Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI1967

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
308251 / HA ZA 08-1378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekering voor bestuurders- en commissarissenaansprakelijkheid

Eiser heeft vordering op rechtspersoon en maakt de bestuurder een persoonlijk verwijt van de gang van zaken bij de (inmiddels failliete) rechtspersoon, waardoor aandelen die aan eiser geleverd hadden moeten worden en ook reeds betaald waren aan een ander zijn geleverd. Eiser heeft zich de vordering van bestuurder op de verzekeraar laten cederen.

Verzekeraar beroept zich onder andere op te late schademelding, op opzet, op de clausule dat schade voortvloeidende uit faillissement niet is gedekt en op een tussen verzekeraar en bestuurder overeengekomen schikking. Ook betwist hij de geldigheid van de cessie.

de rechtbank oordeelt dat het verweer dat de schade te laat is gemeld slechts tot verval van de dekking kan leiden als de verzekeraar is benadeeld. Om dat te kunnen vaststellen zal de procedure tussen de eiser en de bestuurder, die in hoger beroep op de parkeerrol staat, moeten worden uitgeprocedeerd. De rechtbank verwerpt de overige verweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2009, 60
JRV 2009, 562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 308251 / HA ZA 08-1378

Uitspraak: 18 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VADO HOUDSTERMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. M.S. van Dijk,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLOEMERS & CO. ASSURADEUREN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat J.G. Princen.

Partijen worden hierna aangeduid als "Vado" respectievelijk "Bloemers".

1. Het verloop van het geding

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 13 mei 2008 en de daarbij door Vado overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

1.2. Voorts is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1. Vado Beheer B.V. heeft bij de Nederlandse BCA-pool (hierna Bloemers te noemen) een verzekering afgesloten voor bestuurders- en commissarissenaansprakelijkheid (hierna: de verzekering). De ingangsdatum van deze verzekering was 1 juni 2001.

2.2. Tot de onder de verzekering gedekte rechtspersonen behoorde [X] N.V. (hierna: [X]). [bestuurder] (hierna te noemen [bestuurder]) was bestuurder van [X].

2.3. De van de verzekering opgemaakte polis verwijst naar de voorwaarden BCA.ALG.1998.A. Deze bevatten onder meer de volgende bepalingen:

“2.1 Algemeen

De verzekering dekt aanspraken die tegen verzekerden zijn ingesteld voor door derden geleden schade als gevolg van fouten, mits deze aanspraken tijdens de looptijd of binnen 3 maanden na beëindiging van de verzekering aan verzekeraars schriftelijk zijn kenbaar gemaakt. (…)

Artikel 4 Te vergoeden bedragen

Verzekeraars vergoeden in het kader van artikel 7, tot ten hoogste de in de polis genoemde maxima per aanspraak en per contractsjaar voor alle verzekerden en alle navolgende onderdelen tezamen:

(...)

het bedrag van de schadevergoeding, inclusief de wettelijke rente daarover, die verzekerde gehouden is aan derden te betalen krachtens rechterlijke uitspraak, arbitrale beslissing of schikking;

(…)

5.1 Opzet

Uitgesloten is de aansprakelijkheid voor schade die opzettelijk door één of meer verzekerde(n) is veroorzaakt en/of beoogd. Deze uitsluiting geldt niet voor de verzekerde die aantoont dat de hier bedoelde gedragingen zich buiten of tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem ten aanzien van deze gedragingen geen verwijt treft.

5.2. Overige uitsluitingen

Uitgesloten is de aansprakelijkheid van verzekerden verband houdende met:

(…)

6.2 Ten aanzien van aanspraken

In geval van een (dreigende) aanspraak of omstandigheden dien(t)en verzekeringnemer, verzekerde(n) en/of de curator van de rechtspersoon:

• alle van belang zijnde feiten en omstandigheden zo spoedig mogelijk aan verzekeraars mee te delen;

• alle ontvangen stukken, die betrekking hebben op de aanspraak of omstandigheid, per omgaande aan verzekeraars te zenden;

• aan verzekeraars volledige medewerking te verlenen en alles na te laten wat hun belangen zou kunnen schaden, zoals het (in)direct erkennen van aansprakelijkheid.

