat de Gemini-activiteiten zouden worden verkocht aan Tullis Russell, meermaals heeft aangekaart dat de MA wellicht beëindigd zou moeten worden (zie de e-mails van 1 augustus 2005 en 15 september 2005, zoals hierboven geciteerd onder 2.7 en 2.8). Gedaagden zijn daarop niet ingegaan. Tegen deze achtergrond en voorts gelet op de inhoud van de MA en de wijze van totstandkoming ervan, waartoe de rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierboven onder 5.4.3 en 5.4.4 heeft overwogen, terwijl gedaagden gedurende de opzegtermijn gebruik hadden kunnen blijven maken van de diensten van [eiseres], kan niet geoordeeld worden dat de voortgezette aanspraak van [eiseres] op betaling van de management fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.8.1

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is wie jegens [eiseres] aangemerkt moet worden als schuldenaar van de hiervoor bedoelde verplichting tot betaling van de management fee.

Buiten kijf staat dat de MA tussen [eiseres] en Inveresk BV is tot stand gekomen.

[eiseres] stelt dat vanaf 2000 Inveresk PLC als haar contractspartner onder de MA dient te worden aangemerkt.

5.8.2

Gedaagden hebben bestreden dat Inveresk PLC de rechtsverhouding van Inveresk BV jegens [eiseres] uit hoofde van de MA heeft overgenomen als bedoeld in artikel 6:159 BW.

Nu gesteld noch gebleken is dat de in dat wetsartikel vereiste akte tussen Inveresk BV en Inveresk PLC tot stand gekomen is, kan van contractsovername in bedoelde zin geen sprake zijn.

5.8.3

Het antwoord op de vraag of Inveresk PLC, naast Inveresk BV, als wederpartij bij de MA schuldenaar is geworden van de management fee, is afhankelijk van hetgeen Inveresk PLC en [eiseres] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (vgl. HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 - kribbebijter). Daarom onderzoekt de rechtbank de verklaringen en gedragingen van Inveresk PLC en [eiseres] ten aanzien van de MA.

Uit de bij conclusie van repliek als producties 9 (verklaringen [persoon 2] en [persoon 3]), 10.1. 10.2, 10.5, 10.7, 10.8 en 11.4 overgelegde stukken blijkt dat vanaf 2000 sprake was van rechtstreeks overleg tussen Inveresk PLC en [eiseres] over de wijze van uitvoering en van de werkzaamheden door [eiseres] onder de MA en over het vaststellen en betalen van de management fee. Van enige invloed daarbij vanwege Inveresk BV is niet gebleken, terwijl gedaagden die invloed ook niet gesteld hebben. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat zij haar facturen voor de management fee ter goedkeuring en betaling toezond aan Inveresk PLC. Tussen partijen staat vast dat de management fee (behoudens een enkele uitzondering) steeds is betaald door Inveresk PLC. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verklaring van [persoon 2] waarin – voor zover hier relevant – staat:

“[..] From 2000 until early 2006, as General Manager and Executive Director of Carrongrove Paperboard Mill [..], I had regular operational and strategic contact direct with [persoon 4], Director of [bedrijf 3] and [eiseres]. This included reviewing the Management Fee paid to take into account the reducing volume of Inveresk products available for sale due to the closure of the Westfield and Caldwell Mills.”;

In de e-mail van [persoon 5], als accountant werkzaam op het hoofdkantoor van Inveresk PLC, van 12 december 2001 (productie 10.5 bij repliek) staat voor zover in dit verband van belang:

“[..]

Financial Budget 2002

We have accepted your proposal and acknowledge the year on year reduction in costs resulting from your organisation. As you will be aware, IPLC [Inveresk PLC; rechtbank] remains focused on cost reduction with major cost reduction programmes implemented.

December Payment

We note your comment on the December payment requirement with the change to the Euro, and I would invite you to forward to me as soon as possible you invoice for December. If my calculations are correct the invoice value will be Eur 26,306.25 plus Eur 4,998.19 (19% vat) to total Eur 31,304.44. To speed up the process, payment this month will be made direct from Royal Bank of Scotland to your account and not via our bank in Holland.

Costs 2001

With regard to your 2001 costs, we would remind you that earlier this year we rejected your proposal of Dfl. 885,925 per annum and that you agreed to our revised proposal of Dfl. 814,671. We emphasised at the time that it was our view that given the current economic climate, increases of 2.3% for 2000 and a further 2% for 2001 were generous.

We would also bring to your attention the fact that throughout this year we continued to accept monthly agency fees in line with the revised annual proposal, even although you have enjoyed the benefit of reductions in wageroll, especially in the case of Lex who was only with you for half of the year.

It is our conclusion that the cost borne by IPLC in 2001 reflects our commitment to the agency costs.

De rechtbank vindt in dit verband voorts van belang de door [bedrijf 2] – kennelijk voor [eiseres] – op verzoek van Inveresk PLC voor akkoord ondertekende fax van laatstgenoemde van 20 december 2001 (producties 10.7 en 10.8 bij repliek):

“I accept that the payment of EUR 36,869.64 being made to me on 21 December 2001 is an advance against 2002 income for [bedrijf 2] Paper Management.

This arrangement to remain in force until otherwise agreed between [persoon 4] en Inveresk PLC.”

Uit deze gedragingen, verklaringen en correspondentie in onderling verband blijkt dat Inveresk PLC vanaf 2000 ten opzichte van [eiseres] de positie is gaan vervullen van de opdrachtgever onder de MA. Het betreft daarbij niet slechts die personen in het bestuur van Inveresk PLC die tevens bestuurder waren van Inveresk BV. Door die gedragingen is Inveresk PLC is tot de MA toegetreden. [eiseres] heeft die opstelling van Inveresk PLC aldus opgevat – en onder de omstandigheden ook mogen opvatten – en aanvaard. Daarmee is Inveresk PLC als opdrachtgever tot de MA toegetreden, zodat zij naast de lusten ervan ook de lasten te dragen heeft.

De omstandigheid dat alle facturen van [eiseres] door boekingen tussen Inveresk PLC en Inveresk BV uiteindelijk ten laste van Inveresk BV zijn gekomen – voor zover dat al vast zou komen te staan – doet aan voormeld oordeel niet af, omdat niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] enige bemoeienis heeft gehad met het doen van deze boekingen.

Om vorenstaande redenen zijn Inveresk BV en Inveresk PLC hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de management fee aan [eiseres] tot het einde van de looptijd van de MA.

5.9

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de hoofdsom van de vorderingen zal worden toegewezen.

Partijen twisten niet over de verschuldigdheid van BTW over het netto beloop van de management fee over 18 maanden. Daarom zal de rechtbank de gevorderde hoofdsom van € 415.440,90 toewijzen.

Tegen de gevorderde rente hebben gedaagden geen verweer gevoerd. Daarom zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW vanaf de respectieve vervaldata van iedere factuur tot aan de dag der algehele voldoening worden toegewezen.

5.10

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen nu door [eiseres] – tegenover de betwisting van gedaagden op dit punt – onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

5.11

Ingevolge artikel 233 Rv kan de rechter, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit, indien dit wordt gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. Bij conclusie van antwoord hebben gedaagden verzocht om aan een eventueel toewijzend vonnis de uitvoerbaarheid bij voorraad te onthouden en daarbij gewezen op het restitutierisico bij tussentijdse executie in het geval gedaagden in hoger beroep zullen gaan. Subsidiair hebben gedaagden verzocht om zekerheidstelling. Bij repliek heeft [eiseres] het gestelde restitutierisico bestreden en voorts – subsidiair – gesteld dat zij al sinds 2005 wacht op betaling en het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vanzelfsprekend is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Noch bij dupliek, noch bij pleidooi hebben gedaagden hun standpunt vervolgens nader onderbouwd.

De rechtbank stelt voorop dat voldaan is aan de vereisten om het vonnis uitvoerbaar bij vonnis te kunnen verklaren. Of het verweer van gedaagden slaagt, hangt af van een belangenafweging. Naar het oordeel van de rechtbank dient die afweging in het voordeel van [eiseres] uit te vallen. Haar belang bij de uitvoerbaar bij voorraadverklaring is evident: zij wacht al geruime tijd op betaling. De omstandigheid dat de vorderingen van [eiseres] mogelijkerwijs in een door gedaagden in te stellen hoger beroep alsnog geheel of gedeeltelijk zullen worden afgewezen terwijl het onderhavige vonnis reeds ten uitvoer is gelegd, is inherent aan ieder uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis waarin een partij tot betaling van een geldsom wordt veroordeeld en derhalve op zich geen reden om hiervan af te zien. Nu gedaagden tegenover de betwisting door [eiseres] geen concrete feiten en omstandigheden hebben gesteld ter onderbouwing van het door hen gestelde restitutierisico, is er geen aanleiding om hiervan af te zien dan wel om aan de uitvoerbaar bij voorraadverklaring de voorwaarde te verbinden dat zekerheid moet worden gesteld.

5.12

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen gedaagden worden veroordeeld in de kosten van [eiseres].

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen ter zake van management fee het bedrag van € 415.440,90 (zegge: vierhonderdvijftienduizendvierhonderdveertig 90/100 euro), waarin begrepen BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW vanaf de respectieve vervaldata van ieder van de facturen tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt gedaagden in de aan de zijde van [eiseres] gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak bepaald op € 4.735,-- aan griffierecht, op € 141,70 aan overige verschotten en op € 12.900,-- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1775/1928