Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI1538

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
10/800296-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanrijding onder invloed van alcohol waarbij voetgangster om het leven komt; geen causaal verband tussen rijden onder invloed en het ongeval; vrijspraak artikelen 6 en 5 WVW 1994.

Promis-vonnis. Artikelen 5, 6 en 8 WVW 1994. Dodelijk verkeersongeval. Het verwijtbare gedrag van de verdachte is gelegen in het in beschonken toestand besturen van een auto en niet in de andere ten laste gelegde gedragingen in het verkeer. In casu ontbreekt het causale verband tussen het verwijtbare gedrag en het verkeersongeval, want het slachtoffer rende en kwam plotseling de rijstrook op waar de verdachte reed. Een ieder zou haar op dat moment hebben kunnen aanrijden, ongeacht of die persoon alcohol genuttigd had of niet. Vrijspraak artikel 6 WVW 1994.

De enkele omstandigheid dat de verdachte in beschonken toestand zijn auto is gaan besturen, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van gevaarzetting in de zin van artikel 5 WVW 1994, want daarbij gaat het erom of de verdachte een reële kans op een ongeval heeft veroorzaakt. Vrijspraak artikel 5 WVW 1994.

Bewezenverklaring van overtreding van artikel 8 WVW 1994. Geldboete en rijontzegging voor de duur van 6 maanden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 167
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/45 met annotatie van WB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/800296-08

Datum uitspraak: 7 april 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op xx-xx-1981 te [geboorteplaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsvrouw mr. M. Krouwel, advocaat te Waddinxveen.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

primair,

na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een dode is gevallen;

subsidiair,

na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat gevaar op de weg en een dodelijk verkeersongeval is veroorzaakt;

meer subsidiair,

na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol een personenauto heeft bestuurd.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Vreugdenhil heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, alsmede ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig voor de duur van twee jaren;

- toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Van het volgende wordt uitgegaan.

Op vrijdagavond 21 november 2008 heeft de verdachte gegeten en geborreld in het Scheepvaartkwartier. Daarbij heeft hij naar eigen zeggen acht glazen bier gedronken, hetgeen mogelijk is, want een vriend van hem heeft verklaard, dat hij en de verdachte ongeveer vijf glazen bier hebben gedronken in [naam horecagelegenheid] en dat de verdachte daarvóór al met collega’s in de [naam horecagelegenheid] was geweest. Tegen 23:00 uur is de verdachte met een vriend en een vriendin in zijn auto gestapt om naar zijn woning aan de [straatnaam] te rijden. De verdachte heeft via het Churchillplein gereden op de rijbaan van de Coolsingel in de richting van het Hofplein. Hij heeft op het Churchillplein en de Coolsingel een andere auto ingehaald via de linker rijstrook. Dat is daar toegestaan, want de rijbaan in die rijrichting heeft twee rijstroken. Vervolgens is de verdachte naar de rechter rijstrook gegaan. Hij reed op dat moment naar eigen zeggen en volgens één van zijn vrienden met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur. Volgens de inzittenden van de auto die de verdachte net had ingehaald, reden zij met een snelheid van 40 à 50 kilometer per uur, en reed de verdachte ongeveer 10 à 20 kilometer per uur sneller dan hen. De maximumsnelheid ter plaatse is 50 kilometer per uur. Het was rustig op straat. Bijna voorbij de winkel van C&A, ter hoogte van de koopgoot, en 5 à 10 meter na een voetgangersoversteekplaats, kwam plotseling een vrouw de weg oprennen. De verdachte heeft naar links gestuurd. Hij heeft de vrouw geraakt met de rechterhoek van zijn voorbumper. De vrouw is nagenoeg langs de rechterzijde van de auto gegaan, met haar hoofd op de rechter A-stijl terechtgekomen en op het wegdek beland. Daardoor heeft zij ernstig hersenletsel opgelopen. Het slachtoffer bleek te zijn: [naam slachtoffer], geboren op xx-xx-1984 te [plaatsnaam], [land]. Op 22 november 2008 omstreeks 00:45 uur is zij aan het opgelopen letsel komen te overlijden. Ook uit de ademtest na het ongeval bleek dat de verdachte alcohol had gedronken, hetgeen bevestigd is door de ademanalyse waarbij is vastgesteld dat de hoeveel alcohol per liter uitgeademde lucht 545 microgram bedroeg.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Zij heeft gesteld dat de verdachte aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gereden. Gezien de hoeveelheid alcoholhoudende drank die hij had gedronken, had hij nooit zijn auto mogen gaan besturen. Zijn vrienden hebben hem hier nog op gewezen. Hij heeft bewust de beslissing genomen om toch te gaan rijden. Kort voor het ongeval heeft de verdachte een andere auto ingehaald met 60 kilometer per uur, althans met te hoge snelheid gelet op de situatie ter plaatse op de Coolsingel waarmee de verdachte bekend was. De verdachte heeft niet gezien dat het slachtoffer, dat zich op of nabij een voetgangersoversteekplaats bevond, ging oversteken en hij heeft haar vervolgens aangereden.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair en het subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en, zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval.

