Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI0662

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
09-04-2009
Zaaknummer
285106 / HA ZA 07-1399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat. Het niet nemen van een akte. Causaal verband tussen tekortkomen en schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 285106 / HA ZA 07-1399

Uitspraak: 25 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.C. Zandwijk,

- tegen -

[De maatschap],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Princen.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en de maatschap.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 5 maart 2007 met 10 producties;

- de conclusie van antwoord met 6 producties;

- conclusie van repliek met 38 nadere producties;

- conclusie van dupliek met de producties 7-18.

1.2 Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 [eiser] is vanaf 1984 verwikkeld geweest in een civiele procedure tegen

[persoon 1] (hierna: [persoon 1]). Het ging in die zaak kort gezegd over de vraag of een door [eiser] aan [persoon 1] geleverde Powertherm CV-installatie beantwoordde aan de tussen hen gesloten overeenkomst. [persoon 1] heeft de installatie in gebruik genomen en deze met de verkoop van zijn bedrijf aan een derde geleverd. Hij heeft [eiser] daarvoor - ook na aanmaning - niets betaald. [persoon 1] heeft [eiser] bij exploit van 20 augustus 1984 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd dat de rechtbank de koopovereenkomst zal ontbinden en [eiser] zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding. [eiser] heeft daartegen verweer gevoerd en in reconventie gevorderd [persoon 1] te veroordelen tot betaling van de koopsom.

2.2. Bij vonnis van 26 mei 1989 heeft de rechtbank in conventie overwogen dat het

gebrek aan de cv-installatie voldoende zwaarwegend is om de vordering tot ontbinding toe te wijzen. Iedere verdere beslissing in conventie is aangehouden. In reconventie is [eiser] toegelaten tot bewijslevering. [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof ’s-Gravenhage heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 23 januari 1992 heeft vernietigd. Het hof heeft daarbij de aan [eiser] verstrekte bewijsopdracht geherformuleerd en de zaak ter verdere afdoening terugverwezen naar de rechtbank.

2.3. Bij vonnis van 18 mei 1995 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat [eiser] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs, heeft een comparitie gelast en [eiser] toegelaten tot nadere bewijslevering. Bij eindvonnis van 25 maart 1999 heeft de rechtbank zowel in conventie als in reconventie de vorderingen afgewezen.

2.4. [eiser] is van het vonnis van 25 maart 1999 in hoger beroep gegaan bij het hof ’s-Gravenhage. [persoon 1] stelde incidenteel appel in.

2.5. Bij tussenarrest van 13 december 2002 heeft het hof ’s-Gravenhage vastgesteld dat [eiser] niet meer kon opkomen tegen de in het tussenvonnis van de rechtbank opgenomen eindbeslissing de koopovereenkomst te ontbinden, nu tegen dat tussenvonnis al een hoger beroepsprocedure heeft gelopen.

2.6. Met betrekking tot een door [eiser] gedaan beroep op een exoneratiebeding overweegt het hof in het tussenarrest van als volgt (r.o. 2.26):

“Naar het oordeel van het hof kan onder het door [eiser] ingeroepen exoneratiebeding in redelijkheid ook worden begrepen uitsluiting van aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van het eventueel tekortschieten door [eiser] in haar verplichting tot het naar behoren laten functioneren van de niet, althans onvoldoende functionerende installatie (…). De werking van het exoneratiebeding laat echter onverlet, dat [eiser] aansprakelijk is voor eventueel door [persoon 1] gemaakte kosten die hijzelf heeft moeten maken voor het naar behoren functioneren van de installatie, welke kosten anders door [eiser] in het kader van voornoemde verplichting zouden zijn gemaakt (…). Nu dit punt in het partijdebat tot dusverre nog niet aan de orde is geweest, zal het hof partijen – eerst [eiser] en vervolgens [persoon 1] – in de gelegenheid stellen zich erover uit te laten in hoeverre elk van de door [persoon 1] geclaimde schadeposten hetzij als gevolgschade (…) hetzij als door [persoon 1] zelf noodzakelijk gemaakte kosten voor het naar behoren laten functioneren van de installatie (…) valt aan te merken.”

2.7. Met betrekking tot de restwaarde van de installatie overweegt het hof in

rechtsoverweging 2.30 als volgt:

“Daarnaast geldt dat het naar het oordeel van het hof mogelijk moet zijn de door [eiser] genoemde restwaarde – te begrijpen als het bedrag van de door [persoon 1] aan [eiser] te bepalen waardevergoeding van de installatie, omdat [persoon 1] de na de ontbinding van de overeenkomsten op hem rustende verplichting tot teruggave van de installatie aan [eiser] na ontbinding van de overeenkomst niet meer kan nakomen – door een deskundige te bepalen. (…) Het hof geeft partijen in overweging zelf gezamenlijk te komen tot benoeming van een of meer deskundige(n) en daarbij het aan de deskundige(n) te betalen voorschot op te geven, bij gebreke waarvan het hof zelf de deskundige(n) zal benoemen. In dat geval dient ieder der partij bij akte na tussenarrest mede te delen welke deskundige(n) hij om welke reden dan ook niet benoemd wenst te zien. Partijen dienen zich in ieder geval uit te laten over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. (…).”

2.8. Met betrekking tot de hoogte van het (te verrekenen) voordeel dat [persoon 1] heeft

genoten, doordat hij de installatie een aantal jaren heeft gebruikt, overweegt het hof in r.o. 2.32 van zijn tussenarrest:

“(…) Geen der partijen laat zich echter uit over de hoogte van het bedrag van dit voordeel. Daarom zal het hof een of meer deskundige(n), bij voorkeur dezelfde(n) als hiervoor in rov 2.30 bedoeld, de vraag naar het door [persoon 1] terzake genoten voordeel voorleggen. (…) Ook op dit punt dienen partijen zich tevoren bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan hem/hen te stellen vragen.”

2.9. Voor zover hier relevant, laat het hof [eiser] tot slot toe tot bewijslevering

van zijn stelling dat [persoon 1], in strijd met het advies van [eiser], niet het oude verwarmingsmateriaal achter de hand heeft gehouden. In verband daarmee overweegt het hof in r.o. 2.35:

“Het belang van deze te bewijzen stelling houdt verband met de verplichting van [persoon 1] tot het beperken van zijn schade door de wanprestatie van [eiser]. (…) Het hof stelt zich voor, dat, afhankelijk van de vraag of [eiser] in zijn bewijsopdracht slaagt, aan de te benoemen deskundige(n) – zie rov 2.30 en 2.32 – de vraag voor te leggen of en in hoeverre het oude verwarmingsmateriaal (…) in bedrijfseconomisch opzicht enige waarde zou hebben gehad in verband met de beperking van de in geding zijnde door [persoon 1] geleden schade (…). Partijen kunnen zich bij in rov. 2.30 en 2.32 bedoelde akte over deze vraagstelling uitlaten.”

2.10. Omdat dit het hof praktisch voorkwam (r.o. 2.36) heeft hij bepaald dat eerst de getuigenverhoren zouden plaatsvinden en de zaak in aansluiting daarop naar de rol zou worden verwezen voor het – desgewenst – memoreren na enquête en het nemen van een akte als vermeld in de rechtsoverwegingen 2.26, 2.30, 2.32 en 2.35, eerst door [eiser] en vervolgens door [persoon 1].

2.11. [eiser] heeft zich kort na het tussenarrest (en nadat reeds vier andere

advocaten de zaak op enig moment hadden behandeld) doen bijstaan door wijlen [persoon 2] (hierna: [persoon 2]). [persoon 2] maakte op dat moment deel uit van de maatschap.

2.12. Op 20 november 2003 heeft [persoon 2], nadat vier getuigen waren gehoord aan de zijde

van [eiser] (namens [eiser] en nadat laatstgenoemde bij e-mail van 6 november 2003 een wijziging had voorgesteld), een memorie na enquête genomen. Onder alinea 12 daarvan legt hij een brief met bijlagen van 1 november 2003 van [eiser] over, onder de toevoeging dat hij de inhoud daarvan als geheel herhaald en ingelast wenst te beschouwen.

2.13. Op 18 december 2003 heeft [persoon 1] een antwoordenmemorie na enquête genomen.

2.14. Op 29 december 2003 stuurt [persoon 2] [eiser] een brief met de volgende tekst.

“Zonder begeleidend schrijven.

Ik ontvang graag uw commentaar op de inhoud van de antwoordmemorie na enquête.”

2.15. Bij brief van 29 december 2003 bericht [persoon 2] de advocaat van de wederpartij als volgt.

“Dank voor uw rolbericht (Hof) van 18/19 december j.l., met antwoordmemorie na enquete pij.

Ik verzoek u om op 15 januari a.s. om arrest te vragen.”

2.16. [eiser] stuurt [persoon 2] naar aanleiding van die brief op 31 december 2003 een brief met als bijlage zijn commentaar op de genoemde antwoordmemorie.

2.17. Op 13 januari 2004 stuurt [persoon 2] [eiser] de volgende brief.

“Dank voor uw brief, met bijlagen, van 31 december j.l. Op 15 januari a.s. zal ik arrest vragen. Ik kan nu geen inhoudelijke stukken meer in het geding brengen.”

2.18. Het hof heeft op 4 juni 2004 een eindarrest gewezen. Het hof overweegt daarin met betrekking tot de vraag of door [persoon 1] gevorderde posten als gevolgschade moeten worden aangemerkt als volgt (r.o. 2.4):

“[eiser] heeft, anders dan [persoon 1], zich bij memorie na enquête niet erover uitgelaten welke van de (…) posten als gevolgschade moeten worden aangemerkt. Hij verwijst in die memorie slechts naar een overgelegde brief van 1 november 2003 (met notities) van hemzelf aan zijn advocaat, doch daarin valt niet te lezen welke posten wel en welke niet als gevolgschade moeten worden aangemerkt.”

Het hof beoordeelt vervolgens vanaf r.o. 3.1 welke posten wel en welke posten niet als gevolgschade moeten worden aangemerkt. Na beoordeling van de diverse voor vergoeding in aanmerking komende posten (vanaf r.o. 4.1) komt het hof tot de conclusie dat [persoon 1] wegens wanprestatie van [eiser] tot een bedrag van € 20.481,42 schade heeft geleden (r.o. 4.22).

2.19. Vanaf rechtsoverweging 5.1 gaat het hof in op het door [eiser] te leveren

bewijs dat [persoon 1] zijn verplichting tot beperking van zijn schade niet is nagekomen omdat hij zijn oude verwarmingsmateriaal niet had achtergehouden. Het hof acht [eiser] in dat bewijs niet geslaagd (r.o. 5.2.), zodat het onder 4.22 van het arrest genoemde bedrag van € 20.481,42door [eiser] moet worden vergoed (r.o. 5.3).

2.20. Het hof overweegt met betrekking tot de vaststelling van de restwaarde van de installatie, nadat hij heeft vastgesteld dat [eiser] zich niet heeft uitgelaten over de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen en [persoon 1] heeft aangevoerd dat het nog uitsluitend gaat over het waterzijdige gedeelte van de installatie en er de voorkeur aan geeft de waarde op een bepaald bedrag te fixeren, onder 6.2 van zijn arrest als volgt:

“(…) Het hof acht termen aanwezig – uit oogpunt van proceseconomie en gelet op het feit dat [persoon 1] zich over dit punt in het geheel niet heeft uitgelaten en [eiser] de voorkeur geeft aan vaststelling van het bedrag door het hof – om terug te komen op het standpunt dat over de waarde het oordeel van een deskundige noodzakelijk is. Daarbij speelt tevens een rol dat in de gegeven omstandigheden die waardebepaling niet meer dan een grove schatting kan inhouden. (…) Gelet op het vorenstaande en de koopprijs van f 83.500,= dient de waarde van de installatie in redelijkheid en billijkheid op f 10.000, = of € 4.537,80 te worden gesteld.”

2.21. Met betrekking tot het voordeel dat [persoon 1] heeft gehad van het gebruik van de door [eiser] geleverde installatie, overweegt het hof onder 7 onder andere:

“Andere voordelen dan (…) rentevoordeel zijn door [eiser] niet genoemd. Nu bovendien [eiser], hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, zich na het tussenarrest niet heeft uitgelaten over de persoon van de deskundige of de vragen die aan de deskundige moeten worden gesteld, komt het hof terug van haar in het tussenarrest weergegeven oordeel dat voor de bepaling van door [persoon 1] genoten voordeel een deskundigenbericht noodzakelijk is. (…) Het in aanmerking te nemen voordeel bedraagt derhalve afgerond: € 6.200,=.”

2.22. [eiser] is van het eindarrest van het hof in cassatie gegaan. Bij arrest van 11 november 2005 is het beroep zonder nadere motivering door de Hoge Raad verworpen.

3 De vordering

3.1. [eiser] vordert - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van de maatschap

tot bepaling van € 100.192,73, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van de maatschap in de kosten van de procedure.

3.2. Hij stelt daartoe dat [persoon 2] toerekenbaar tekort is gekomen, waarvoor de maatschap aansprakelijk is. Door geen gebruik te maken van de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de personen van de te benoemen deskundige(n) en de aan hem/hen te stellen vragen, is het hof teruggekomen van zijn tussenarrest. Het hof heeft daarbij zelf de schade begroot, hetgeen tot andere uitkomsten heeft geleid dan wanneer een deskundige zou hebben bericht.

3.3. De maatschap voert verweer. Op het verweer wordt in het navolgende, voor zover hier van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Het hof heeft partijen in de eerste plaats in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of de door [persoon 1] geclaimde posten zijn aan te merken als gevolgschade. De rechtbank stelt voorop dat, voor zover [persoon 2] wordt verweten zich hierover niet namens [eiser] bij akte te hebben uitgelaten, [eiser] niet stelt dat en waarom het hof ten aanzien van de posten die uiteindelijk voor vergoeding in aanmerking zijn gebracht tot een ander oordeel zou zijn gekomen, indien [persoon 2] namens [eiser] de bedoelde akte zou hebben genomen. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – vermag de rechtbank niet in te zien dat en waarom een akte op dit punt tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Dit betekent dat het causaal verband tussen het gestelde tekortkomen en de gestelde schade ontbreekt. De vorderingen dienen in zoverre te worden afgewezen.

4.2. Het Hof heeft partijen voorts in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over

te benoemen deskundige(n) en de aan die deskundige(n) te stellen vragen. Dit betreft de vaststelling van de restwaarde, het te verrekenen voordeel en (mits [eiser] zou slagen in het door hem te leveren bewijs) de schadebeperkingsverplichting. De vraag die beantwoording behoeft, is of [persoon 2] heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat onder gelijke omstandigheden mocht worden verwacht, gemeten naar de maatstaven die golden ten tijde van het verweten handelen c.q. nalaten.

4.3. Het verwijt dat [eiser] [persoon 2] maakt, is dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid een akte te nemen en zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n) en de aan die deskundige(n) te stellen vragen.

4.4. Het verweer van de maatschap komt er in de eerste plaats op neer dat [persoon 2] de bedoelde akte wel heeft genomen. De maatschap voert in dit verband aan dat [persoon 2] op 20 november 2003 namens [eiser] een memorie na enquête heeft genomen, waarin tevens een brief met bijlagen is overgelegd van [eiser] (van 1 november 2003). [persoon 2] heeft er op gewezen dat hij de inhoud daarvan als geheel herhaald en ingelast wenst te beschouwen. In één van de bij de brief van 1 november 2003 behorende notities wordt, aldus de maatschap, ingegaan op de in te schakelen deskundigen.

4.5. De rechtbank stelt vast dat [persoon 2] in de memorie na enquête in het geheel niet ingaat op de door het hof gestelde vragen over de (niet) door het hof te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen. In de memorie wordt weliswaar verwezen naar een brief met bijlagen, onder de toevoeging dat [persoon 2] de inhoud daarvan als geheel herhaald en ingelast wenst te beschouwen, maar daarbij wordt met geen woord gerept over het standpunt van [eiser] omtrent de te benoemen deskundige(n) en de aan die deskundige(n) te stellen vragen, ter onderbouwing waarvan die stukken zouden kunnen dienen. Gelijk [eiser] terecht stelt, kan van het hof niet kan worden verwacht dat hij in de overgelegde stukken gaat zoeken naar de mogelijke standpunten die door [eiser] bedoeld zijn te worden ingenomen. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat [persoon 2] heeft verzuimd de door het hof bedoelde akte te nemen, gelijk kennelijk ook het hof heeft geoordeeld.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat onder gelijke omstandigheden mocht worden verwacht de geboden gelegenheid de akte te nemen niet onbenut te laten. Het hof heeft, ondanks dat de procedure al lange tijd liep, partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over te benoemen deskundige(n) en de aan die deskundige(n) te stellen vragen. Het hof heeft dit niet vrijblijvend geformuleerd. Met betrekking tot de restwaarde van de installatie overweegt het hof dat als partijen niet zelf in gezamenlijk overleg tot benoeming van een deskundige komen, zij zich – kort gezegd – op dat punt dienen uit te laten (r.o. 2.30). Dit geldt ook voor het te verrekenen voordeel (r.o. 2.32). Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de beslissing in het tussenarrest een deskundige te benoemen een preparatoire beslissing is waarop het hof ook weer terug kan komen, had het op de weg gelegen van [persoon 2] de bedoelde akte te nemen. [persoon 2] had er bedacht op moeten zijn dat, indien hij de akte niet zou nemen, het hof daarin - gelet ook op het feit dat de procedure al sinds 1984 liep en [persoon 1] zich op dit punt nog diende uit te laten - aanleiding zou (kunnen) zien op die beslissing terug te komen. Dat zou niet in het belang van [eiser] zijn, nu [eiser] zich nog niet had uitgelaten over de hoogte van het te verrekenen voordeel (r.o. 2.32) en - gelet op de wijze waarop het hof in rechtsoverweging 6.2 van het eindarrest de restwaarde van de installatie begroot - kennelijk evenmin over de restwaarde. Dit betekent dat het hof bij het begroten van de betreffende posten met eventuele door [eiser] van belang geachte (en aan de deskundige voor te leggen) elementen geen rekening kon houden indien hij van het benoemen van deskundigen zou afzien en de schade zelf zou begroten. Het niet nemen van de akte is gelet op het voorgaande aan te merken als een beroepsfout.

4.7. De diverse door de maatschap genoemde omstandigheden maken het handelen van [persoon 2] niet alsnog redelijk. De omstandigheid dat [persoon 2] relatief laat in de procedure is betrokken, relatief veel tijd in het dossier heeft gestoken en [eiser] zich kennelijk veelvuldig mengt in de behandeling van zijn zaak, laat onverlet dat [persoon 2] genoemde akte had behoren te nemen. Voor zover de maatschap betoogt dat het rolreglement van het hof het willekeurig nemen van nadere akten verhindert, gaat de maatschap eraan voorbij dat het hof nu juist had bepaald dat partijen na het getuigenverhoor de bedoelde akte konden nemen.

4.8. De volgende vraag die beantwoording behoeft, is of er sprake is van causaal verband tussen de beroepsfout van [persoon 2] en de door [eiser] gestelde schade. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.9. [eiser] is niet geslaagd in het leveren van bewijs van zijn stelling dat [persoon 1] in strijd met zijn advies niet het oude verwarmingsmateriaal achter de hand heeft gehouden. Het hof is - voor zover dit de schadebeperkingsverplichting betreft - reeds om die reden niet toegekomen aan het benoemen van deskundigen (zie vanaf r.o. 5.1). Dit betekent dat het causaal verband ontbreekt en de vorderingen in zoverre moeten worden afgewezen.

4.10. Met betrekking tot de restwaarde en het te verrekenen voordeel overweegt de rechtbank als volgt. De maatschap stelt weliswaar dat het hof altijd gerechtigd is om van een eerdere beslissing deskundigen te benoemen terug te komen, maar dit betekent niet dat, nu het hof in casu is teruggekomen op een eerdere beslissing, dan ook het causaal verband ontbreekt tussen de beroepsfout van [persoon 2] en de door [eiser] gestelde schade. Het is niet gebruikelijk om terug te komen op een eerdere beslissing een deskundige te benoemen. Dat gebeurt in de regel alleen indien er nadere feiten of omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven. De rechtbank leidt uit het arrest van het hof af dat in het onderhavige geval het feit dat [eiser] zich niet bij akte heeft uitgelaten de dragende reden was om alsnog af te zien van het benoemen van een deskundige. Het hof benadrukt in rechtsoverweging 6.1 (ten aanzien van de vast te stellen restwaarde) dat [eiser] zich in het geheel niet heeft uitgelaten, naast de omstandigheid dat [persoon 1] er kennelijk de voorkeur aan gaf de waarde op een bepaald bedrag te fixeren. Onder 6.2. noemt het hof als reden om terug te komen op zijn eerdere beslissing weliswaar tevens de proceseconomie en de omstandigheid dat de waardebepaling niet meer dan een grove schatting kan inhouden, maar die twee argumenten speelden ook reeds ten tijde van het tussenarrest en zijn daarom slechts te zien als ondersteunende argumenten. Dat het niet nemen van de akte voor het hof bepalend is geweest om terug te komen op zijn eerdere beslissing, blijkt ook uit de motivering op dit punt bij de beoordeling van het te verrekenen voordeel. Hier is het niet uitlaten door [eiser] de enige reden die het hof geeft voor het terugkomen op zijn eerdere beslissing. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat, indien [eiser] de bedoelde akte zou hebben genomen, het hof niet zou zijn teruggekomen op de eerdere beslissing om deskundigen te benoemen. Het causaal verband tussen de beroepsfout en de door [eiser] gestelde schade is derhalve aanwezig.

4.11. De volgende vraag is of [eiser] schade heeft geleden en zo ja, hoe hoog die schade dan is. Het door [eiser] overgelegde rapport van [persoon 3] van het [bedrijf] van 26 april 2006, biedt onvoldoende aanknopingspunten om de schade te begroten. Dit is in de eerste plaats het geval omdat de maatschap betoogt dat [persoon 3] een verkeerde waarderingsmaatstaf hanteert. Daar komt bij dat [persoon 3] in zijn rapport ten onrechte de gevolgschade en posten die betrekking hebben op de schadebeperkingsverplichting betrekt. De rechtbank acht op basis van dit rapport wel aannemelijk dat [eiser] schade heeft geleden. De rechtbank zal een deskundige/deskundigen benoemen ten einde de schade te begroten. Deze deskundige(n) zal/zullen zich dienen uit te laten over de thans nog van belang zijnde restwaarde en het te verrekenen voordeel (zie de overwegingen 2.7 en 2.8 van dit vonnis, welke verwijzen naar de overwegingen 2.30 en 2.32 van het tussenarrest van het hof). Aan de hand daarvan kan vervolgens worden vastgesteld of het hof, indien zij door deskundigen zou zijn voorgelicht, tot een ander oordeel zou zijn gekomen omtrent de schade. De rechtbank zal [eiser] belasten met het voorschot van het salaris van de te benoemen deskundige(n). De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen ten einde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te benoemen deskundige(n) en de aan die deskundige(n) te stellen vragen.

4.12. Voor zover [eiser] tot slot heeft gesteld dat [persoon 2] het verwijt wordt gemaakt dat hij een groot aantal vertrouwelijke stukken bij de memorie van enquête heeft gevoegd waarvan de wederpartij gebruik heeft kunnen maken in haar memorie van antwoord en in de procedure bij de Hoge Raad, verbindt [eiser] daaraan geen gevolgen. Dit kan daarom in het midden kan blijven.

4.13. De rechtbank zal iedere verdere beslissing in deze zaak aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank,

- verwijst de zaak naar de rol van 22 april 2009 ten einde partijen in de gelegenheid te stellen een akte te nemen als bedoeld in rechtsoverweging 4.11;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. van Straalen en in het openbaar uitgesproken door

mr. C. Bouwman op 25 maart 2009.