6.3 Indien aan één of meer van de in de artikelen 6.1.1, 6.1.2 en 6.2 genoemde (informatie)verplichtingen niet tijdig en/of niet volledig is voldaan, vervalt elk recht op schadevergoeding, indien door verzekeraars wordt aangetoond dat door dit in gebreke blijven hun belangen kunnen zijn geschaad.”

Verder verwijst de polis naar onder andere de volgende clausule:

“D8

In aansluiting op het bepaalde in artikel 5.2 van de algemene Voorwaarden is eveneens van deze verzekering uitgesloten de aansprakelijkheid van de verzekerde(n) voortvloeiende uit en/of verband houdende met het faillissement en/of het in staat van surséance van betaling verkeren van [X] N.V.”

2.4. Crescentia heeft op 20 december 2000 een koopovereenkomst gesloten met [X] inhoudende dat Crescentia 18.000 aandelen Euronext van [X] kocht voor € 543.346,--. Crescentia heeft deze koopsom voldaan. Echter voordat de levering van de aandelen zou plaatsvinden heeft [X] de betreffende aandelen Euronext op 3 oktober 2001 verkocht en geleverd aan een derde.

2.5. Op 20 november 2001 is een fusieakte verleden betreffende Crescentia met gevolg dat Crescentia per 20 november 2001 is gefuseerd met Vado als verkrijgende vennootschap en Crescentia is opgehouden te bestaan. Vado is derhalve rechtsopvolger onder algemene titel van Crescentia.

2.6. Aan [X] is op 28 november 2001 surseance van betaling verleend, welke op 3 december 2001 is overgaan in faillissement.

2.7. Vado heeft op 10 januari 2002 [bestuurder] gedagvaard. Vado heeft daartoe aangevoerd dat [bestuurder] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij opdracht heeft gegeven om de aandelen Euronext in depot te plaatsen bij Kasbank N.V. zodat daarop een pandrecht van Kasbank N V. werd gevestigd en vervolgens opdracht heeft gegeven tot verkoop van de aandelen en derhalve wist, althans behoorde te weten dat [X] daardoor haar verplichtingen uit voornoemde overeenkomst van 20 december 2000 niet zou kunnen nakomen.

2.8. Bij vonnis van de rechtbank Alkmaar van 17 december 2003 heeft de rechtbank in de onder 2.7 bedoelde zaak overwogen dat "… het verwijt dat [bestuurder] treft in verband met het niet nakomen van de overeenkomst met Vado zo ernstig is, dat hij jegens Vado onrechtmatig heeft gehandeld en mitsdien persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die Vado als gevolg van het niet nakomen van de overeenkomst heeft geleden." De rechtbank heeft [bestuurder] vervolgens veroordeeld tot betaling van de bedragen € 432.000,--, € 64.001,69, € 4.448,- en € 4.838, met rente en kosten.

2.9. Naar aanleiding van dit vonnis heeft de toenmalige raadsman van Vado op 2 februari 2004 contact opgenomen met IAK Verzekeringen B.V. (hierna: IAK), de assurantietussenpersoon bij de verzekering. Bloemers heeft hierop, via IAK, laten weten dat voor haar geen taak was weggelegd, aangezien clausule D8 van toepassing was, inhoudende dat vorderingen die verband houden met het faillissement van [X] van dekking zijn uitgesloten. In verdere correspondentie heeft Bloemers zich ook nog op andere afwijzingsgronden beroepen. Bloemers heeft gesteld dat Vado geen rechten kan ontlenen aan de polis, omdat niet zij, maar [bestuurder] de verzekerde is. Daarnaast heeft zij gesteld dat [bestuurder] op grond van artikel 6.2 en 6.3 van de polisvoorwaarden gehouden was melding te maken van de dreigende aanspraak.

2.10. [bestuurder] heeft op 27 augustus 2004 zijn vordering op grond van de verzekering gecedeerd aan Vado. Vervolgens heeft Vado de betreffende akte van cessie op 21 september 2004 aan Bloemers betekend.

2.11. Bij brief van 1 juli 2004 heeft mr. Boddaert als raadsman van [bestuurder] aan Bloemers (BCA Pool) het volgende geschreven:

“Namens cliënt wil ik u dan ook verzoeken om bij wijze van coulance de navolgende regeling te treffen:

1. Assuradeuren verstrekken aan de heer [bestuurder] een eenmalig bedrag van € 15.000,00, teneinde hem in staat te stellen de kosten van het hoger beroep tegen de uitspraak inzake Vado te bekostigen.

