Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH9132

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
AWB 08/4876, 08/4877 EN 08/4878 WRO-T1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft ter zitting noch uit het advies van de bezwaarschriftencommissie af kunnen leiden of verweerder daadwerkelijk heeft beoordeeld of hij bevoegd is tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Voorts ontbreekt aan het bestreden besluit een afdoende ruimtelijke onderbouwing en heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die aan de verlening van vrijstelling in de weg staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/4876, 08/4877

en 08/4878 WRO-T1

Uitspraak in de gedingen tussen

Eiseres 1 (reg.nr. 08/4876),

Eiser 2 (reg.nr. 08/4877),

Eiseres 3 (reg.nr. 08/4878),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder.

Aan de gedingen heeft mede als partij deelgenomen:

A.B. van Pelt Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Dordrecht, vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 30 november 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan “Stadscentrum” voor de uitvoering van vier bouwplannen in het gebied “Achterom-Bagijnhof”.

Bij besluit van 13 december 2004 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder met gebruikmaking van het voornoemde besluit van 30 november 2004 aan vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van een woongebouw met 18 appartementen en winkelruimte op het perceel hoek Spuiboulevard-Achterom (“de Muizentrap”), kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie H, nrs. 3957, 4295, 4296 en 4300.

De door eiseres 1, eiser 2 en eiseres 3 (gezamenlijk aan te merken als eisers) tegen het primaire besluit ingediende bezwaren heeft verweerder bij besluit van 31 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2006 heeft de rechtbank Dordrecht, voor zover hier van belang, de door eisers tegen het besluit van 31 mei 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 april 2007, reg.nr. 200604155/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deze uitspraak, voor zover de rechtbank Dordrecht de beroepen van eisers ongegrond heeft verklaard, vernietigd.

Bij brief van 13 februari 2008 hebben eiseres 1 en eiseres 3, bij de rechtbank Dordrecht beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een (nieuwe) beslissing op hun bezwaren.

Bij besluit van 19 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit), verzonden op 3 maart 2008, heeft verweerder de bezwaren van eisers (wederom) ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Bij brief van 13 maart 2008 hebben eiseres 1 en 3 aangegeven dat hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit tevens moet worden aangemerkt als te zijn gericht tegen het bestreden besluit. Bij brieven van 27 maart 2008 en 10 april 2008 hebben onderscheidenlijk eiser 2 en eiseres 1 (afzonderlijk) eveneens bij de rechtbank Dordrecht beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Verweerder heeft bij brief van 18 juni 2008 ten aanzien van de onderhavige procedures een geïntegreerd verweerschrift ingediend.

Op 22 september 2008 zijn eisers, vergunninghoudster en verweerder ter comparitie bij de rechtbank Dordrecht verschenen. Daarbij is vastgesteld dat partijen met elkaar in overleg treden en dat indien zij tot overeenstemming komen, zij dit zo snel mogelijk aan de rechtbank mede delen.

Op 20 november 2008 heeft de rechtbank Dordrecht op basis van het Protocol rechtszaken eigen personeel en onder verwijzing naar artikel 8:13 van de Awb aan de rechtbank Rotterdam verzocht de behandeling van de onderhavige beroepen over te nemen. Deze rechtbank heeft besloten met toepassing van artikel 8:52 van de Awb de beroepen versneld te behandelen en de drie beroepszaken, onder toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Awb, gevoegd te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2009. Eiseres 1 is verschenen. Eiser 2 is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Eiseres 3 heeft zich laten vertegenwoordigen door eiser 2. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.C.M. van Meer-Dijksman. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam].

2 Overwegingen

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Nu de onderhavige bouwaanvraag bij de gemeente Dordrecht reeds in 2004 is ingekomen, de verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, op 30 november 2004 is verstrekt en het bestreden besluit op 19 februari 2008 is gedateerd, is in de onderhavige gedingen, voor zover het de Woningwet en de WRO betreft, het recht van toepassing zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wro.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Voor zover hier van belang mag en moet de reguliere bouwvergunning ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet slechts worden geweigerd indien:

c) het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d) het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 56a van de Woningwet mag de bouwvergunning eerste fase, slechts en moet deze worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is (...).

