Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH8666

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
314815 / F2 RK 08-2427
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM5034, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5565, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de man tot beëindiging van zijn alimentatieplicht jegens de vrouw omdat zij sinds 3 januari 2006 samenleeft met een ander, als waren zij gehuwd, in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling onder meer een observatieverslag van een onderzoeksbureau overgelegd. Niet in geschil is dat de vrouw een duurzame affectieve relatie heeft met haar partner en dat zij geen eigen woning heeft. De rechtbank acht voorshands en behoudens tegenbewijs voldoende bewezen dat de vrouw met haar partner samenleeft vanaf 3 januari 2006 als waren zij gehuwd. Gelet op hetgeen de man naar voren heeft gebracht ligt het op de weg van de vrouw daartegen tegenbewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 26 maart 2009

Zaak- / Rekestnummer: 314815 / F2 RK 08-2427

Beschikking in de zaak van:

[naam verzoeker], de man,

wonende te [adres],

advocaat mr. L. Laus,

t e g e n

[naam verweerster], de vrouw,

wonende op een geheim adres,

advocaat mr. J.M. Vervoorn.

Het verloop van de procedure

De man heeft een verzoekschrift ingediend tot

-beëindiging van zijn alimentatieplicht met ingang van 3 januari 2006 dan wel met ingang van een datum welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren alsmede

-de vrouw te gelasten aan de man te restitueren de onverschuldigd betaalde alimentatie ten bedrage van € 21.450,- dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

-en de vrouw te gelasten tegen behoorlijke kwijting aan de man te voldoen de kosten van onderzoek door een professioneel onderzoeksbureau van € 12.000,-.

Van de zijde van de man zijn nog brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd 10 en 15 september 2008 en 16 oktober 2008.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, inhoudende de man in zijn verzoeken niet ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken ongegrond te verklaren respectievelijk deze af te wijzen, onder veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

Van de zijde van de man zijn nog brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd 27, 28 en 30 januari 2009.

Van de zijde van de vrouw zijn nog brieven met bijlagen ingekomen, gedateerd 30 januari en 5 februari 2009.

De zaak is behandeld op 6 februari 2009.

De vaststaande feiten

Partijen zijn op 24 september 1980 te [plaats huwelijk] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

Partijen hebben een kind, te weten:

[naam kind], geboren op 3 maart 1985 te [geboorteplaats].

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 27 oktober 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 28 januari 2005 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde beschikking is onder meer bepaald, dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling, zal voldoen van € 320,- per maand.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 28 juni 2006 is de beschikking van 27 oktober 2004 in die zin gewijzigd, dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 3 maart 2006 is bepaald op € 716,- per maand.

De beoordeling

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd de stelling dat zijn alimentatie-verplichting jegens de vrouw is geëindigd omdat zij sinds 3 januari 2006 samenleeft met een ander, te weten de heer [naam partner] (hierna: [naam partner]), als waren zij gehuwd, in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De vrouw heeft weersproken dat zij samenleeft met [naam partner] als ware zij met hem gehuwd in de zin van voornoemd artikel.

De rechtbank overweegt dat voor toepassing van art. 1:160 BW de cumulatieve vereisten gelden van samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, alsmede het bestaan van een duurzame en affectieve relatie en een wederzijdse verzorgingsplicht.

Duurzame affectieve relatie

Niet in geschil is dat de vrouw een duurzame affectieve relatie met [naam partner] heeft.

Samenwonen, gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging

De man heeft ter onderbouwing van zijn betoog, dat voldaan wordt aan deze vereisten, -onder meer- aangevoerd dat uit het door Bureau de Rijk van 30 oktober 2007 tot en met 13 augustus 2008 verrichte observatie-onderzoek blijkt dat de vrouw met [naam partner] boodschappen doet, waarbij ze gebruik maken van de auto van [naam partner]. Ze halen de boodschappen eruit bij het flatgebouw aan de [adres], alwaar [naam partner] woont.

Voorts staan de vrouw en [naam partner] als "B[ ] en R[ ]" te Vlaardingen opgenomen onder de familieleden van de overledene in een rouwadvertentie, gepubliceerd in januari 2008.

Verder fungeren de vrouw, [naam partner] en de zoon van partijen in een uittreksel uit het handelsregister van V.O.F. [naam vof] aan de [adres] als vennoten. Dit acht de man tevens een aanwijzing voor een intensieve relatie tussen de vrouw en [naam partner].

Op schilderijen van de vrouw door haar geschilderde zijn voorstellingen te zien van een persoon met het gelaat van [naam partner].

De vrouw houdt een website ([aanduiding website]) aan, waarbij de bezoeker

wordt doorgeklikt naar het e-mailadres [ ].

Op www.airmiles.nl heeft de vrouw als adres het adres van [naam partner], alsmede het e-mailadres [ ], opgegeven.

De man heeft voorts verslagen van een buurtonderzoek d.d. 3 en 6 oktober 2008, en 21 en 28 januari 2009 bij de [adres], bij de woning van de dochter in [woonplaats dochter] en bij de woning van de heer [naam] in [woonplaats], overgelegd. Voorts heeft hij gesteld, onder overlegging van foto's, dat in de buurt van waar dochter [naam], de heer [naam] en mevrouw [naam] wonen, er geen sprake is van een parkeervergunningenbeleid, zoals de vrouw stelt.

Ter zitting heeft de man nog aangegeven dat een onderzoeksbureau geen financieel onderzoek meer mag doen, zodat de financiële gang van zaken enkel te herleiden is uit het gedrag van mensen, of zij gezamenlijk op vakantie gaan, en door te vragen wie wat betaalt.

De vrouw heeft de stellingen van de man, dat de vrouw met [naam partner] samenwoont, zij een gemeenschappelijk huishouding met [naam partner] voert en [naam partner] en zij elkaar wederzijds verzorgen, gemotiveerd betwist, waartoe zij ten aanzien van het samenwonen heeft gesteld dat zij een deel van de week op andere adressen dan op het adres van [naam partner] verblijft, te weten - met name - bij haar dochter [naam] te [woonplaats], en voorts bij andere familieleden, bij mevrouw [naam] te [woonplaats], en bij de heer [naam] te [woonplaats]. Zij heeft gesteld dat zij voornemens was eigen woonruimte te verwerven maar dat deze plannen door een auto-ongeluk in december 2007 zijn gestagneerd. De vrouw is beperkt en ondergaat nog steeds behandelingen in het revalidatiecentrum in [plaats]. In verband daarmee logeert de vrouw iets vaker bij [naam partner] - in [plaats] -, doch nimmer meer dan tweeënhalf tot drie dagen per week.

Ten aanzien van het onderzoek door Bureau de Rijk heeft de vrouw -onder meer- gesteld dat over de observatieperiode van ruim 300 dagen slechts verslag wordt gedaan van 59 dagen, voornamelijk over auto's en [naam partner]. De onderzoekers hebben de vrouw kennelijk niet gedurende de andere circa 240 dagen geobserveerd, althans geen verslag gedaan van haar verblijf gedurende het merendeel van die dagen op de andere logeeradressen van de vrouw.

De vrouw parkeerde haar auto vaak in de nabijheid van de woning van [naam partner] en liet deze daar ook staan gedurende de perioden dat zij in [plaats], [plaats], of bij haar dochter verbleef. De vrouw reisde per openbaar vervoer tussen de verschillende verblijfsadressen omdat dit makkelijker was dan met de auto. De vrouw beschikt voorts niet over parkeervergunningen voor parkeerplaatsen in de nabijheid van de verschillende logeeradressen.

Voorts heeft de vrouw van [naam partner] toestemming gekregen om haar e-mailadres te linken aan zijn (zakelijke) e-mailadres, zodat de vrouw in staat is om via haar e-mail te blijven communiceren. De vrouw beschikt niet over vaste woonruimte noch over een eigen computer. Daarom heeft ze ook het e-mailadres van [naam partner] vermeld ten behoeve van haar inschrijving op www.airmiles.nl.

Ten aanzien van de andere twee vereisten heeft zij gesteld dat zij en [naam partner] geen gemeenschappelijke huishouding voeren en zij niet bijdraagt aan de kosten van huishouding van [naam partner]. Zij koopt haar eigen benodigdheden.

De vrouw heeft de uitslagen van de buurtonderzoeken betwist en daartoe producties overgelegd.

Ter zitting heeft de vrouw nog aangegeven dat zij van hetzelfde keukengerei gebruik maakt als [naam partner]. Voorts heeft zij gesteld dat haar spulletjes en kleding zich bij haar dochter bevinden, dat zij één bankrekening heeft, welke op haar naam staat, en dat zij en [naam partner] geen gezamenlijke rekening hebben.

De rechtbank overweegt dat waar de man zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten, op hem de bewijslast rust van zijn stelling dat de vrouw met [naam partner] samenleeft als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. In dit verband heeft de man een aantal feiten gesteld en een rapport overgelegd van onderzoeksbureau de Rijk waaruit blijkt dat de woning van [naam partner] is geobserveerd in de periode van 30 oktober 2007 tot en met 13 augustus 2008, waarbij in die periode gedurende 59 dagen waarnemingen zijn gedaan. Kennelijk zijn die waarnemingsdagen willekeurig bepaald. Op alle dagen der week, behalve op de zondag is geobserveerd, zonder dat in de keuze van die dagen een patroon is te zien. De juistheid van hetgeen door de observant in zijn rapport is vermeld, is door de vrouw - met uitzondering van het merk auto waarin [naam partner] zou rijden - niet betwist, zodat de inhoud van het rapport van bureau de Rijk d.d. 25 augustus 2008 tussen partijen als vaststaand wordt beschouwd. Wel heeft de vrouw de door de man aan de inhoud van dit rapport verbonden conclusies betwist.

In het licht van bedoeld rapport d.d. 25 augustus 2008, de aanvullende buurtonderzoeken d.d. 3 en 6 oktober 2008 en 21 en 28 januari 2009, het feit dat de vrouw geen eigen woning heeft, zij heeft bevestigd dat zij een duurzame affectieve relatie heeft met [naam partner], zij met haar e-mailadres gelinkt is aan het e-mailadres van [naam partner], zij het adres van [naam partner] opgeeft als zijnde haar adres, zij zich met [naam partner] schriftelijk presenteert als een stel, en gelet op de omstandigheid dat zij zich in de stukken en ter zitting zeer beperkt heeft uitgelaten over de vraag op welke feitelijke wijze haar woonsituatie er in dat deel van de week, dat zij niet bij [naam partner] verblijft, uitziet, acht de rechtbank voorshands en behoudens tegenbewijs voldoende bewezen dat de vrouw met [naam partner] samenleeft vanaf 3 januari 2006 als waren zij gehuwd. Gelet op hetgeen de man naar voren heeft gebracht ligt het op de weg van de vrouw daartegen tegenbewijs te leveren. De vrouw zal tot dit tegenbewijs worden toegelaten.

De behandeling van de zaak zal worden aangehouden in afwachting van de uitkomsten hiervan.

De rechtbank zal bepalen dat tegen deze tussenbeschikking op proces-economische gronden hoger beroep kan worden ingesteld.

De beslissing

Alvorens verder te beslissen,

houdt de behandeling van de zaak aan tot 1 mei 2009 pro forma;

laat de vrouw toe tot het tegenbewijs (door alle middelen rechtens) tegen de stelling dat zij sinds 3 januari 2006 samenleeft met [naam partner] als waren zij gehuwd;

bepaalt dat indien de vrouw dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, de advocaat van de vrouw voor 1 mei 2009 opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden juni, juli, augustus en september 2009 en dat de advocaat van de man vóór dezelfde datum opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgave(n) vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

wijst de vrouw er op dat zij zelf verantwoordelijk is voor het tijdig en op de juiste wijze oproepen van de getuigen;

bepaalt dat indien de vrouw dit bewijs anders dan door middel van het horen van getuigen wil leveren, zij tot 1 mei 2009 in de gelegenheid wordt gesteld stukken terzake aan de rechtbank en de wederpartij te doen toekomen. De wederpartij zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren.

De rechtbank bepaalt dat tegen deze tussenbeschikking hoger beroep kan worden ingesteld.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Driel, rechter, in bijzijn van mr. De Regt, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.