Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI1641

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
939766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werknemer leidt aan schizofrenie en heeft een hoog ziekteverzuim. Op zeker moment geeft de werknemer aan dat hij sinds vijf maanden cocaïne gebruikt en daar aan verslaafd is geraakt. Volgens het beleid van de werkgever is druggebruik tijdens of voorafgaand aan het werk ten strengste verboden. Dit staat o.a. in handboek dat aan de werknemer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst is overhandigd. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van het niet meer bestaan van vertrouwen tussen partijen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0442
RAR 2009, 117
JIN 2009/425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

Beschikking ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ardea Auto B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

verzoekster,

gemachtigde: mr. C.I.M. Molenaar te Amsterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Buitelaar te Rotterdam.

Partijen worden hierna “Ardea” en “[verweerder]” genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 17 november 2008 is ter griffie het verzoekschrift, met producties, van Ardea ontvangen. Ardea verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens gewichtige redenen, primair bestaande uit een dringende reden en subsidiair bestaande uit een verandering in omstandigheden.

1.2 Hierop heeft de kantonrechter een datum voor de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald. Voorafgaand aan de zitting heeft de kantonrechter van de gemachtigde van [verweerder] een verweerschrift ontvangen en voorts een brief d.d. 15 december 2008, met één productie.

1.3 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgehad op 16 december 2008. Daarbij is namens Ardea mevrouw D. van der Pers verschenen met de gemachtigde van Ardea. Voorts is [verweerder] met zijn moeder en zijn gemachtigde verschenen.

1.4 Beide partijen hebben het eigen standpunt mondeling toegelicht. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Die aantekeningen bevinden zich in het procesdossier.

1.5 De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze door de ene partij zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en door de andere partij niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1 [verweerder], geboren op [geboortedatum], is sinds 1 april 1999 in dienst van Ardea, thans voor onbepaalde tijd. Hij bekleedt de functie van ‘Eerste Autotechnicus’. Zijn salaris bedraagt laatstelijk € 2.008,26 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2.2 Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen zijn de bepalingen van het binnen Ardea gehanteerde personeelshandboek van toepassing. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

Rookbeleid, alcohol, drugs en medicijnen (…) Het gebruik van alcohol en drugs tijdens of voor de aanvang van het werk is ten strengste verboden. (…) Werknemers die deze regel overtreden zijn aansprakelijk voor alle nadelige gevolgen (schade). Bij verdenking van overtreding van deze regel heeft de Groep het recht een onderzoek in te stellen. Als uit dit onderzoek blijkt dat er gehandeld is in strijd met deze regel, kunnen afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, maatregelen worden getroffen. Hierbij gaat het om disciplinaire en arbeidsrechtelijke maatregelen zoals berisping, overplaatsing, schorsing en beëindiging van de arbeidsovereenkomst, inclusief ontslag op staande voet.

2.3 Sinds 2002 heeft [verweerder] ernstige psychische klachten (schizofrenie). Als gevolg daarvan is hij in 2002 voor een periode van vijf maanden uitgevallen. In de jaren 2003 tot en met 2005 is hij als gevolg van die klachten steeds voor minimaal een maand uitgevallen en in 2006 en 2007 bedroeg het verzuim van [verweerder] ruim drie maanden per jaar.

2.4 In 2008 is sprake van een verzuim van 7 maanden. Vanaf mei 2008 is begonnen met een voorzichtige re-integratie van [verweerder]. Sindsdien werkt hij twee uur per dag in aangepast werk.

2.5 Tijdens een re-integratiegesprek op 14 oktober 2008 heeft [verweerder] aan medewerkers Van der Pers en Steenwijk van Ardea meegedeeld dat hij sinds vijf maanden cocaïne gebruikte en inmiddels verslaafd was geraakt.

2.6 Hierop heeft Ardea [verweerder] per direct op non-actief gesteld en hem daarna bij aangetekende brief van 17 oktober 2008, met als onderwerp “Officiële waarschuwing”,

het volgende geschreven:

“Geachte heer [verweerder],

Ter bevestiging van het onderhoud dat ondergetekende en mevrouw D. van der Pers dinsdagmorgen 14 oktober jl. met u hadden, schets ik hieronder de gebeurtenissen en bevestig ik de officiële waar-schuwing die naar aanleiding daarvan aan u is gegeven.

Het gesprek met u was in eerste instantie bedoeld om met u het verloop van uw ziekteverzuim en de

re-integratieactiviteiten te bespreken. U begon het gesprek echter door ons te vertellen dat u sinds 5 maanden de drug cocaïne gebruikt. U heeft naar eigen zeggen ook op maandag 13 oktober jl. cocaïne gebruikt waarna u zich, achteraf gezien dus onterecht, heeft ziekgemeld. Ook voor aanvang van ons gesprek zegt u cocaïne te hebben gebruikt. Vervolgens heeft u ons verteld dat u verslaafd bent geraakt aan de cocaïne.

In de afgelopen maanden bent u meerdere keren te laat op uw werk verschenen en is het herhaaldelijk voorgekomen dat u helemaal niet op uw werk bent verschenen. U bent hierop ook door uw chef aan-gesproken en wanneer hij u naar de reden hiervan vroeg, gaf u aan dat u te vermoeid was om volgens het re-integratieschema te komen werken. U heeft hierbij nooit aangegeven dat u cocaïne gebruikte. Ook toen uw chef u meerdere malen heeft gevraagd of u drugs gebruikte, heeft u dit altijd ontkend.

U heeft met dit gedrag op zijn minst in ernstige mate uw genezing belemmerd – juist omdat u aangeeft dat uw klachten liggen op het gebied van concentratie, negatieve gedachten, duizeligheid en het niet aankunnen van spanning en werkdruk. Maar het roept ook de vraag op of u het voortduren van uw ziek-zijn niet simuleert. Bovendien geeft u hiermee aan dat u de begeleiding van de arbodienst, afdeling personeelszaken en uw leidinggevende niet serieus heeft genomen.

De hierboven geschetste gedragingen vinden wij volledig onacceptabel en zijn in strijd met de regels van het Stern Personeels Handboek, die een onlosmakelijk deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst en waarvan u bij uw indiensttreding een exemplaar heeft ontvangen.

U heeft hiermee het vertrouwen van de werkgever ernstig beschaamd. Voor dit laakbare gedrag heeft u dan ook een officiële waarschuwing gekregen en bent u, tot nader order, op non-actief gezet. Dit betekent dat het u verboden wordt om uw werkzaamheden te verrichten. Wij zullen deze periode gebruiken om ons te beraden over de wenselijkheid van de voortzetting van uw dienstverband bij Ardea Auto B.V. (…)”.

2.7. Ardea heeft het salaris over de maand oktober niet tijdig betaald: dat is pas gebeurd op 7 november 2008. Het salaris over de maand november is betaald op 15 december 2008.

3. De standpunten van partijen

De zienswijze van Ardea

Ardea heeft ter toelichting op haar verzoek naast voormelde feiten en verkort weergegeven het volgende aangevoerd.

3.1 Door het regelmatige verzuim van [verweerder] staat de arbeidsverhouding tussen partijen al een aantal jaren onder druk. Omdat [verweerder] op een relatief kleine vestiging werkzaam is, heeft de productiviteit en logistiek daar behoorlijk te lijden onder de regelmatige uitval van [verweerder]. Ook is het begrip van zijn collega’s voor de situatie van [verweerder] door de jaren heen minder geworden. Ardea heeft daarentegen wel altijd begrip getoond voor de psychische gebreken van [verweerder] en heeft zich er altijd voor ingespannen om begrip te kweken bij de collega’s.

3.2 Door de mededeling van [verweerder] in het gesprek van 14 oktober 2008 (zie 2.5) is bij Ardea het vertrouwen in een vruchtbare voortzetting van de samenwerking verdwenen. Zij ziet [verweerder] daarom ook niet graag terugkeren op de werkvloer, te meer omdat het gebruik van cocaïne in de functie van [verweerder] teveel risico’s met zich meebrengt. Een dergelijk risico is voor Ardea onaanvaardbaar. In dit verband wijst Ardea erop dat [verweerder] ermee bekend was dat in het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke personeelshandboek (zie 2.2) is opgenomen dat het gebruik van drugs ten strengste is verboden.

3.3 Volgens Ardea is er primair sprake van een dringende reden die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te leiden. Subsidiair is er door de laakbare handelwijze van [verweerder] sprake van een dermate verstoorde arbeidsrelatie dat deze de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. In beide gevallen bestaat er geen aanleiding [verweerder] een ontbindingsvergoeding toe te kennen. Aldus Ardea.

3.4. Ardea stelt tenslotte dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod.

Het verweer van [verweerder]

[verweerder] heeft -eveneens samengevat- het volgende als verweer gevoerd.

3.5 Tijdens het gesprek van 14 oktober 2008 heeft [verweerder] ongevraagd opgebiecht dat

hij vanwege zijn problemen cocaïne gebruikte. Daardoor was hij maandag de 13e niet in staat te werken en ging het ook op de 14e niet goed. Het was in feite een schreeuw om hulp.

De medicatie voor zijn schizofrenie werkte namelijk niet meer goed en om zich beter te voelen en zijn werk te kunnen volhouden gebruikte [verweerder] cocaïne. [verweerder] onderschrijft dat drugsgebruik op de werkvloer zonder twijfel niet getolereerd kan worden en te gevaarlijk is, hoewel er volgens hem niet daadwerkelijk gevaarlijke situaties op de werkvloer zijn ontstaan.

3.6 Verder erkent [verweerder] een aantal malen niet of te laat op het werk te zijn verschenen.

Dit zijn echter allemaal symptomen van het feit dat hij zich al langere tijd niet goed voelde

bij zijn toenmalige medicatie. Inmiddels heeft hij andere medicatie en gaat het langzamerhand beter.

In dit verband wijst [verweerder] erop dat het niet tijdig anticiperen (inroepen van hulp) een typisch kenmerk is bij schizofreniepatiënten: een te passieve opstelling wanneer een actieve opstelling gewenst is. Zo heeft hij na de op non-actief stelling ook geen hulp van de vakbond ingeroepen.

3.7 Doordat [verweerder] vanaf 14 oktober 2008 op non-actief gesteld thuis zat en niets van Ardea hoorde, ging het almaar slechter met hem. Daarnaast was ook zijn loon stopgezet zodat hij zijn rekeningen niet meer kon betalen en ook geen geld voor eten had. Dit heeft er toe geleid dat [verweerder] op 15 november 2008 totaal is ingestort: hij moest door de politie geboeid worden afgevoerd naar een psychiatrisch ziekenhuis.

Omstreeks 2 december 2008 is [verweerder] uit die instelling ontslagen. Zijn maatschappelijk werker heeft vervolgens de stukken van de rechtbank in het kader van deze procedure naar de vakbond gestuurd.

3.8 [verweerder] stelt zich op het standpunt dat hij zijn re-integratie niet bewust gefrustreerd heeft, maar juist getracht heeft deze vol te houden door cocaïne te gebruiken. Hij probeerde uit deze negatieve spiraal te komen door het cocaïnegebruik op te biechten. Helaas heeft Ardea dit niet opgepakt.

3.9 Voorts beroept [verweerder] zich expliciet op het opzegverbod tijdens ziekte: gelet op

zijn ziekte zijn de hem verweten gedragingen juist herkenbaar als typisch behorende bij

schizofrenie: hij is cocaïne gaan gebruiken omdat hij schizofreen is, en omdat het al een aantal maanden niet goed met hem ging.

Zo lang niet vast staat dat die gedragingen niets te maken hebben met zijn ziekte, is er sprake van strijdigheid met dit opzegverbod. Bovendien zou ontbinding van de arbeidsovereenkomst [verweerder] iedere kans ontnemen om te herstellen en uit de negatieve spiraal naar boven te komen. In de gegeven omstandigheden, waaronder zijn zeer beperkte kansen op de arbeidsmarkt, is ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet gerechtvaardigd.

Mocht deze toch ontbonden worden, dan is een vergoeding ad € 32.533,81 bruto op zijn plaats.

3.10 Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, voor zover althans voor de uitkomst van de procedure van belang, komt de kantonrechter zonodig hierna terug.

4. De beoordeling

4.1 Ten aanzien van het beroep van [verweerder] op het opzegverbod tijdens ziekte wordt het volgende overwogen.

Niet in geschil is dat [verweerder] - reeds lange tijd - arbeidsongeschikt is.

Duidelijk is verder dat het onderhavige verzoek tot ontbinding geen verband houdt met die

(al lang bestaande) arbeidsongeschiktheid als zodanig, maar is ingegeven door de door [verweerder] erkende omstandigheid dat hij al circa vijf maanden cocaïne had gebruikt en daaraan verslaafd was geraakt, en dit bleef verzwijgen tegenover medewerkers van Ardea, hoewel hem daarnaar, juist tegen de achtergrond van zijn langdurig verzuim en het met hem opgestarte re-integratietraject, meermalen is gevraagd.

4.2 Dat dit gedrag van [verweerder] in dusdanig nauw verband tot zijn arbeidsongeschiktheid (wegens psychische klachten) staat dat ook onder deze omstandigheden het opzegverbod tijdens ziekte opgaat en aan ontbinding van de arbeidovereenkomst in de weg staat, is door [verweerder] wel gesteld, maar bepaald onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het is bepaald niet zo dat het een feit van algemene bekendheid is, dat psychische problemen leiden tot verslaving, laat staan tot verslaving aan verboden harddrugs, die slechts op illegale wijze te verkrijgen zijn.

Het zou op de weg van [verweerder] hebben gelegen de door hem ter verdediging aangevoerde ‘wetmatigheid’ tussen zijn psychische problemen en het verslaafd raken aan (juist deze) drugs, aanstonds te staven, bijvoorbeeld door een deugdelijk deskundigenoordeel over te leggen.

Dat heeft hij niet gedaan. De wel door hem in het geding gebrachte brief van 11 december 2008 van de maatschappelijk werker van het Delta Psychiatrisch Centrum (waarin ook de motivering van de voor hem afgegeven gerechtelijke IBS [inbewaringstelling] wordt geciteerd) toont een dergelijke ‘wetmatigheid’ in zijn geval in ieder geval niet aan.

Voor verdere bewijsvoering leent deze procedure zich niet.

Dit verweer wordt dan ook verworpen.

4.3 Zoals blijkt uit het door Ardea in dit verband geciteerde en in het geding gebrachte (deel van het) personeelshandboek heeft zij zich voorbehouden om verschillende sancties toe te passen in geval van drugsgebruik, oplopend van een berisping tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, inclusief ontslag op staande voet.

Ardea heeft niet gekozen voor een ontslag op staande voet.

Zij heeft [verweerder] mondeling en schriftelijk “officieel gewaarschuwd”. Uit de brief blijkt echter dat zij de zaak daarmee niet als afgedaan beschouwde, maar dat zij [verweerder] bovendien op non-actief stelde in afwachting van de uitkomst van het beraad”over de wenselijkheid van de voortzetting van uw dienstverband”.

Hoewel dit afbreuk doet aan de status van de volgens het handboek kennelijk als zelfstandige straf bedoelde “officiële waarschuwing” [berisping] moet [verweerder] uit de op non-actiefstelling en de inhoud van de brief direct begrepen hebben dat het niet bij louter een waarschuwing was gebleven en zou blijven. Ook in dit opzicht kan Ardea dus in het onderhavige verzoek worden ontvangen.

4.4 Wel staat de keuze die Ardea hier heeft gemaakt er aan in de weg om de arbeidsovereenkomst nu, zoals zij primair vraagt, te ontbinden op grond van een dringende reden, zodat verder in het midden kan blijven of het drugsgebruik door [verweerder] in zijn situatie wel of niet als een dringende reden kan worden gekwalificeerd.

Bedoeld drugsgebruik, in combinatie met het feit dat [verweerder] in een re-integratietraject zat en dat hem bij herhaling daarover vragen zijn gesteld, die hij gedurende geruime tijd onbeantwoord heeft gelaten of niet naar waarheid heeft beantwoord, rechtvaardigt wel de conclusie dat hierdoor het vertrouwen dat Ardea in haar werknemers behoort te kunnen stellen, door [verweerder] in zodanig ernstige mate is geschonden dat het dienstverband redelijkerwijs behoort te eindigen.

Het dienstverband zal worden ontbonden per 1 maart 2009.

4.5 Waar niet alleen de oorzaak voor de vertrouwensbreuk bij [verweerder] ligt, maar hem daarvan ook een substantieel verwijt valt te maken, is er nauwelijks aanleiding om hem een vergoeding toe te kennen, en zeker niet van de door hem bepleite omvang, waarbij een correctiefactor van 1,5 wordt gevraagd.

In alle omstandigheden van het concrete geval echter, waarbij enerzijds weegt het aantal dienstjaren, tenminste die jaren waarin [verweerder] wèl naar behoren heeft gefunctioneerd, en anderzijds het feit dat Ardea bij het opzeggen van het vertrouwen ook fouten heeft gemaakt, waardoor [verweerder] in zijn persoonlijke situatie bijzonder ernstig is getroffen, is er aanleiding hem een vergoeding toe te kennen van € 9.000,00 bruto. Ardea heeft immers, klaarblijkelijk zonder enige tekst of uitleg, het salaris van [verweerder] over de maanden oktober en november niet of te laat uitbetaald.

4.6 Nu Ardea geen vergoeding heeft aangeboden wordt haar in overeenstemming met de wettelijke bepalingen de mogelijkheid gegeven haar verzoek in te trekken.

4.7 Gegeven de uitkomst van de procedure en de aard van deze procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, zowel in het geval dat Ardea het verzoek intrekt, als wanneer zij er voor kiest dat niet te doen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- geeft Ardea tot 27 februari 2009 de gelegenheid het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2009;

- kent aan [verweerder] ten laste van Ardea een vergoeding toe van €?9.000,00 bruto en veroordeelt Ardea deze vergoeding te betalen;

en in beide gevallen:

- bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.