2. De heer [bestuurder] zal zijn eventuele rechten uit hoofde van de polis niet aan Vado overdragen, en geen verder beroep op de polis doen. Voor assuradeuren heeft dit het voordeel, dat zij gevrijwaard zijn van eventuele aanspraken van Vado uit hoofde van de polis.”

2.12. Bij fax van 5 juli 2004 heeft Bloemers aan mr. Boddaert onder meer het volgende geschreven:

“Wij kunnen akkoord gaan met uw voorstel, inhoudende dat wij de heer [bestuurder] een eenmalige bedrag betalen van EUR 15.000,00 waarna de heer [bestuurder] geen beroep meer zal doen op de polis en zijn eventuele rechten uit de polis niet zal overdragen, aan welke partij dan ook. (…) Wij ontvangen deze fax graag door de heer [bestuurder] voor akkoord getekend retour.”

2.13. Bij brief van 23 augustus 2004 heeft mr. Boddaert aan Bloemers (BCA Pool) onder meer het volgende geschreven:

“Naar aanleiding van uw brief d.d. 5 juli 2004 moet ik u berichten, dat de heer [bestuurder] niet bereid is gebleken deze brief voor akkoord te ondertekenen, zodat de beoogde overeenkomst niet tot stand is gekomen. Dit brengt met zich mede, dat het in mijn brief d.d. 1 juli 2004 gestelde is vervallen, zodat hieraan door u geen rechten kunnen worden ontleend.

De heer [bestuurder] moet dan ook zijn aanspraken uit hoofde van de polis jegens verzekeraars handhaven. Teneinde uw rechten in deze te waarborgen, zal de procedure in hoger beroep alsnog voor het Gerechtshof worden gebracht.”

2.14. Aan [X] is op 28 november 2001 surseance van betaling verleend, welke op 3 december 2001 is overgaan in faillissement.

3. De vordering

3.1. De vordering van Vado luidt in de bewoording van de dagvaarding: dat het de rechtbank, behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Te verklaren voor recht dat de vordering, uit hoofde van de bestuurdersaansprakelijkheid polis met polisnummer VCB0101504, door dhr. [bestuurder] is gecedeerd aan Vado Houdstermaatschappij B.V.;

II. Te verklaren voor recht dat Bloemers & Co. Assuradeuren B.V. niet gerechtigd is de geclaimde aanspraak, zoals verwoord in het lichaam van de dagvaarding, geheel te doen vervallen met een beroep op de artikelen 6.2 en 6.3 van de algemene voorwaarden (te late melding) behorende bij de bestuurdersaansprakelijkheid polis met polisnummer VCB0101504;

III. Te verklaren voor recht dat Bloemers Co. Assuradeuren B. V. niet gerechtigd is de geclaimde aanspraak, zoals verwoord in het lichaam van de dagvaarding, geheel te doen vervallen met een beroep op de uitsluitingclausule D8 van de bestuurdersaansprakelijkheid polis met polisnummer VCB0101504;

IV. Te verklaren voor recht dat Bloemers Co. Assuradeuren B.V., op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid polis met polisnummer VCB0101504 tot uitkering aan Vado Houdstermaatschappij B.V. gehouden is, krachtens het vonnis van de rechtbank te Alkmaar d.d. 17 december 2003, met zaaknummer/rolnummer: 57475/HA ZA 02-66;

V. Bloemers Co. Assuradeuren B. V. te veroordelen in de kosten van deze procedure;

3.2. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Vado aan de vordering het volgende ten grondslag gelegd. [bestuurder] is verzekerde krachtens de onder 2.1 bedoelde verzekeringsovereenkomst. [bestuurder] is als bestuurder aansprakelijk gehouden voor door Vado geleden schade krachtens het onder 2.8 aangehaalde vonnis. Bloemers is als verzekeraar gehouden de door [bestuurder] geleden schade te vergoeden. Vado is krachtens cessie in de rechten van [bestuurder] jegens Bloemers getreden.

4. Het verweer

4.1. Het verweer strekt tot niet ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van Vado in de kosten van het geding.