Vast staat dat het onderhavige bouwplan “de Muizentrap” in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen “Stadscentrum” en “ Schil-West”. Teneinde realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van geen bezwaar is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

De rechtbank Dordrecht heeft in haar uitspraak van 28 april 2006 eisers, inclusief eiseres 3, in hun beroep ontvangen en ter zake van de verleende vrijstelling geoordeeld dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van de specifieke verklaring van geen bezwaar. Ten aanzien van de beroepgronden van eisers, dat het bouwplan zal leiden tot vermindering van lichtinval en uitzicht en dat de benodigde toestemming van eiseres 3 ontbreekt, heeft de rechtbank overwogen dat de gevolgen van het bouwplan – in aanmerking nemende de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan ter plaatse biedt om te bouwen tot een vergelijkbare hoogte als in het onderhavige bouwplan is voorzien – voor de bewoners niet zodanig ingrijpend zijn dat verweerder de vrijstelling had moeten weigeren. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan omdat verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat inmiddels sprake is van gewijzigde eigendomsverhoudingen binnen eiseres 3 en dat thans een meerderheid binnen eiseres 3 voor het verlenen van toestemming is.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 april 2007, in het kader van het hoger beroep van onder meer eisers tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 28 april 2006, ambtshalve overwogen dat de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst van categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, een algemeen verbindend voorschrift is. De bekendmaking daarvan dient ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet te geschieden door plaatsing in het provinciaal blad. Doordat de genoemde lijst ten tijde van de beslissing op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt, heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. Gelet hierop heeft de Afdeling overwogen dat het in bezwaar gehandhaafde besluit van 31 mei 2005 en de aangevallen uitspraak van 28 april 2006 voor vernietiging in aanmerking komen. Hoewel de lijst ondertussen wel op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt, was de geldigheid van de specifieke verklaring van geen bezwaar ten tijde van de Afdelingsuitspraak verlopen. Aangezien verweerder ook op dat moment niet bevoegd zou zijn vrijstelling te verlenen, zag de Afdeling geen grond om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling diende verweerder, met in achtneming van hetgeen daarin is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hangende het door eiseres 1 en eiseres 3 ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op hun bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit eisers bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is een besluit als bedoeld in artikel 6:20 van de Awb.

Nu eiseres 1 noch eiseres 3 hebben gesteld tengevolge van het enkel niet tijdig beslissen schade te hebben geleden, hebben zij geen belang meer bij een gegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:20, zesde lid, van de Awb. Een dergelijk procesbelang kan immers niet zijn gelegen in de vergoeding van griffierecht, omdat ook toepassing kan worden gegeven aan artikel 8:74 van de Awb zonder dat het beroep gegrond wordt verklaard. Het door eiseres 1 en eiseres 3 ingediende beroep tegen het uitblijven van een besluit op de bezwaren zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het bestreden besluit komt niet tegemoet aan de bezwaren van eiseres 1 en eiseres 3, zodat het beroep ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb mede is gericht tegen dit besluit. De rechtbank ziet geen reden anders over de ontvankelijkheid van eiseres 3 te oordelen dan de rechtbank Dordrecht en de Afdeling in hun uitspraken van respectievelijk 28 april 2006 en 24 april 2007 hebben gedaan.

Bij het bestreden besluit verklaart verweerder, onder overneming van het advies van de commissie voor beroep- en bijzondere bezwaarschriften (verder: de commissie) van 28 januari 2008, de bezwaren van eisers ongegrond. Verweerder stelt zich daarbij wederom op het standpunt aan het bouwplan medewerking te verlenen door verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, echter thans op basis van de bijzondere verklaring van geen bezwaar van 19 december 2006, die op 9 oktober 2007 voor de duur van een jaar is verlengd.

Verweerder stelt daarbij de aspecten van uitzicht- en privacyverlies bij de besluitvorming te hebben betrokken. Volgens verweerder levert het nieuwe woongebouw een positieve bijdrage aan het gewenste profiel voor het Achterom. Er wordt een uitstraling gecreëerd die past bij een woon-winkelgebied. De zijgevels van het nieuwe woongebouw zijn van ondoorzichtig materiaal en leiden dus niet tot privacyverlies. Voorts is de afstand tussen de bestaande ramen en de ramen van de nieuwe appartementen in overeenstemming met het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek. Hoewel het uitzicht vanuit de hoekappartementen door het nieuwe woongebouw wordt beperkt, acht verweerder dit niet dusdanig ernstig dat de vrijstelling voor het bouwplan geweigerd had moeten worden. Op een locatie in de binnenstad kan geen aanspraak worden gemaakt op een blijvend vrij uitzicht. Daarnaast wijst verweerder erop dat de appartementen op de voorzijde zijn georiënteerd, vanwaar de naar voren springende gevel van het nieuwe woongebouw nauwelijks waarneembaar is.

Verweerder spreekt tegen dat na de uitvoering van het bouwplan donkere ruimten ontstaan waar sociale overlast kan plaatsvinden. Het bouwplan, inclusief de entree, voldoet aan de criteria van het politiekeurmerk Veilig Wonen. Er zal hierdoor niet snel een hangplek ontstaan. Bovendien zal extra verlichting bij de entree en de aanwezigheid van stadswachten in het gebied kunnen bijdragen aan de veiligheid van de appartementbewoners. Verweerder wijst er daarnaast op dat de brandweer heeft geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan artikel 2.5.3 van de Bouwverordening (bereikbaarheid bouwwerken en aanwezigheid bluswatervoorzieningen).

Verweerder stelt verder dat voor het doorbreken van de entree van het bestaande appartementengebouw en voor het aanbouwen van de Muizentrap tegen dit gebouw vooruitgelopen is op privaatrechtelijke toestemming van eiseres 3, doch volgens verweerder is de bouw ook uitvoerbaar als de toestemming niet wordt verkregen, omdat een deel van de bouwvergunning dan niet wordt benut. Ondanks de mogelijke privaatrechtelijke belemmering meent verweerder in redelijkheid vrijstelling te kunnen verlenen.

Ter zake van de welstand wijst verweerder erop dat de welstandscommissie op 5 augustus 2004 heeft aangegeven dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Nu eisers niet met een deskundig tegenadvies komen en niet blijkt dat het welstandsadvies naar inhoud en totstandkoming gebreken vertoont, neemt verweerder dit advies over.

De afzonderlijk door eisers aangevoerde beroepsgronden komen – integraal samenvattend weergegeven – erop neer dat “de Muizentrap” storend is en ten koste gaat van het woongenot, de leefbaarheid en veiligheid van eisers. De diepe nis nodigt uit tot bezoek van hangjongeren, wildplassers, zwervers e.a. Bovendien zal de waarde van de woningen sterk verminderen en leidt de bouw tot sterke vermindering van licht, lucht en privacy aan de achterkant van de bestaande hoekappartementen. Voorts gaat het vrije uitzicht volledig verloren en zal aan de zijkant de lichtinval aanmerkelijk verslechteren. Ook zal het bouwplan aldaar een groot verlies aan privacy tot gevolg hebben. Voorts voeren eisers aan dat de rechtbank Dordrecht twee belangrijke punten verkeerd heeft beoordeeld. Onjuist is dat de huidige bestemming in de onderhavige bestemmingsplannen al een gebouw met een hoogte van maximaal 21 meter zou toestaan. Evenmin is correct dat eiseres 3 toestemming zal verlenen voor het doorbreken van de entree. De privaatrechtelijke toestemming komt er niet, omdat de uitvoering van het bouwplan een enorme aantasting van het gebouw met zich zou brengen, zowel in technische als in esthetische zin. Bovendien vinden eisers het onbegrijpelijk dat verweerder instemt met het wegnemen van het enige uitpad van het bestaande gebouw zonder dat daarover overleg is geweest met dan wel toestemming is gegeven door eiseres 3.

Daarnaast voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2007 ook ten aanzien van de 12 medebewoners van het complex een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, zodat het bestreden besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de 12 medebewoners om hen moverende redenen hebben nagelaten tegen verweerders besluit van 31 mei 2005 afzonderlijk rechtsmiddelen aan te wenden. Gelet hierop is dat besluit ten aanzien van deze 12 bewoners onherroepelijk geworden. Noch het rechtszekerheidsbeginsel, noch de Afdelingsuitspraak van 24 april 2007, noch enig wettelijk voorschrift verplicht verweerder hen wederom in de procedure te betrekken.

De rechtbank kan zich voorts vinden in verweerders standpunt inzake de welstand en ziet verder geen reden het oordeel van de rechtbank Dordrecht omtrent al hetgeen verweerder in het kader van de belangenafweging heeft gesteld ter zake van vermindering van lichtinval en uitzicht - hetgeen verweerder thans heeft herhaald - niet te volgen.

Anders dan ten tijde van het besluit van 31 mei 2005 heeft verweerder in het kader van de te verlenen vrijstelling op basis van artikel 19, tweede lid, van de WRO thans geen gebruik gemaakt van een specifieke verklaring van geen bezwaar maar van de bijzondere verklaring van geen bezwaar.

Hoewel in het advies van de commissie, dat integraal onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, slechts is aangegeven dat verweerder voornemens is vrijstelling te verlenen, gaat de rechtbank op basis van de in het advies onder randnummer 6.1 getrokken conclusie en hetgeen ter zitting is besproken ervan uit dat verweerder dit daadwerkelijk ook heeft beoogd en aldus bij het bestreden besluit vrijstelling heeft verleend.

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland (verder: GS) hebben ten aanzien van de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO beleid ontwikkeld. Bij brief van 19 december 2006 hebben GS het herziene beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO bekendgemaakt. Hierbij is bepaald dat het nieuwe beleid in werking treedt op

1 januari 2007 en behoudens tussentijdse beleidswijzigingen geldig is tot 1 januari 2008. Bij latere brief (te vinden via www.zuid-holland.nl), voor zover hier van belang, hebben GS aan de gemeenteraden en de colleges van burgemeester en wethouders van alle gemeenten in Zuid-Holland medegedeeld dat zij, gelet op het overgangsrecht neergelegd in de invoeringswet Wro, ten aanzien van verzoeken ex artikel 19 WRO die zijn ingediend voor

1 juli 2008 nog wel gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die GS op basis van artikel 19, tweede lid, van de WRO bij hun besluit van 9 oktober 2007 hebben geboden.

GS hebben voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO twee hoofd-categorieën onderscheiden, te weten projecten die in overeenstemming zijn met door GS en de VROM-inspectie geaccordeerd ruimtelijk beleid (specifieke verklaring van geen bezwaar) en projecten opgenomen in een afzonderlijke lijst (bijzondere verklaring van geen bezwaar).

De bijzondere verklaring van geen bezwaar wordt op voorhand verleend voor de in de brief van GS van 19 december 2006 limitatief opgesomde situaties. Uitgangspunt daarbij is dat het moet gaan om projecten die passen binnen het huidige provinciale ruimtelijk beleid, zoals dat is neergelegd in de streekplannen en de Nota Regels voor Ruimte.

Voor stedelijk gebied - dat de in de streekplannen aangegeven stads- en dorpsgebieden, voor zover gesitueerd binnen de maximale bebouwingscontouren, omvat en waarvan hier sprake is - verlenen GS onder meer een bijzondere verklaring van geen bezwaar voor:

1. Het bouwen van de woonfunctie (woningen, woonzorgcentra, woonwagens et cetera) - inclusief bij die functie behorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen (garages, carports, parkeerkelders, zwembaden et cetera) - en het omzetten van bestaande functies naar een woonfunctie.

2. (…) .

3. Het oprichten van winkels, bedrijvigheid en kantoren en daarbij behorende voorzieningen en (…).

Verder is in het beleid opgenomen dat voor gebieden die deel uitmaken van een beschermd stads- en dorpsgezicht (bestaand of in voorbereiding) als bedoeld in de Monumentenwet de vrijstelling slechts kan worden verleend na positief advies van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: de Rijksdienst).

De rechtbank heeft ter zitting noch uit het advies van de commissie af kunnen leiden of verweerder daadwerkelijk heeft beoordeeld of het bouwplan wel valt onder de door GS aangewezen categorieën van gevallen dan wel voldaan wordt aan de voorwaarden van het voornoemde beleid, zodat verweerder bevoegd is tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Hoewel uit diverse gedingstukken, waaronder het ontwerp-bestemmingsplan “tweede partiële herziening van het bestemmingsplan Stadscentrum”, volgt dat het onderhavige gebied is aangewezen als beschermd stadsgezicht, is evenmin gebleken dat verweerder het bouwplan voor advies aan de Rijksdienst heeft voorgelegd.

De rechtbank heeft daarnaast, mede op grond van het verhandelde ter zitting, vastgesteld dat op basis van de bouwvoorschriften van de huidige vigerende bestemmingsplannen op de betrokken percelen niet al een gebouw met een vergelijkbare hoogte als die van het bouwplan kan worden opgericht. Weliswaar heeft verweerder gesteld dat in de omgeving wel enige hoge gebouwen zijn geplaatst, doch deze zijn niet gelegen binnen de ter plaatse van het bouwplan geldende bestemmingen. Aangezien de aldaar toegestane bouwhoogte van maximaal 6 meter relatief gering is ten opzichte van de thans geplande bouw, dat een bouwhoogte omvat van circa 33 meter, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ingrijpende inbreuk op het planologische regime. Dit betekent dat zwaardere eisen dienen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daar, gezien het in dat opzicht summiere advies van de commissie, onvoldoende aandacht aan heeft besteed. Naast het ontbreken van een advies van de Rijksdienst, ontbeert het bestreden besluit derhalve ook een afdoende ruimtelijke onderbouwing.

Voorts heeft de rechtbank, mede aan de hand van de behandeling ter zitting, vastgesteld dat er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering. Eiseres 3 heeft immers uitdrukkelijk te kennen gegeven geen toestemming te verlenen voor de aanbouw van het gebouw aan haar appartementencomplex, omdat daarvoor de bestaande ingang van haar appartementencomplex verwijderd dient te worden. Bij de beoordeling van een bouwaanvraag die slechts met een vrijstelling kan worden verleend zijn civielrechtelijke belemmeringen voor de uitvoering van een bouwplan relevant. Bij de beslissing tot medewerking aan de vrijstelling dienen alle daarbij in het geding zijnde belangen te worden afgewogen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 oktober 2007, in zaak nr. 200701608/1, is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat aanleiding, wanneer deze een evident karakter heeft. Gelet op de houding van eiseres 3, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat. Verweerders standpunt dat het bouwplan ook kan worden uitgevoerd zonder de vereiste toestemming voor de aanbouw, maakt dit niet anders. Immers, anders dan verweerder en vergunninghoudster stellen, zal de hiervoor aangewezen wijziging/aanpassing van het bouwplan zien op een aanzienlijke verandering van de entree in de gevel van de Muizentrap, zodat deze in relatie tot de omgeving niet kan worden aangemerkt als een wijziging van ondergeschikte aard. Bovendien is niet volledig ondenkbaar dat adviesinstanties de nieuwe situatie, in het kader van bijvoorbeeld de welstand dan wel de veiligheid, anders zullen beoordelen dan de huidige bouwaanvraag.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen van eisers tegen het bestreden besluit gegrond dienen te worden verklaard. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers met inachtneming van deze uitspraak.

Niet is gebleken dat eisers kosten hebben gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Wel dient verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep van eiseres 1 en eiseres 3 tegen het uitblijven van een besluit op de bezwaren niet-ontvankelijk,

verklaart de beroepen van eisers tegen het bestreden besluit gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak,

bepaalt dat de gemeente Dordrecht aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. A.I. van Strien en mr. A. Verweij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 26 maart 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: