Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BI0099

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
AWB 06/1933 OZB-T2, AWB 07/3318 OZB-T2 en AWB 07/3319 OZB-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu de heffingsambtenaar alsnog op de bezwaren tegen de definitieve aanslagen heeft beslist, heeft belanghebbende geen belang meer bij een behandeling van de beroepen gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de bezwaren. WOZ-beschikking en aanslagen ten onrechte aan belanghebbende gericht, nu deze geen eigenaar van de onroerende zaken en geen gebruiker van twee van de drie onroerende zaken is; belanghebbende heeft rechtsingang voor zover het de herhalingsbeschikking en daarbij opgelegde aanslagen ter zake van de onroerende zaak waarvan zij gebruiker is, betreft; ondanks de mogelijkheid dat tussen partijen overeenstemming bestaat ten aanzien van de voor de waardebepaling te hanteren uitgangspunten, heeft de heffingsambtenaar ten onrechte geen toereikende onderbouwing van de zelfstandig te bepalen waarde gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 06/1933 OZB-T2, AWB 07/3318 OZB-T2 en AWB 07/3319 OZB-T2

Uitspraak in de gedingen tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., statutair gevestigd te Z, hierna: eiseres,

de heffingsambtenaar van de gemeente Z, hierna: verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een vijftal voorlopige aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen met dagtekening 15 januari 2006 opgelegd tot een bedrag van in totaal € 74.875,18 (aanslagbiljetnummer 18360681). Deze aanslagen hebben betrekking op de onroerende zaken A-straat 16 (€ 37.591,02), A-straat 16 MO001 (€ 139,36) en B-straat 26 (€ 37.144,80).

1.2 Bij (gezamenlijke) uitspraak, gedagtekend 22 maart 2006, is het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres bij brief van 2 mei 2006 pro forma beroep ingesteld. Bij brief van 6 juni 2006 is het beroep nader gemotiveerd.

1.3 Voorts heeft verweerder bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) van 15 augustus 2006 de waarde van de onroerende zaak B-straat 26 te Z per de waardepeildatum 1 januari 2003 en voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 7.700.000,--. Gelijktijdig met de beschikking zijn - voor zover hier van belang - aan eiseres voor het jaar 2006 ten aanzien van deze onroerende zaak twee definitieve aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen opgelegd van in totaal (eigenarendeel € 20.636,-- + gebruikersdeel

€ 16.508,80) € 37.144,80. Met deze aanslagen zijn de onder 1.1 weergegeven voorlopige aanslagen geheel verrekend (aanslagbiljetnummer 20724773).

1.4 Omdat een uitspraak op het ingediende bezwaar uitbleef, heeft eiseres bij brief van

5 september 2007 beroep ingesteld tegen de (fictieve) weigering van verweerder op het bezwaar te beslissen.

1.5 Vervolgens heeft verweerder alsnog met dagtekening 5 december 2007 uitspraak op het bezwaar gedaan. Het bezwaar is daarbij ongegrond verklaard.

1.6 Bij brief van 4 januari 2008 heeft eiseres te kennen gegeven het beroep te willen handhaven. Ze heeft het beroep bij schrijven van 23 januari 2008 nader gemotiveerd.

1.7 Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet van 15 augustus 2006 heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak A-straat 16 te Z per de waardepeildatum

1 januari 2003 en voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 7.793.000,--. Gelijktijdig met de beschikking zijn - voor zover hier van belang - aan eiseres voor het jaar 2006 ten aanzien van deze onroerende zaak twee definitieve aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen opgelegd van in totaal (eigenarendeel € 20.883,90 + gebruikersdeel € 16.707,12) € 37.591,02. Met deze aanslagen zijn de onder 1.1 genoemde voorlopige aanslagen geheel verrekend (aanslagbiljetnummer 20724771).

1.8 Omdat een uitspraak op het ingediende bezwaar uitbleef, heeft eiseres bij brief van

5 september 2007 beroep ingesteld tegen de (fictieve) weigering van verweerder op het bezwaar te beslissen.

1.9 Vervolgens heeft verweerder alsnog met dagtekening 5 december 2007 uitspraak op het bezwaar gedaan. Het bezwaar is daarbij ongegrond verklaard.

1.10 Bij brief van 4 januari 2008 heeft eiseres te kennen gegeven het beroep te willen handhaven. Ze heeft het beroep bij schrijven van 23 januari 2008 nader gemotiveerd.

1.11 Verweerder heeft de stellingen die zijn opgenomen in de hiervoor genoemde brieven van 5 september 2007 aangemerkt als mede te zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar en verweerschriften ingediend.

1.12 Bij brieven van 21 januari 2009 heeft eiseres nadere stukken ingediend.

1.13 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Aanwezig waren de gemachtigden van eiseres, mr. A.G. Legerstee RT en mr. T. de Goede, alsmede namens verweerder mr. S. Kapoerchan, mr. R.P.M.M. Mols, W. van Vliet en A.G. Joostens.

2. Feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

2.1 Een dochtermaatschappij van eiseres, Y B.V., is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaken A-straat 16, A-straat 16 MO001 en B-straat 26, alle te Z.

2.2 Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak A-straat 16.

3. Omschrijving van de geschillen en standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de beschikkingen terecht ten aanzien van eiseres zijn genomen en de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen aan haar zijn opgelegd.

3.2 Eiseres beantwoordt deze vraag in ontkennende en verweerder in bevestigende zin.

3.3 Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van de geschillen

4.1 De rechtbank stelt voorop dat eiseres, nu verweerder bij uitspraken van 5 december 2007 alsnog op de bezwaren tegen eerdergenoemde definitieve aanslagen heeft beslist, geen belang meer heeft bij een behandeling van de onder 1.4 en 1.8 genoemde beroepen. In zoverre zijn de beroepen niet-ontvankelijk.

4.2 Het aanslagbiljet dient de naam van de belastingplichtige te vermelden. Indien in de tenaamstelling sprake is van een zo geringe onvolkomenheid dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan voor wie het aanslagbiljet is bestemd, belet dit niet het ontstaan van een belastingverplichting (HR 31 augustus 1998, nr. 33 569, LJN: AA2356). Van een zodanige situatie is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake, nu het onder 1.3 genoemde aanslagbiljet de naam vermeldt van een andere (rechts)persoon dan degene voor wie de beschikking en de aanslagen waren bestemd.

4.3 De stelling van verweerder dat eiseres en Y B.V. mede gelet op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van R kunnen worden vereenzelvigd, kan de rechtbank niet volgen nu het gaat om twee verschillende rechtssubjecten: twee rechtspersonen.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de onder 1.3 genoemde beschikking ten onrechte ten aanzien van eiseres genomen en de daar genoemde definitieve aanslagen ten onrechte aan haar opgelegd, nu eiseres genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht noch gebruiker van de onroerende zaak B-straat 26 is. Deze beschikking en aanslagen moeten worden vernietigd. Voorts dient de onder 1.7 genoemde definitieve aanslag in de eigenarenbelasting te worden vernietigd, aangezien eiseres van de onroerende zaak A-straat 16 slechts gebruiker en niet tevens genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Op dezelfde gronden moeten de onder 1.1 genoemde, voor de onroerende zaken A-straat 16 MO001 en B-straat 26 aan eiseres opgelegde voorlopige aanslagen worden vernietigd.

4.5 De onder 1.3 genoemde aanslagen gelden als ten onrechte vastgestelde aanslagen in de zin van artikel 18a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Binnen de termijn van artikel 11, derde lid, van de AWR kunnen - eventueel tot behoud van rechten, indien tegen de aanvankelijk gegeven beschikking een rechtsmiddel is aangewend - voor de juiste belastingplichtige nieuwe aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen worden opgelegd (vgl. r.o. 3.4 van HR 8 juli 1992, nr. 28 262, LJN: ZC5037), hetzij naar de bij een - eventueel al tot behoud van rechten gegeven - nieuwe waardebeschikking vastgestelde waarde, hetzij naar de met toepassing van de vangnetregeling vastgestelde waarde. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij dit inmiddels heeft gedaan.

4.6 Uit de stukken van het geding blijkt voorts dat verweerder reeds bij beschikking van

17 januari 2005 de waarde van de onroerende zaak A-straat 16 naar de waardepeildatum