De verdachte kan worden verweten dat hij op 21 november 2008 in beschonken toestand zijn auto is gaan besturen.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de verdachte met een snelheid van 60 kilometer per uur heeft gereden op de Coolsingel. In dit verband is relevant, dat daar geen technisch bewijs voor is. We moeten afgaan op de verklaringen van de verdachte en getuigen, hetgeen uiteraard geen precieze vaststelling oplevert van de snelheid waarmee is gereden. Mede gelet hierop moet de verdachte bij eventuele onzekerheid, het voordeel van de twijfel worden gegeven.

Volgens de inzittenden van de auto die was ingehaald door de verdachte reden zij met een snelheid van 40 à 50 kilometer per uur, en reed de verdachte ongeveer 10 à 20 kilometer per uur sneller dan hen. Uitgaande hiervan kan de verdachte met een snelheid van 50 kilometer per uur hebben gereden, maar ook met 70 kilometer per uur. De verdachte en een inzittende van zijn auto hebben verklaard dat de verdachte 50 kilometer per uur reed. Gezien het vorenoverwogene, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte met een snelheid van 50 kilometer per uur reed en derhalve de op de Coolsingel geldende maximumsnelheid niet heeft overschreden.

Het niet overschrijden van de maximumsnelheid hoeft niet aan het oordeel in de weg te staan dat er gelet op bijzondere omstandigheden ter plaatse toch te hard is gereden. In casu hebben dergelijke omstandigheden zich echter niet voorgedaan.

De Coolsingel ligt weliswaar in een winkel- en uitgaansgebied, maar ten tijde van het ongeval was het niet druk op straat, zo hebben verschillende personen verklaard. Gelet hierop hoefde de verdachte niet langzamer te gaan rijden dan de maximumsnelheid. Ook het enkele gegeven dat er ter plaatse meerdere voetgangersoversteekplaatsen zijn en dat verdachte een tramhalte passeerde, maakt niet dat hij gehouden was om zijn snelheid te matigen. Immers niet is gebleken dat voetgangers wilden gaan oversteken bij de voetgangersoversteekplaatsen of dat er drukte was bij de tramhalte.

Gelet op het vorenstaande is het verwijtbare gedrag van de verdachte gelegen in het in beschonken toestand besturen van een auto.

Thans dient te worden vastgesteld of er causaal verband is tussen dit gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Van algemene bekendheid is dat deelname aan het verkeer na het drinken van (meer dan een paar glazen) alcoholhoudende drank risico’s met zich brengt. Zo wordt het inschattingsvermogen en het reactievermogen door het drinken van alcohol negatief beïnvloed. Gelet hierop is bij een verkeersongeval na gebruik van alcohol, weinig nodig om te kunnen concluderen dat er sprake is van een overschrijding van de zorgvuldigheidsnorm die in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 besloten ligt. In casu is evenwel komen vast te staan dat het slachtoffer rende en plotseling de rijstrook opkwam waar de verdachte reed. Zoals de verdediging met juistheid heeft gesteld, zou een ieder haar op dat moment hebben kunnen aanrijden, ongeacht of die persoon alcohol genuttigd had of niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het causale verband ontbreekt tussen het verwijtbare gedrag en het verkeersongeval. Gelet hierop is het primair ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Tevens dient de rechtbank te bezien of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, als bedoeld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarbij gaat het erom of de verdachte een reële kans op een ongeval heeft veroorzaakt.

Het gevaar van alcohol in het verkeer is, zoals hiervoor reeds vermeld van algemene bekendheid. Niet zelden is bij een verkeersongeval alcohol in het spel. De enkele omstandigheid dat de verdachte in beschonken toestand zijn auto is gaan besturen, is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van gevaarzetting in de zin van voormelde bepaling. Gelet hierop is evenmin het subsidiair ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en hetgeen daaromtrent hiervoor is uiteengezet, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 21 november 2008 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 545 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

meer subsidiair,

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een strafbaar feit begaan door zijn auto te besturen in beschonken toestand. In die staat verkerend is hij met zijn auto betrokken geweest bij een dodelijk verkeersongeval. Dit laatste kan hem echter strafrechtelijk niet worden verweten.

Bij het bepalen van de straf wordt in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast weegt in zijn voordeel dat hij van aanvang af openheid van zaken heeft gegeven.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachtes ouders namens hem een brief hebben geschreven aan de familie van het slachtoffer. De verdachte heeft verklaard dat hijzelf hier toentertijd niet toe in staat was. Hij heeft maanden niet goed kunnen functioneren en heeft zich onder behandeling gesteld van een psychotherapeut. De verdachte heeft oprecht verdriet getoond en was ter terechtzitting zeer emotioneel toen hij sprak over het verlies dat de nabestaanden moeten voelen.

Gelet op de vrijspraak van het primair en het subsidiair ten laste gelegde, wordt de strafeis van de officier van justitie niet gevolgd.

Op voormeld feit zal de rechtbank op grond van het voorgaande reageren met een geldboete. Gezien de hoogte van de op te leggen boete ziet de rechtbank, in afwijking van hetgeen de raadsvrouw heeft verzocht, geen reden om te bepalen dat de boete in termijnen mag worden betaald.

Tevens zal een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig worden opgelegd. De duur hiervan zal, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, niet worden beperkt tot de periode waarover verdachtes rijbewijs inmiddels ingenomen is geweest, omdat daarmee geen passende reactie zou worden gegeven op de hem verweten gedraging.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam]. Namens hem treedt als gemachtigde op zijn vader: [naam], wonende op het adres [adres]. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 17.240,68. Deze kosten houden verband met het overlijden van mevrouw [naam slachtoffer].

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering zal de benadeelde partij alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.

Uit het vorenstaande blijkt dat de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen acht. Deze bewezenverklaring - kort gezegd voor het rijden in beschonken

toestand - biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat daardoor rechtstreeks schade is toegebracht aan de benadeelde partij. De benadeelde partij dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 550, (zegge: vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 11 dagen hechtenis;

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Van den Hurk en Verloop, rechters,

in tegenwoordigheid van Van der Heijde, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2009.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 7 april 2009.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 november 2008 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Coolsingel, welk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-die Coolsingel was gelegen in een winkel- en uitgaansgebied, en/of

-in die weg meerdere voetgangersoversteekplaatsen waren gelegen en/of op een verhoogd middengedeelte van die weg meerdere tramhaltes waren gelegen, en/of

-een voetganger, genaamd [naam slachtoffer], doende was die rijbaan op of nabij een voetgangersoversteekplaats (ter hoogte van het Beursplein) in de richting van dat verhoogde middengedeelte over te steken, en/of

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 545 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of ondanks bovengenoemde omstandigheden (winkel- en uitgaansgebied met tramhaltes alwaar zich (doorgaans veel) voetgangers bevinden) met een snelheid van circa 60 km/uur een voertuig (links) is gaan inhalen op een (te) korte afstand van bovengenoemde voetgangersoversteekplaats (ter hoogte van het Beursplein) en/of (tijdens of kort na die inhaalmanoeuvre) die eerdergenoemde [naam slachtoffer] niet of niet tijdig heeft opgemerkt of heeft kunnen opmerken en/of (ondanks uitwijken en/of remmen) in botsing of aanrijding of aanraking is

gekomen met die [naam slachtoffer], als gevolg waarvan zij ten val is gekomen,

waardoor die [naam slachtoffer] werd gedood;

het feit (misdrijf als omschreven in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) werd veroorzaakt of mede werd veroorzaakt:

doordat hij, verdachte, toen daar dat motorvoertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 545 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

(artikelen 6 en 8 juncto artikelen 175, lid 3, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2008 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Coolsingel, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-die Coolsingel was gelegen in een winkel- en uitgaansgebied, en/of

-in die weg meerdere voetgangersoversteekplaatsen waren gelegen en/of op een verhoogd middengedeelte van die weg meerdere tramhaltes waren gelegen, en/of

-een voetganger, genaamd [naam slachtoffer], doende was die rijbaan op of nabij een voetgangersoversteekplaats (ter hoogte van het Beursplein) in de richting van dat verhoogde middengedeelte over te steken, en/of

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem 545 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of ondanks bovengenoemde omstandigheden (winkel- en uitgaansgebied met tramhaltes alwaar zich (doorgaans veel) voetgangers bevinden) met een snelheid van circa 60 km/uur een voertuig (links) is gaan inhalen op een (te) korte afstand van bovengenoemde voetgangersoversteekplaats (ter hoogte van het Beursplein) en/of (tijdens of kort na die inhaalmanoeuvre) die eerdergenoemde [naam slachtoffer] niet of niet tijdig heeft opgemerkt of heeft kunnen opmerken en/of (ondanks uitwijken en/of remmen) in botsing of aanrijding of aanraking is

gekomen met die [naam slachtoffer], als gevolg waarvan zij ten val is gekomen;

het feit werd veroorzaakt of mede werd veroorzaakt:

doordat hij, verdachte, toen daar dat motorvoertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 545 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

(artikelen 5 en 8 juncto artikelen 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2008 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 545 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

(artikel 8, lid 2, onder a jo artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)