4.2. Bloemers heeft daartoe het volgende aangevoerd:

- [bestuurder] en Vado hebben Bloemers niet tijdig en niet voldoende geïnformeerd;

- [bestuurder] heeft in de onder 2.7 bedoelde procedure onvoldoende verweer gevoerd;

- Aansprakelijkheid is niet gedekt omdat het evenement zich heeft voorgedaan voor de ingangsdatum van de verzekering;

- Er is geen dekking wegens clausule D8;

- Op grond van het bepaalde in artikel 5.1 is er geen dekking wegens opzet;

- Vado heeft geen vordering op [bestuurder] en dus ook niet op Bloemers omdat sprake is van eigen schuld;

- Er is geen dekking omdat [bestuurder] en Bloemers een (vaststellings)over¬een¬komst hebben gesloten; [bestuurder] komt deze overeenkomst toerekenbaar niet na;

- De onder 2.10 bedoelde cessie heeft geen rechtsgevolg.

De genoemde verweren zullen hierna worden besproken.

5. De beoordeling

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [bestuurder] als verzekerde onder de verzekering geldt. In de correspondentie voorafgaand aan deze procedure heeft Bloemers op verschillende gronden het verzoek om een uitkering afgewezen. Zij heeft zich in deze procedure ook op die gronden beroepen en daar nog gronden aan toegevoegd. Vado heeft betoogd dat dit laatste haar niet vrij stond.

Hier doet zich niet de situatie voor dat de verzekeraar nadat een grond voor afwijzing onhoudbaar is gebleken zich alsnog op een geheel nieuwe grond voor afwijzing is gaan beroepen, hetgeen een verzekeraar niet vrij staat . In het onderhavige geval heeft de verzekeraar naast eerder aangevoerde gronden nog nieuwe gronden voor afwijzing van de uitkering aangevoerd. Deze liggen in het verlengde van de reeds aangevoerde gronden. Vado is door deze (proces)houding niet in zijn verdediging geschaad en jegens Vado is geen verwachting gewekt dat bepaalde verweren niet zouden worden gevoerd. Het staat Bloemers daarom vrij haar verweer met nadere verweren aan te vullen.

De rechtbank zal thans de door Bloemers aangevoerde verweren bespreken.

Verweer inhoudende dat [bestuurder] en Vado Bloemers niet tijdig en niet voldoende hebben geïnformeerd en dat [bestuurder] onvoldoende verweer heeft gevoerd

5.2. Vast staat dat [bestuurder] Bloemers niet zo tijdig als art. 6.2 van de polis¬voorwaarden vereist heeft medegedeeld dat hij door Vado als bestuurder aansprakelijk was gesteld; pas nadat de rechtbank Alkmaar het onder 2.8 aangehaalde vonnis had gewezen is Bloemers van dit vonnis op de hoogte gekomen.

Volgens artikel 6.3 van de polisvoorwaarden kan het niet tijdig en/of volledig voldoen aan de in artikel 6.2 genoemde verplichting leiden tot volledig verval van elk recht op schadevergoeding, indien door verzekeraar wordt aangetoond dat door dit in gebreke blijven hun belangen (kunnen) zijn geschaad.

Te dien aanzien heeft Bloemers uitvoerig betoogd dat het door [bestuurder] gevoerde verweer onvoldoende was en dat zij indien zij bij de procedure betrokken zou zijn geweest er voor had kunnen zorgen dat wel behoorlijk verweer zou zijn gevoerd. Bij dupliek heeft Bloemers zich op het standpunt gesteld dat de procedure die thans bij het hof op de parkeerrol staat, alsnog zal moeten worden gevoerd.

5.3. De rechtbank stelt voorop dat een aansprakelijkheidsverzekeraar er in beginsel belang bij heeft vroegtijdig te worden geïnformeerd over een aansprakelijkstelling, zodat zij bij het te voeren verweer betrokken kan zijn. Die kans heeft Bloemers in eerste aanleg niet gehad. Of zij hierdoor in haar belangen is geschaad zal echter pas kunnen worden vastgesteld nadat de procedure in hoger beroep (en hetgeen daar eventueel verder nog op volgt) tot een einduitspraak heeft geleid. Van een zodanig geschaad zijn in de belangen zal uiteraard geen sprake zijn als het hof de vordering alsnog afwijst. Evenmin is Bloemers in haar belangen geschaad als alle door haar van belang geachte verweren in hoger beroep zijn gevoerd, maar door het hof worden verworpen. Uit de uitspraak van het hof zal echter kunnen blijken dat Bloemers wel in haar belangen is geschaad, bijvoorbeeld als het hof ten aanzien van een of meer verweren die op verzoek van Bloemers zijn gevoerd tot het oordeel komt dat deze niet meer gevoerd kunnen worden gezien de proceshouding van [bestuurder] in eerste aanleg. Dit zou tot het oordeel kunnen leiden dat Bloemers wel in haar belang is geschaad.

De rechtbank zal dit verweer dus eerst kunnen beoordelen nadat de procedure tussen Vado en [bestuurder] die thans bij het Gerechtshof op de parkeerrol staat tot een uitspraak heeft geleid die in kracht van gewijsde is gegaan en partijen daarop elk met inachtneming van bovenstaande rechtsoverweging bij akte commentaar hebben kunnen leveren. Deze zaak zal daartoe naar de parkeerrol worden verwezen.

evenement voor of na de ingangsdatum van de verzekering

5.4. De verzekering is ingegaan op 1 juni 2001. Bloemers heeft gesteld dat alle door Vado gevorderde bedragen betrekking hebben op transacties die hebben plaatsgevonden voor 1 juni 2001.

5.5. Vado heeft gesteld dat de schade veroorzakende gebeurtenis zich op 3 oktober 2001 heeft voorgedaan.

5.6. De rechtbank stelt vast dat de aan [bestuurder] verweten handeling is dat hij aandelen Euronext aan een derde heeft verkocht op 3 oktober 2001. Dit verwijt heeft tot het onder 2.8 aangehaalde oordeel van de rechtbank Alkmaar geleid, dat op zijn beurt weer aan dit geding ten grondslag ligt. Het verweer van Bloemers moet dan ook worden verworpen.

clausule D8

5.7. Bloemers heeft zich na haar aansprakelijkstelling beroepen op de onder 2.3 aangehaalde clausule D8, welk beroep zij in deze procedure handhaaft. Zij heeft daartoe kort samengevat gesteld dat [X] in een zeer slechte positie verkeerde en dat de verlieslatende inkomstenstroom in 2001 begrepen dient te worden onder de in clausule D8 gebruikte woorden “voortvloeiende uit en/of verband houdende met het faillissement en/of het in staat van surséance van betaling verkeren van [X] N.V.”

5.8. Vado betwist dat de onderhavige aansprakelijkheid er een is “voortvloeiende uit en/of verband houdende met” het faillissement van [X].

5.9. Uit de wederzijdse standpunten blijkt dat partijen de overeenkomst op dit punt elk in verschillende zin hebben opgevat. Ter beantwoording van de vraag welke opvatting de juiste is, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan het beding waarvan nakoming wordt gevorderd en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uitgangspunt is daarbij de normale betekenis van de tekst van het beding, nu geen van de partijen met betrekking tot deze clausule bijzondere omstandigheden heeft gesteld die op de uitleg van het beding van invloed zouden kunnen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank ziet clausule D8 niet op de vraag of de onderneming al dan niet dreigt failliet te gaan, maar gaat het om de aard van de aansprakelijkheid waarvoor al dan niet dekking wordt verleend. Het gedrag dat [bestuurder] wordt verweten is dat hij aandelen Euronext die aan Vado geleverd hadden moeten worden aan een derde heeft verkocht op 3 oktober 2001. Deze gedraging zou ook zonder dat een faillissement zou zijn gevolgd een onrechtmatig handelen van [bestuurder] op kunnen leveren. Van een aansprakelijkheid zoals deze zich slechts als gevolg van een faillissement kan voordoen, zoals de bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van art. 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW), is geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aansprakelijkheid voor deze gedraging niet kan worden gezien als “aansprakelijkheid van de verzekerde(n) voortvloeiende uit en/of verband houdende met het faillissement en/of het in staat van surséance van betaling verkeren van [X] N.V.”, zodat clausule D8 toepassing mist. Het onder III gevorderde ligt voor toewijzing gereed. Omdat de rechtbank thans een tussenvonnis wijst en een beslissing op dit punt een eindbeslissing zou zijn, waartegen reeds thans hoger beroep open zou staan, zal een beslissing op dit punt pas worden gegeven in het eindvonnis.

opzet

5.10. Bloemers heeft zich beroepen op de onder 2.3 aangehaalde opzetclausule (5.1). Zij heeft gesteld dat uit het verslag van de curator van [X] blijkt dat reeds eind mei 2001 een boeking is gemaakt dat de aandelen zijn terugverkocht en is de koopprijs niet gesteld op naam van Vado als crediteur maar op de rekening “kruisposten”. Deze boeking werd door [bestuurder] persoonlijk verricht, aldus Bloemers. Bloemers leidt hieruit een vooropgezet plan af om de aandelen niet aan Vado te leveren.

5.11. Vado stelt dat [bestuurder] in de hectiek opdracht heeft gegeven alle op eigen boek staande effecten te verkopen, waardoor abusievelijk ook de aandelen die voor Vado bestemd waren verkocht zijn.

De onder 5.10 bedoelde boeking op de rekening “kruisposten” heeft Vado als zodanig geen schade toegebracht. De schade is veroorzaakt door de verkoop op 3 oktober 2001, aldus Vado.

5.12. De rechtbank is met Vado van oordeel dat de in mei verrichte boeking geen schade heeft toegebracht. Bovendien is uit die boeking naar het oordeel van de rechtbank geen opzet tot het niet leveren van de aandelen aan Vado af te leiden. Vervolgens is de vraag of de verkoop van de voor Vado bestemde aandelen Euronext op 3 oktober 2001 is geschied met opzet. Daarvoor is niet voldoende dat die verkoop op zichzelf opzettelijk is gebeurd, maar is vereist dat opzettelijk is gehandeld met het oogmerk de op [X] rustende contractuele verplichting jegens Vado te frustreren, zodat de daardoor door Vado geleden schade opzettelijk is veroorzaakt.

5.13. Vado stelt dat Noorloos alle bij [X] op eigen boek staande effecten heeft verkocht en dat daarbij abusievelijk ook de voor Vado bestemde aandelen zijn verkocht. Bloemers heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat deze door Vado gestelde gang van zaken onjuist is of niet juist kan zijn. De rechtbank zal hiervan dan ook uit gaan. Dit leidt tot de conclusie dat van opzet in de zin van artikel 5.1 van de polisvoorwaarden geen sprake.

eigen schuld van Vado

5.14. Volgens Bloemers heeft Vado geen vordering op [bestuurder] en dus ook niet op Bloemers omdat sprake is van eigen schuld. Volgens artikel 3 lid 2 van de tussen [X] en Cresentia gesloten overeenkomst gold:

“Indien [X] niet tot terugkoop volgens artikel 4 overgaat, dan zullen de aandelen direct na 1 juli 2001 juridisch worden overgedragen aan Crescentia.”

Als Crescentia zou hebben bewerkstelligd dat zij na 1 juli 2001 de aandelen overgedragen kreeg, zou de verkoop aan een derde in oktober niet meer hebben kunnen plaatsvinden. Dit is volgens Bloemers eigen schuld, die moet leiden tot een geheel vervallen dan wel een zeer substantiële matiging van de schadevergoedingsplicht.

5.15. Vado heeft zich erop beroepen dat het gebruikelijk is dat een broker zoals [X] aandelen in bewaring houdt en deze desgewenst doorverkoopt.

5.16. De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld. Van eigen schuld kan sprake zijn als er van de kant van de schadelijder ten tijde van het schadetoebrengende feit omstandigheden zijn die tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Dat Vado betrokken was bij de verkoop van de voor haar bestemde aandelen is echter niet gesteld of gebleken, noch zijn andere omstandigheden aan de kant van Vado gesteld die tot de schade hebben bijgedragen.

Het niet onmogelijk maken van de schadeveroorzakende gebeurtenis kan slechts als eigen schuld gelden als op de schadelijder een verplichting rustte om die gebeurtenis te voorkomen. Een dergelijke verplichting kan in dit geval niet worden aangenomen. Het beroep op eigen schuld faalt dus.

overeenkomst tussen [bestuurder] en Bloemers

5.17. Bloemers heeft op grond van de onder 2.11 en 2.12 weergegeven brieven gesteld dat tussen partijen een schikkingsovereenkomst tot stand is gekomen.

5.18. Vado betwist dat een overeenkomst is tot stand gekomen en wijst daarbij op de onder 2.13 aangehaalde brief.

5.19. De rechtbank is van oordeel dat uit de onder 2.11-13 aangehaalde correspondentie niet kan worden afgeleid dat tussen [bestuurder] en Bloemers een overeenkomst tot stand is gekomen als door Bloemers gesteld. De brief van Bloemers (aangehaald onder 2.12) wijkt immers af van het aanbod (aangehaald onder 2.11). Het verschil is dat volgens de brief van mr. Boddaert de overdracht van rechten uit de polis alleen niet aan Vado zou mogen plaatsvinden, terwijl de brief van Bloemers ruimer is, te weten dat dit niet “aan welke partij dan ook” zou mogen gebeuren. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen afwijking ‘slechts op ondergeschikte punten’ in de zin van artikel 6:225 lid 2 BW. Er is dan ook volgens artikel 6:225 lid 1 BW sprake van een tegenbod van Bloemers dat op zijn beurt aanvaarding door [bestuurder] behoefde. Bloemers gaat hier zelf ook vanuit doordat zij een door [bestuurder] voor akkoord getekend exemplaar van deze brief verlangde. Nu deze akkoordverklaring er niet is gekomen, maar de onder 2.13 aangehaalde brief, waarin het aanbod van de hand werd gewezen, is geen overeenkomst tot stand gekomen. Dit is te meer het geval nu niet is gesteld of gebleken dat Bloemers destijds heeft gereageerd op de onder 2.13 aangehaalde brief.

rechtsgevolg cessie

5.20. Bloemers heeft zich met verwijzing naar artikel 3:83 Burgerlijk Wetboek (BW) op het standpunt gesteld dat de aard van het recht zich er tegen verzet dat dit wordt overgedragen, zodat de onder 2.10 bedoelde cessie niet rechtsgeldig is. Bloemers legt hieraan ten grondslag dat de wet in titel 7.17 BW slechts in beperkte gevallen een directe actie van de schadelijder jegens de verzekeraar mogelijk maakt. Verder heeft Bloemers gesteld dat Vado door zich rechtstreeks tot Bloemers te wenden misbruik van bevoegdheid maakt als bedoeld in artikel 3:13 BW.

5.21. Vado betwist het standpunt van Bloemers.

5.22. De vordering van [bestuurder] op Bloemers is een vordering tot betaling van een geldsom. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aard van het recht zich niet verzet tegen overdraagbaarheid. Het is immers voor Bloemers niet bezwarender om een geldsom te betalen aan Vado dan dat zij diezelfde geldsom aan [bestuurder] zou moeten betalen. Anders gezegd: nu de aard van de prestatie geen persoonlijk karakter heeft, verzet niets zich tegen overdraagbaarheid. Dat in titel 7.17 is een beperkt aantal gevallen een rechtstreekse actie van schadelijder jegens verzekeraar is geregeld, staat aan cessie in (die en) andere gevallen niet in de weg. Ook is gezien de aard van de overgedragen vordering niet in te zien welk nadeel Bloemers door de cessie lijdt, zodat ook van misbruik van recht geen sprake is. De rechtbank gaat dan ook uit van de rechtsgeldigheid van de onder 2.10 genoemde cessie. De onder I gevorderde verklaring voor recht ligt voor toewijzing gereed. Omdat de rechtbank thans een tussenvonnis wijst en een beslissing op dit punt een eindbeslissing zou zijn, waartegen reeds thans hoger beroep open zou staan, zal een beslissing op dit punt pas worden gegeven in het eindvonnis.

conclusie

5.23. Bloemers heeft zich op verschillende afwijzingsgronden beroepen. Over de grond dat [bestuurder] en Vado haar niet tijdig en niet voldoende hebben geïnformeerd en de daarmee samenhangende grond dat [bestuurder] onvoldoende verweer heeft gevoerd kan, zoals in rechtsoverweging 5.3 overwogen, thans nog geen oordeel worden gegeven. De overige verweren falen.

De zaak wordt naar de parkeerrol verwezen voor het in die rechtsoverweging weergegeven doel. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank,

6.1. verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 6 oktober 2010 voor het nemen van een akte als bedoeld in rechtsoverweging 5.3, voor het eerst door Bloemers, daarna antwoordakte van Vado,

6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009 door mr. C. Bouwman.