1 januari 2003 en voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 had vastgesteld op € 7.793.000,--. Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder 1.7 weergegeven en ten aanzien van eiseres genomen beschikking niet anders worden gekenschetst dan als beschikking genomen op de voet van artikel 29a van de Wet (tekst 2006). Ingevolge dit artikel wordt, zoals hier het geval is, in een kalenderjaar waarin geen beschikking op de voet van artikel 22, eerste lid, of artikel 25, eerste lid, wordt genomen, de laatst vastgestelde WOZ-waarde bij voor bezwaar vatbare beschikking (opnieuw) bekend gemaakt (zogenoemde herhalings- of bevestigingsbeschikking). Deze beschikking wordt, indien deze ten grondslag heeft gelegen aan de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen, in één geschrift met de aanslag verenigd. Aldus wordt ook voor het tweede jaar van het WOZ-tijdvak een rechtsingang gecreëerd, zij het dat op grond van het tweede artikellid de mogelijkheid om in bezwaar vermindering van de vastgestelde waarde bewerkstelligen in beginsel is beperkt tot het kalenderjaar waarvoor de bevestigingsbeschikking is vastgesteld (:2006).

4.7 Nu eiseres gemotiveerd heeft gesteld dat de waarde van de onroerende zaak A-straat 16 op ten hoogste € 3.272.000,-- moet worden vastgesteld en verweerder volhoudt dat de waarde met € 7.793.000,-- niet te hoog is vastgesteld, rust op verweerder de last laatstgenoemde waarde aannemelijk te maken.

4.8 Verweerder heeft daartoe gesteld, dat de WOZ-waarde vanaf het eerste WOZ-tijdvak tussen partijen in onderling overleg pleegde te worden vastgesteld en dat de voor het (derde) tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 naar waardepeildatum

1 januari 2003 vastgestelde waarde een voorlopige, geschatte waarde betreft die voortborduurt op de voor het (tweede) WOZ-tijdvak van 1 januari 2001 tot en met

31 december 2004 naar de waardepeildatum 1 januari 1999 vastgestelde waarde.

4.9 Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Verweerder heeft geen zelfstandig onderzoek naar de waarde per de waardepeildatum 1 januari 2003 verricht en ter ondersteuning van de door hem verdedigde waarde geen taxatierapport in het geding gebracht. Weliswaar is mogelijk dat partijen ten aanzien van (een aantal) voor de waardebepaling te hanteren uitgangspunten overeenstemming hebben bereikt, maar dit laat onverlet dat verweerder een toereikende onderbouwing dient te geven van de zelfstandig te bepalen waarde.

4.10 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de waarde van de onroerende zaak A-straat 16 opnieuw en zelfstandig dient te bepalen en bij beschikking vast te stellen, en aan eiseres als gebruiker een nieuwe aanslag in de onroerende-zaakbelastingen moet opleggen.

4.11 Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de beroepen gegrond zijn.

4.12 De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de rechtbank, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt deze kosten, op de voet van genoemd Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op € 483,-- wegens in bezwaar beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3 punten à € 161 per punt x 1 (gewicht van de zaken)), en op € 1.288,-- ter zake van in beroep verleende rechtsbijstand (4 punten à € 322 per punt x 1 (gewicht van de zaken)), in totaal derhalve € 1.771,--. Voor een hogere vergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig.

4.13 Voorts dient verweerder aan eiseres het voor deze zaken gestorte griffierecht van

in totaal (€ 281,-- + (2 x € 285)) € 851,-- te vergoeden.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen, voorzover gericht tegen de fictieve weigeringen om op de bezwaren te beslissen, niet-ontvankelijk,

verklaart de beroepen voor het overige gegrond,

vernietigt de uitspraken op bezwaar,

vernietigt de ten aanzien van eiseres ter zake van de onroerende zaak B-straat 26 genomen beschikking van 15 augustus 2006 alsmede de voor deze onroerende zaak opgelegde voorlopige en definitieve aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen,

vernietigt de aan eiseres voor de onroerende zaak A-straat 16 MO001 opgelegde voorlopige aanslag in de onroerende-zaakbelastingen,

vernietigt de ten aanzien van eiseres ter zake van de onroerende zaak A-straat 16 genomen beschikking van 15 augustus 2006 alsmede de voor deze onroerende zaak opgelegde voorlopige en definitieve aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen,

draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak binnen een redelijke termijn ten aanzien van eiseres een nieuwe waardebeschikking voor de onroerende zaak A-straat 16 te nemen en aan haar voor deze onroerende zaak een nieuwe aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (gebruikersdeel) op te leggen,

veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en vastgesteld op € 1.771,--, onder aanwijzing van de gemeente Z als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden, en

bepaalt dat de gemeente Z aan eiseres het door haar voor de zaken betaalde griffierecht van

€ 851,-- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzitter, mr. R.C.M. Reinarz en mr. G.H. Nomes, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Lader, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 18 maart 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op: