Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH8219

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
324945 /KG ZA 09-161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rechter legt als civiele procespartij stukken over van een derde die eerder procespartij is geweest in een procedure die hij als rechter heeft beslecht. De vraag of deze rechter door het overleggen van die stukken in strijd handelt met een op hem rustende betamelijkheidsnorm die hij als rechter in acht behoort te nemen en zich om die reden van dit handelen dient te onthouden is in beginsel geen vraag die door de voorzieningenrechter kan worden beantwoord. Het betreft hier immers een toets vergelijkbaar met die gehanteerd wordt in het tuchtrecht en door een ombudsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 324945 /KG ZA 09-161

Uitspraak: 24 maart 2009

VONNIS in kort geding in de zaak van:

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

gevestigd te Schiphol-Rijk,

4. [eiser 4]

gevestigd te Schiphol-Rijk,

eisers,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. H.J.M. Boukema.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eisers]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 25 februari 2009 met producties;

- pleitnotities en producties van mr. M.Ch. Kaaks;

- pleitnotities en producties van mr. H.J.M. Boukema.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 19 maart 2009.

2 Vaststaande feiten

2.1 In de periode 1994-1996 heeft [gedaagde] als rechter van de rechtbank ’s-Gravenhage opgetreden in procedures waarbij (onder meer) [eisers] betrokken waren. [persoon 1] heeft [eisers] in deze procedures als advocaat bijgestaan.

2.2 In 2000 is [bedrijf 1] gesplitst.Uit [bedrijf 1] ontstonden twee nieuwe vennootschappen: [eiser 3] (eiseres sub 3) en [bedrijf 2] (“[bedrijf 2]”).

2.3 Op enig moment heeft [persoon 1] in een interview met journalist [persoon 2] (“[persoon 2]”) de rol en houding van [gedaagde] in de zogenoemde “[X]-zaken” bekritiseerd. In het interview heeft [persoon 2] onder meer aangegeven dat [gedaagde] voorafgaand aan een door hem als rechter voorgezeten zitting in een van de [X]-zaken is gaan bellen met advocaten.

2.4 Op 19 april 2004 heeft [gedaagde] naar aanleiding van het gepubliceerde interview een procedure jegens [persoon 1] (alsmede [persoon 2] en uitgever Memory Productions Publications B.V.) aanhangig gemaakt. De rechtbank Rotterdam heeft in deze procedure op 23 januari 2008 eindvonnis gewezen. [gedaagde] is in hoger beroep gegaan van het vonnis van 14 de-cember 2005 gewezen in de zaak tegen [persoon 2] en Memory. De procedure in hoger beroep is aanhangig bij het gerechtshof ’s-Gravenhage en staat thans voor pleidooi op 25 maart 2009.

2.5 In de procedure tussen [gedaagde] enerzijds en [persoon 1], [persoon 2] en Memory anderzijds heeft [gedaagde] stukken overgelegd die oorspronkelijk (mede) afkomstig zijn van [eisers]. [gedaagde] heeft de betreffende stukken ontvangen van de advocaat van [bedrijf 2].

3 Het geschil

3.1 [eisers] hebben -na eiswijziging- gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde]:

1. te bevelen om de griffier en de rolraadsheer van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de pro-cedure tegen [persoon 1], [persoon 2] en Memory Productions Publications B.V. (rolnr. 105.007.329/01) binnen 24 (vierentwintig) uur na het te wijzen vonnis op de geëigende wijze schriftelijk te doen berichten dat de zijdens hem als 16.1 tot en met 16.8 genummerde producties, alsmede de bij akte op 28 maart 2007 (in de procedure [gedaagde] vs [persoon 1] voor de rechtbank Rot-terdam met rolnr. 2004/1275) overgelegde producties 15.1 – 15.9 en 16.1 t/m 16.15, worden teruggetrokken uit het procesdossier met het verzoek deze ter griffie te doen vernietigen in-clusief afschriften, onder de nadrukkelijke vermelding dat deze stukken bij de behandeling van het hoger beroep buiten beschouwing dienen te blijven, een en ander onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift hiervan aan de raadsman van eiseres;

2. te gebieden binnen drie dagen na het ten deze te wijzen vonnis opgave te verstrekken van alle documenten en/of correspondentie, die afkomstig zijn uit dossiers welke toebehoren aan (rechtsvoorgangers van) eisers waaronder, maar niet beperkt tot, [bedrijf 3]. en [eiser 4], alsmede opgave te verstrekken van alle documenten en/of corres-pondentie die met (vertegenwoordigers of werknemers van) eiseres of hun rechtsvoorgan-gers zijn uitgewisseld, en welk in het bezit van gedaagde zijn en deze stukken inclusief alle afschriften aan de raadsman van eisers ter hand te stellen;

3. te verbieden de sub 1 en 2 bedoelde documenten verder te verspreiden en/of openbaar te maken;

4. te gebieden schriftelijke mededeling te doen aan de raadsman van eisers binnen drie da-gen na het ten deze te wijzen vonnis van alle contacten van gedaagde met mr. Greve in diens hoedanigh[bedrijf 2] advocaat van [bedrijf 2] dan wel met (andere) vertegenwoordigers of functionarissen van deze vennootschap welke tot op heden plaats-vonden, onder vermelding van plaats, tijd, reden en inhoud van het overleg;

5. te gebieden dat gedaagde zich zal onthouden van contacten en/of ieder overleg, in welke vorm en op welke wijze dan ook, met [bedrijf 2], [persoon 3] en of andere vertegenwoordigers, althans van zodanige contacten en/of overleg voor zover daarbij inlichtingen worden verstrekt, en/of gebruik wordt gemaakt van knowhow respectievelijk dossierstukken, met betrekking tot de geschillen tussen [persoon 4] ener-zijds en [eisers] anderzijds uit de periode 1994-2000;

6. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag dat gedaagde geheel of gedeeltelijk de bevelen sub 1,2,3,4,en/of 5 geheel of gedeel-telijk niet nakomt;

7. te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [eisers] hebben -naast voornoemde feiten en voor zover voor de beoordeling rele-vant- aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] vertrouwelijke stukken die toebehoren aan [eisers], althans waarover [gedaagde] niet zonder toestemming van [eisers] had mogen beschikken en die niet vrijelijk aan derden ter hand mogen worden gesteld, in het geding tegen [persoon 1], [persoon 2] en Memory heeft gebracht. De stukken betreffen cor-respondentie tussen [eisers] ([eiser 4] en (de rechtsvoorganger van) [eiser 3]) en hun advocaat en vertrouwensrelaties. De inhoud van deze corres-pondentie is naar hun aard strikt vertrouwelijk.

3.3 [gedaagde] wist, althans behoorde te weten, dat de hem in samenspraak met en door [bedrijf 2] aangereikte brieven behoren tot het dossier van [eisers] en dat zij nimmer zonder toestemming van [eisers] aan derden ter inzage mogen worden gegeven of on-der derden mogen worden verspreid.

3.4 [gedaagde] dient zich in zijn hoedanigheid van rechter -nota bene in de geschillen die [bedrijf 2] en [eisers] lange tijd verdeeld hebben gehouden- uiterst prudent op te stellen. Door overlegging van de vertrouwelijk brieven in de procedure tegen [persoon 1], [persoon 2] en Me-mory handelt [gedaagde] op een wijze die onverenigbaar is met de gepaste rechterlijke dis-tantie jegens (voormalige) procespartijen. [eisers] hebben [gedaagde] verzocht de stukken uit de procedure tegen [persoon 1], [persoon 2] en Memory terug te trekken en te vernietigen, hetgeen [gedaagde] heeft nagelaten.

3.5 [gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Hierop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de litigieuze stukken afkomstig zijn van (de advo-caat van) [bedrijf 2]. Voorshands is niet komen vast te staan dat [bedrijf 2] deze stukken on-rechtmatig onder zich had en dat het haar niet vrijstond deze stukken (immers uit haar eigen archief afkomstig) aan [gedaagde] te verstrekken.

4.2 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] de stukken op onoorbare wijze heeft verkregen. Ook indien juist zou zijn dat [gedaagde] in overleg met (de advocaat van) [bedrijf 2] de stukken heeft geselecteerd, zoals [eisers] thans aanneemt, leidt zulks op zichzelf nog niet tot het oordeel dat [gedaagde] de stukken op onrechtmatige wijze in handen heeft gekregen.

4.3 In beginsel staat het partijen in een civiele procedure vrij zich te bedienen van de be-wijsmiddelen die hen ter beschikking staan. De enkele omstandigheid dat een bewijsstuk langs onrechtmatige weg in het bezit van een partij is gekomen, brengt nog niet mee dat dat bewijsstuk niet in een procedure als bewijsmiddel in een civiele procedure gebruikt mag worden. Wil van bewijsuitsluiting sprake kunnen zijn, zal schending van een fundamenteel procesrechtelijke beginsel c.q. het beginsel van een eerlijk proces aan de orde dienen te zijn.

Waar in een civiele procedure waarheidvinding centraal staat, dient reeds daarom de voor-zieningenrechter zich ten aanzien van bewijsuitsluiting uiterst terughoudend op te stellen.

Dat van de hiervoor bedoelde schending sprake is, is vooralsnog niet gebleken.

De vordering van [eisers] beogen vooral dat de litigieuze bewijsstukken niet in de pro-cedure tussen [gedaagde] enerzijds en [persoon 1], [persoon 2] en Memory anderzijds worden ge-bruikt. [eisers] zijn geen partij in de procedure, zodat [eisers] de bewijsstukken niet tegen zich hebben te laten gelden in dat civiele proces.

4.4 Het vorenstaande betekent evenwel niet dat het gebruik van de omstreden stukken onder omstandigheden jegens [eisers] niet onrechtmatig kan zijn. [eisers] verwijt [gedaagde] dat hij, door de stukken zonder toestemming van [eisers] in het geding te brengen, in strijd handelt met een op hem als rechter rustende (verzwaarde) zorgvuldig-heidsnorm.

4.5 De thans lopende procedure tussen [gedaagde] enerzijds en [persoon 1], [persoon 2] en Memory anderzijds houdt rechtstreeks verband met de in de jaren negentig gevoerde “[X]-procedures”, en de rol die [gedaagde] als rechter destijds daarin heeft gespeeld. De door [gedaagde] overgelegde stukken zijn afkomstig van bij deze procedures betrokken partijen, namelijk [eisers]. Van [gedaagde] mag dan ook worden verwacht dat hij zich ten aan-zien van het gebruik van deze stukken, gelijk [eisers] terecht aanvoeren, uiterst pru-dent opstelt. De stukken dienen ter staving van de stelling van [gedaagde] dat hij zich in de aan hem ter beslechting voorgelegde [X]-procedure heeft gedragen zoals van een on-partijdig en onafhankelijk rechter mag worden verwacht. Dit standpunt wordt nu juist door [eisers] bestreden en [gedaagde] weet dit al heel lang. Het is dan ook de vraag in hoe-verre deze wetenschap [gedaagde] er reeds van had moeten weerhouden de omstreden stukken -zonder toestemming van [eisers]- in de procedure tegen [persoon 1], [persoon 2] en Memory in te brengen.

4.6 Dat [eisers] vraagtekens plaatst bij de betamelijkheid van het handelen van [gedaagde] jegens [eisers] acht de voorzieningenrechter op zich wel begrijpelijk. De vraag of [gedaagde] door het overleggen van de omstreden stukken in strijd handelt met een op hem rustende betamelijkheidsnorm die hij als rechter in acht behoort te nemen en hij zich om die reden van dit handelen dient te onthouden, staat echter naar voorlopig oordeel in be-ginsel niet ter beantwoording aan de voorzieningenrechter. Het betreft hier immers een toets vergelijkbaar met die gehanteerd wordt in het tuchtrecht en door een ombudsman.

4.7 Daar komt bij dat, hoewel voorstelbaar is dat [eisers] niet wenst dat de (mede) van haar afkomstige stukken zonder haar toestemming door een derde -[gedaagde]- worden gebruikt, voorshands niet gebleken is dat de inhoud van de litigieuze stukken zodanig scha-delijk is voor [eisers] dat het overleggen van de stukken in een civiele procedure, het belang van waarheidsvinding daarbij meewegend, achterwege zou dienen te blijven.

4.8 Het voorgaande in aanmerking nemende, zal het onder sub 1 gevorderde dan ook wor-den afgewezen.

4.9 Het onder sub 2, 3, 4 en 5 gevorderde zal eveneens worden afgewezen, nu niet gesteld, noch gebleken is dat [eisers] -mede gelet op het feit dat het hier gaat om een al vijftien jaar lopende affaire- spoedeisend belang heeft bij toewijzing van deze vorderingen en [gedaagde] ter zitting heeft doen verklaren zich van verdere openbaarmaking te (zullen) ont-houden. Dientengevolge wordt het overige gevorderde eveneens afgewezen.

4.10 Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, behoeft niet meer te worden ingegaan.

4.10 [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kos-ten van de procedure.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eisers] in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zij-de van [gedaagde] bepaald op € 262,00 aan verschotten en op € 816,00 aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Gulick, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

2021/676