Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH7483

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
10/690269-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

15-jarige verdachte (nagenoeg first offender) pleegt samen met twee anderen een overval op woning waarbij het 62-jarige slachtoffer, onder dreiging van een mes, achtereenvolgens van sieraden en goederen wordt beroofd, wordt gedwongen tot seksuele handelingen met twee van de daders en tot slot door hen naakt in een kast wordt opgesloten. Ook bewezenverklaring van aantal andere vermogensdelicten.

Rechtbank legt conform de eis van de ovj de PIJ-maatregel op. De ovj heeft daarnaast ook jeugddetentie gevorderd, maar de rb volgt haar daar niet in. Ondanks dat de ernst van de feiten het opleggen van een jeugddetentie zou rechtvaardigen, oordeelt de rb dat een zo spoedig mogelijke aanvang van de PIJ-maatregel prevaleert.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77h
Wetboek van Strafrecht 77s
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: 10/690269-08, 10/661017-08 en 10/692908-08

Datum uitspraak: 12 maart 2009

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[ naam de verdachte ],

geboren op [geboortedatum, -plaats]

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de RIJ “De Hartelborgt” te Spijkenisse,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2009.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

(parketnummer 10/690269-08)

1.samen met een ander een vrouw heeft verkracht door haar onder bedreiging met een mes te dwingen hen oraal te bevredigen;

2.samen met anderen dit slachtoffer in haar woning heeft overvallen waarbij de daders onder bedreiging met een mes, onder meer geld, sieraden en mobiele telefoons hebben buitgemaakt;

3.samen met een ander het slachtoffer van haar vrijheid heeft beroofd door haar vast te pakken en naakt in een gangkast op te sluiten en daarna de woning te verlaten;

(parketnummer 10/661017-08)

verder heeft hij:

1.samen met een ander een aantal personen opgelicht door te doen alsof zij namens de Hartstichting, Nierstichting of school aan het collecteren waren,waardoor die personen aan hen geld hebben gegeven

en/of

heeft hij met een ander een aantal anderen op dezelfde manier geprobeerd op te lichten, wat toen niet gelukt is;

2.samen met een ander meerdere personen bestolen van onder meer geld, portemonnees met inhoud, een fotocamera en sieraden.

(parketnummer 10/692908-08)

en heeft hij:

samen met een ander heeft geprobeerd in een woning in te breken en daar geld of

goederen te stelen, door een stuk karton op een ruit van die woning te plakken en met

een steen de ruit in te gooien

subsidiair: samen met een ander een ruit van die woning vernield.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Rappard heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/690269-08 onder 1, 2 en 3, het onder parketnummer 10/661017-08 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 10/692908-08 primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest, alsmede oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Ten aanzien van het onder parketnummer 10/690269-08 ten laste gelegde:

In de nacht van 20 juni 2008 komen drie jongemannen buiten medeweten en zonder toestemming van de bewoonster ([naam slachtoffer]), hierna verder te noemen: het slachtoffer, via de achterdeur haar woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam binnen. Het slachtoffer zit op dat moment in haar pyjama in de woonkamer. Terwijl zij naar de keuken loopt ziet zij de drie jongemannen met een (bivak)muts of capuchon op in haar woning staan.

Het slachtoffer verklaart voorts dat zij ziet dat één van hen een mes in handen heeft. Deze jongen noemt zij verder dader 1. Hij toont haar het mes en houdt dit haar voor. Zij wordt gevraagd naar haar pincode en haar geld. Als zij aangeeft geen geld te hebben, moet zij op de bank gaan zitten. Terwijl dader 1 steeds met een mes in zijn handen bij het slachtoffer blijft, doorzoeken de twee anderen (daders 2 en 3) de woning. Dader 2 ziet zij naar boven lopen en op een gegeven moment hoort zij dader 1 tegen dader 3 roepen “Waar ga je nou heen?” en ziet zij dader 3 via de achterdeur naar buiten lopen.

Daarna zegt dader 1 tegen haar dat als zij niet naar hem zou luisteren hij haar pijn zou doen,

hield hij het mes tegen haar keel en stopte hij een (keuken)doek in haar mond, die hij er later weer uithaalde.

Dader 1 zegt dan dreigend tegen haar: "Ik zal een mes in je keel duwen als je het niet doet”, waarna zij hem onder bedreiging met dat mes oraal moet bevredigen. Dader 1 is daarbij klaargekomen.

Wanneer nadien ook dader 2 de woonkamer weer binnenkomt moet zij zich van dader 2 uitkleden en ook hem pijpen. Deze dader had volgens het slachtoffer een half stijf lid, waar helemaal omheen vel zat.

Het slachtoffer is tot slot vastgepakt en gedwongen om in de gangkast plaats te nemen, waarna de deur van deze kast op slot wordt gedraaid. Het slachtoffer kon hierdoor geen kant meer op. De jongemannen hebben toen de woning verlaten en enige tijd later wordt het slachtoffer na veel bonzen en door toedoen van alerte buren door de politie ontzet.

Nadat de woning door het slachtoffer is nagelopen blijken uit de slaapkamer een ring, armband en sieraden weggenomen te zijn; uit de keuken zijn twee mobiele telefoons en een portemonnee gestolen. Al deze goederen behoorden aan het slachtoffer toe.

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij samen met [medeverdachte 1] en een derde persoon op de wijze als door het slachtoffer aangegeven in haar woning de genoemde goederen heeft gestolen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] . In zoverre acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De verdachte betwist echter dat hij zich door het slachtoffer heeft laten pijpen en dat hij haar nadien in de kast heeft opgesloten. Hij zegt dat hij, nadat hij kort de woning op de eerste verdieping had doorzocht, de woning al had verlaten. [Medeverdachte 1] en mogelijk de andere dader zouden dus in de woning zijn achtergebleven.

De rechtbank gelooft de verdachte echter niet en merkt hem aan als de persoon die het slachtoffer als dader 1 heeft genoemd. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

De zeer uitgebreide en gedetailleerde verklaring van het slachtoffer wordt op alle wezenlijke elementen ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1].

[medeverdachte 1] heeft daarbij onder meer verklaard dat de verdachte met hem samen in de woning is achtergebleven. Hij zegt dat hij zelf de door het slachtoffer aangeduide “dader 2” is geweest en de verdachte “dader 1”.

De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij als dader 2 aangemerkt moet worden acht de rechtbank geloofwaardig, nu het slachtoffer heeft verklaard over dader 2 als de jongen met het half stijve lid, terwijl [medeverdachte 1] bij de politie ook heeft aangegeven dat zijn penis maar half stijf was.

Nu de verklaring van [medeverdachte 1] -zo wordt geoordeeld- op relevante details door de verklaring van het slachtoffer wordt bevestigd, [medeverdachte 1] tevens zich zelf niet ontziet in zijn belastende verklaring en de rechtbank niet gebleken is om welke reden [medeverdachte 1] een andere dan de daadwerkelijke mededader als zijn mededader zou aanwijzen, wordt de verklaring van [medeverdachte 1], anders dan door de verdachte en diens raadsman aangevoerd, geloofwaardig geacht en voor het bewijs gebezigd.

De rechtbank constateert voorts dat de verdachte ook ter terechtzitting nog heeft aangegeven dat hij besneden is, zodat hij ook om die reden al niet past in de beschrijving die het slachtoffer heeft gegeven van dader 2.

Verdachte zelf heeft voorts in zijn verhoor bij de politie op 3 juli 2008 verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer naakt was en dat [medeverdachte 1] met zijn broek op de knieën stond en dat het slachtoffer op de bank voor [medeverdachte 1] zat, met haar gezicht ter hoogte van het middel van [medeverdachte 1]. Uit alle afgelegde verklaringen volgt dat dader 3 de woning al voortijdig had verlaten, in ieder geval voordat het slachtoffer gedwongen werd tot de ten laste gelegde seksuele handelingen en voordat zij zich had uitgekleed. Zou de verdachte, zoals hij ter zitting heeft gesteld, al eerder de woning hebben verlaten en dus dader 3 zijn geweest, dan had hij dat niet kunnen zien en daar niet over hebben kunnen verklaren. Dit diskwalicifeert de verdachte als dader 3.

Nu deze door de verdachte beschreven gang van zaken wel overeenkomt met hetgeen door het slachtoffer en [medeverdachte 1] daarover is verklaard, toont de verdachte hiermee niet alleen aan over daderkennis te beschikken maar wordt hiermee ook de geloofwaardigheid van de verklaring van [medeverdachte 1] nog eens temeer ondersteund.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte moet worden aangemerkt als de persoon die door het slachtoffer wordt aangeduid met dader 1 en die haar steeds het mes heeft voorgehouden, haar dreigend heeft toegesproken en haar als eerste tot orale seks heeft gedwongen.

De rechtbank gaat er ook van uit dat het slachtoffer zowel [medeverdachte 1], als de verdachte oraal heeft moeten bevredigen. Dat het slachtoffer hiertoe gedwongen werd volgt uit bovenomschreven feiten en omstandigheden, terwijl eveneens sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1], zodat van medeplegen kan worden gesproken.

De verklaring van het slachtoffer, dat zij door één van de daders in het bijzijn van de andere dader werd opgedragen zich verder uit te kleden en dat zij vervolgens in de gangkast werd gestopt en dat die op slot werd gedraaid, wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1]. Beide daders waren bij deze handelingen aanwezig. Niet aannemelijk is geworden dat één van beide zich op dat moment tegen de handelingen van de ander heeft verzet of daarvan afstand heeft genomen. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, kan ook hier gesproken worden van een bewuste en nauwe samenwerking, zodat ook hier het medeplegen van het onder 3 tenlastegelegde feit bewezen is.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/690269-08 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 20 juni 2008 te Rotterdam, in een woning gelegen aan de

[adres]

tezamen en in vereniging met een ander ,

door andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld iemand, te weten [slachtoffer ], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het pijpen van hem, verdachte, en het pijpen van zijn, verdachtes, mededader;

de andere feitelijkheden en de bedreiging met geweld hebben bestaan uit het:

- met een bivakmuts op, althans gemaskerd, die woning betreden en

- tonen en/of voorhouden van een mes aan die [slachtoffer] en

- houden van dat/een mes op/tegen de keel van die [slachtoffer] en

- dreigend zeggen tegen [slachtoffer ]: "Ik zal een mes in je keel duwen als je het niet doet", althans woorden van gelijke aard of strekking en

- [het slachtoffer ] dwingen om haar kleding uit te trekken;

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/690269-08 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 20 juni 2008 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [adres], heeft weggenomen een portemonnee en een ring en een armband enandere sieraden en twee mobiele telefoons, toebehorende aan [ slachtoffer ],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer ],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken ,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

- met een bivakmuts op, althans gemaskerd, die woning betreden en

- tonen en/of voorhouden van een mes aan [het slachtoffer ] en

- houden van een mes op/tegen de keel van [het slachtoffer ]en

- het stoppen van een (keuken)doek in de mond van [het slachtoffer ] en

- zeggen tegen [het slachtoffer ] dat als zij niet naar hem zou luisteren hij haar pijn zou doen, althans woorden van gelijke aard of strekking.

3.

hij op 20 juni 2008 te Rotterdam, in een woning gelegen aan de

[adres]

tezamen en in vereniging met een ander ,

opzettelijk [slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet [het slachtoffer ] vastgepakt en in de richting van een kast geduwd en (vervolgens) gedwongen om in die kast te gaan, terwijl [het slachtoffer ] naakt was en (vervolgens) die kast op slot gedaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 10/661017-08 ten laste gelegd:

Van het volgende wordt uitgegaan:

De verdachte en [medeverdachte 2] hebben met elkaar afgesproken dat zij mensen zouden gaan oplichten door bij hen aan te bellen en zich voor te doen als collectanten voor een goed doel. Hierbij zouden zij een zelfgemaakt inschrijfformulier tonen met daarop vermeld de naam van de stichting of school waarvoor zij zogenaamd aan het collecteren waren. Het was de bedoeling het geld dat zij zouden ontvangen zelf te houden. Daarbij hebben zij zich vooral gericht op woningen van (zeer) bejaarde mensen (bejaardentehuizen, bejaardenflats). De verdachten hebben deze plannen vervolgens in Rotterdam en Capelle aan den IJssel daadwerkelijk in praktijk gebracht.

Gebleken is dat in een aantal gevallen de op deze wijze benaderde slachtoffers niet zijn overgegaan tot het geven van geld aan de collecterende jongens ([slachtoffer 2] op 15 januari 2008, [slachtoffer 3] op 15 januari 2008 en [slachtoffer 4] op 10 januari 2008).

[slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] hebben op respectievelijk 15 januari 2008, 30 december 2007, 8 januari 2008, 15 januari 2008 en 14 januari 2008 wel geld aan de collecterende jongens gegeven.

De verdachte en [medeverdachte 2] hebben bekend op 15 januari 2008 in de zorginstelling [naam] te Capelle aan den IJssel als bovenomschreven “gecollecteerd” te hebben. [Medeverdachte 2 ] heeft daarbij aangegeven dat hij al sinds de kerstvakantie 2007 samen met de verdachte op deze wijze collecteert. Deze verklaring heeft hij bij de rechter-commissaris nogmaals bevestigd.

De verdachte erkent bij het adres van [slachtoffer 5], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (Capelle aan den IJssel) met [medeverdachte 2] te hebben gecollecteerd, evenals op de adres ([slachtoffer 6), [adressen] (slachtoffer 10, slachtoffer 7) en [adressen] (slachtoffer 8, slachtoffer 9) te Rotterdam. Dat hij ook op het adres [adres] te Rotterdam (slachtoffer 4) met [medeverdachte 2 is geweest om te “collecteren” leidt de rechtbank af uit het feit dat zowel de verdachte als [medeverdachte 2] verklaren dat bij een van de door hen bezochte adressen ook twee ringen door [medeverdachte 2] zijn gestolen, hetgeen correspondeert met de aangifte van [slachtoffer 4].

Op basis van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten aanzien van bovengenoemde personen het onder 1 genoemde feit samen met [medeverdachte 2] heeft gepleegd.

Van de tenlastegelegde (poging tot) oplichting van slachtoffer 11, slachtoffer 12 en slachtoffer 13 spreekt de rechtbank de verdachte vrij, nu deze aangevers spreken over slechts één dader en die feiten bovendien aanmerkelijk eerder hebben plaatsgevonden dan ‘rond de kerstvakantie’ 2007.

Dit brengt ook mee dat de periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden korter is geweest dan is tenlastegelegd en deze eerst aanvangt op 21 december 2007.

In die gevallen waarin de slachtoffers wel geld gaven letten de verdachte en [medeverdachte 2] goed op de plaats waar de portemonnee nadien door het slachtoffer werd opgeborgen. Vervolgens verzonnen de verdachten een smoes zodat één van hen, buiten het zicht van het slachtoffer, in de woning de portemonnee of andere goederen in de woning van het slachtoffer kon stelen.

Zo hebben de slachtoffers 10, 8 en 4 moeten constateren dat, nadat bij hen op respectievelijk 4 , 14 en 10 januari 2008 door de verdachte en [medeverdachte 2]was “gecollecteerd” bij hen geld en goederen gestolen waren. Bij slachtoffer 10 betrof het een portemonnee met € 80,-- en passen. De verdachte bekent deze portemonnee met inhoud gestolen te hebben, terwijl [medeverdachte 2]daar wat te drinken vroeg.

Bij het slachtoffer 8 is een portemonnee met passen en € 18,--, alsmede een fotocamera gestolen. De verdachte erkent daar met [medeverdachte 2]binnen geweest te zijn, waarbij hij aangeeft dat [medeverdachte 2]de portemonnee gestolen moet hebben en dat deze ook nog een camera heeft meegenomen. Deze verklaring wordt bevestigd door die van [medeverdachte 2]waar hij aangeeft meermalen bij de huizen waar zij samen binnen zijn geweest portemonnees gestolen te hebben en ook op een van de adressen een fotocamera meegenomen te hebben.

Bij slachtoffer 4 zijn ten tijde van het “collecteren” € 15,-- en twee gouden ringen gestolen. De verdachte en [medeverdachte 2]bekennen dat [medeverdachte 2]toen deze ringen heeft meegenomen.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank het tenlastegelegde bewezen voor zover dit op deze aangevers betrekking heeft.

De verdachte wordt vrijgesproken van de diefstallen bij slachtoffer 11 en slachtoffer 12 nu, zoals bovenoverwogen, niet bewezen is dat de verdachte op die adressen aanwezig is geweest. Van de diefstal van de portemonnee bij het slachtoffer 13 wordt de verdachte vrijgesproken nu de verdachte ontkent daar een portemonnee gestolen te hebben, terwijl niet met voldoende zekerheid op basis van de aangifte vastgesteld kan worden dat de bewuste portemonnee ook is gestolen op de dag dat de verdachte en [medeverdachte 2] zich in die woning hebben bevonden.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/661017-08 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op meer tijdstippen gelegen in de periode van 21 december 2007 tot en met 15 januari 2008 te Capelle aan den IJssel en te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander,

telkens met het oogmerk om zich eneen ander wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en

door een listige kunstgreep,

personen (waaronder slachtoffer 5 en slachtoffer 13 en slachtoffer 7 en slachtoffer 8 en slachtoffer 9)

heeft bewogen tot de afgifte van geld,

hebbende verdachte en zijn mededader telkens met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan die personen verteld dat hij, verdachte, en zijn mededader aan het collecteren waren voor de Hartstichting/de Nierstichting/een stichting van hun school, en

- aan die personen gevraagd of zij daarvoor geld wilden geven, en

- daartoe een door hen zelf gemaakt inschrijfformulier op naam van genoemde stichtingen/school aan die personen getoond,

waardoor genoemde personentelkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 21 december 2007 tot en met 15 januari 2008 te Capelle aan den IJssel en te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich eneen ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een listige kunstgreep,

personen, waaronder slachtoffer 2 en slachtoffer 3 en slachtoffer 4, te bewegen tot de afgifte van geld, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan die personen heeft verteld dat hij, verdachte, en zijn mededader aan het collecteren waren voor de Hartstichting/de Nierstichting/een stichting van hun school, en

- aan die personen heeft gevraagd of zij daarvoor geld wilden geven, en

- daartoe een door hen zelf gemaakt inschrijfformulier op naam van genoemde stichtingen/school aan die personen heeft getoond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij tezamen en in vereniging met een ander, (telkens),

meermalen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en geld, toebehorende aan de

hierna te noemen rechthebbenden, en wel:

-

- op 07 januari 2008 in een woning, gelegen aan [adres] te Rotterdam, een portemonnee (inhoudende onder meer meer passen en een geldbedrag van 80 euro of daaromtrent), toebehorende aan slachtoffer 10 en

- op 14 januari 2008 in een woning, gelegen aan [adres]) te Rotterdam, een portemonnee (inhoudende onder meer meer passen en een geldbedrag van 18 euro of daaromtrent) en een fotocamera, toebehorende aan slachtoffer 8 en

- op 13 december 2007 10 januari 2008 in een woning gelegen aan de [adres]) te Rotterdam, een geldbedrag van 15 euro of daaromtrent en sieraden toebehorende aan slachtoffer 4.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 10/692908-08 ten laste gelegde:

Van het volgende wordt uitgegaan:

In de nacht van 26 april 2008 zijn de verdachte en [medeverdachte 3] naar een woning aan de [adres] te Rotterdam gegaan. Deze woning wordt bewoond door [slachtoffer 14].

Daar aangekomen heeft [medeverdachte 3]een stuk karton op de ruit van de achterdeur van de woning geplakt, waarna zij met een steen de ruit hebben ingegooid. In de ruit ontstond een groot gat van ongeveer 50 cm doorsnede.

Hierna zijn beiden weggerend, maar korte tijd later worden zij in de directe omgeving van de woning aangehouden.

De verdachte heeft betwist dat hij die nacht van plan was met [medeverdachte 3]in die woning in te breken. Volgens hem was het enkel de bedoeling de ruit in te gooien omdat [medeverdachte 3]ruzie zou hebben met de bewoner.

De rechtbank gelooft deze verklaring van de verdachte niet. De door de verdachte gestelde aanleiding voor de daad, te weten dat [medeverdachte 3]ruzie zou hebben met de bewoner van het pand, wordt niet door [medeverdachte 3]ondersteund; deze geeft aan dat het om een geheel willekeurig huis ging.

Gebleken is voorts dat beiden naar de woning zijn toegegaan, terwijl [medeverdachte 3]zich tevoren al had voorzien van kit, een hamer en een lifehammer. Onderweg is nog een stuk karton meegenomen naar de woning. [medeverdachte 3]heeft vervolgens in het bijzijn van de verdachte de kit op het karton gesmeerd en dit karton op het in te gooien raam geplakt. Dit duidt er op - zoals [medeverdachte 3]ook bij de politie heeft aangegeven - dat het de bedoeling was om het geluid van het ingooien van het raam zoveel mogelijk te dempen. Zou de opzet van de verdachte enkel gericht zijn geweest op het vernielen van de ruit dan zou deze omslachtige procedure overbodig zijn geweest. Veeleer past dit bij de wens om na het ingooien van de ruit nog ongestoord aanwezig te kunnen blijven bij het pand. Verder blijkt uit de verklaring van de buren dat zij, nadat zij harde geluiden hadden gehoord, een jongeman hebben zien staan in de tuin van de aangever waarna zij deze hebben aangeroepen. Pas na dit aanroepen rende hij weg. De buurvrouw kon aan de reactie van de jongen zien dat dat er op dat moment nog iemand in de tuin moest zijn. Ook [medeverdachte 3]bevestigt dat hij pas is weggerend nadat hij door de buurman was gezien.

Nu de verdachte en [medeverdachte 3]na het ingooien van de ruit gewoon in de tuin zijn gebleven en niet - zoals bij een enkele vernieling in de rede gelegen zou hebben - meteen na de daad zijn weggerend, is aannemelijk dat hun plannen daar nog niet voltooid waren.

De door de verdachten meegenomen materialen en het verbreken van een raam zijn bij uitstek passend bij de intentie om zich de toegang tot een woning te verschaffen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de opzet bij de verdachte was gericht op het inbreken in de woning. Het primair ten laste gelegde kan dan ook worden bewezenverklaard.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/692908-08 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 26 april 2008 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander ,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan slachtoffer 14, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en zijn mededader en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder hun bereik te brengen door middel van braak ,

- een karton, voor een ruit van die woning hebben (vast)geplakt en

- vervolgens met een steen, een ruit van die woning hebben ingegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

(parketnummer 10/690269-08)

1.

medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd;

2.

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit door twee of meer verenigde personen is gepleegd;

3.

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

(parketnummer 10/661017-08)

1.

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

en

medeplegen van poging oplichting, meermalen gepleegd;

2.

diefstal, terwijl het feit door twee of meer verenigde personen is gepleegd;

(parketnummer 10/692908-08)

Primair:

Poging diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en terwijl het feit door twee of meer verenigde personen is gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opge¬legd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstan¬digheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is samen met twee medeverdachten ‘s nachts een woning binnengedrongen omdat zij vermoedden dat de bewoonster veel geld in huis zou hebben. In de woning hebben zij diverse goederen weggenomen, terwijl het slachtoffer, een 62-jarige vrouw, werd bedreigd met een mes. Vervolgens werd zij door twee van de verdachten, weer onder bedreiging met een mes, gedwongen tot seksuele handelingen met de verdachten. Later werd het doodsbange slachtoffer gedwongen zich uit te kleden en is zij in een kast opgesloten, waar zij lange tijd om hulp heeft geroepen en zo’n drie kwartier heeft moeten doorbrengen, voordat zij werd bevrijd door de politie.

De verdachte heeft hiermee een zéér forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van dit slachtoffer. De rechtbank rekent de verdachte in het bijzonder aan dat hij bij deze gebeurtenissen een initiërende en meest gewelddadige rol in het geheel heeft gehad. Bovendien hebben de weerzinwekkende feiten in de veilige en vertrouwde omgeving van de eigen woning van het slachtoffer plaatsgehad. Als gevolg van het handelen van de verdachte zal het slachtoffer psychisch beschadigd zijn en hier nog lang de gevolgen van ondervinden.

Daarnaast heeft de verdachte zich, samen met een andere medeverdachte, schuldig gemaakt aan oplichting van meerdere personen die al op (ver)gevorderde leeftijd waren. Zij hebben daarbij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat deze personen hebben in collectanten. Nog beschamender is dat zij in enkele gevallen van hun slachtoffers ook nog hun portemonnee met inhoud of andere goederen als sieraden of een camera hebben gestolen.

Voor alle door de verdachte gepleegde strafbare feiten, waaronder ook de poging tot inbraak, geldt bovendien dat de verdachte maatschappelijke gevoelens van onveiligheid en onrust (verder) heeft vergroot. De verdachte heeft ook hier in het geheel geen rekening mee gehouden, maar zich slechts laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en behoefte aan financieel gewin.

Op dergelijke feiten kan in beginsel dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie van geruime duur.

In het omtrent de verdachte uitgebracht psychologisch rapport d.d. 20 januari 2009, opgemaakt door K.T.E. Záslós, gz-psycholoog, wordt onder meer geconcludeerd dat de verdachte een zestienjarige jongen is die met de overgang naar de middelbare school en met het intreden van de puberteit onvoldoende bleek toegerust om de zelfstandigheid in deze leeftijdfase aan te kunnen. Met het wegvallen van de overzichtelijke en duidelijke structuur van de basisschool ontwikkelde hij al snel problemen. Zijn schoolcarrièrre kwam in een neerwaartse spiraal terecht, terwijl op dat moment ook binnen het gezin sprake was van veel problemen.

In diezelfde periode is bij de verdachte een gedragsstoornis NAO, type beginnend in de adolescentie vastgesteld.

Op grond van zijn gebrekkige ontwikkeling is de verdachte onvoldoende in staat zijn wil conform het aanwezige besef van het strafrechtelijk ontoelaatbare te bepalen en dient hij dan ook als licht verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Daar de verdachte vanaf zijn puberteit geregeld grensoverschrijdend crimineel gedrag laat zien, de opvoedingsvaardigheden van de ouders beperkt zijn, bij de verdachte sprake is van impuls- en agressieregulatieproblemen, hij over een egocentrische houding en beperkte empatische vermogens beschikt en sprake is van middelengebruik, wordt het recidivegevaar indien verdachte onbehandeld blijft als hoog ingeschat.

Ambulante hulpverlening in het verleden heeft geen enkel effect gehad. De verdachte en zijn moeder hebben zich hiervoor weinig gemotiveerd getoond. Dit lijkt dan ook een gepasseerd station.

Gezien de ernst van de feiten, de noodzaak om door middel van behandeling de zorgelijke ontwikkeling van de verdachte in positieve zin om te buigen en gezien het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan behandeling, wordt -in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel- een plaatsing in een gesloten justitiële behandelinrichting zoals “De Overberg” geadviseerd.

In het omtrent de verdachte uitgebracht psychiatrisch rapport d.d. 2 februari 2009, opgemaakt door M.J.M. Reusens, kinder- en jeugdpsychiater wordt samenvattend gesteld dat bij de verdachte sprake is van een gedragsstoornis, ernstig van aard, beginnend in de adolescentie. Hij toont een zeer beperkte empathie en agressieregulatie. Indien bewezen dient de verdachte ter zake de gepleegde delicten als licht verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Gesteld dient te worden dat de ontwikkeling van de verdachte een zeer zorgelijke is en dat het niet gelukt is om met een intensieve ambulante therapie het gedrag te beïnvloeden. De verdachte onttrekt zich namelijk aan dergelijke behandeling.

Gezien de ernst van de gedragsproblematiek en het feit dat eerdere intensieve ambulante hulp geen enkel effect gekend heeft, dringt -in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel-

behandeling in een gesloten orthopedagogische setting zich op, zo concludeert de deskundige.

De rechtbank neemt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen over en komt op grond daarvan tot het oordeel dat de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d 19 februari 2009 waarin wordt beschreven dat de verdachte forse problematiek laat zien op uiteenlopende leefgebieden en dat eerdere straffen vanuit justitie en ambulante hulpverlening (jeugdreclassering en gezinsvoogdij) geen enkel effect hebben gehad. Gezien de ernst en het gewelddadige karakter van de delicten, gezien de noodzaak de ontwikkeling van de verdachte in positieve richting te bevorderen, en gezien het risico dat de verdachte zich aan behandeling zal onttrekken, wordt gedacht aan behandeling in een orthopedagogische behandelsetting als “De Overberg” in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank is, gelet op de ernstige gedragsproblematiek bij de verdachte, de behandelingsnoodzaak en de grote kans op recidive, van oordeel dat oplegging van een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is aangewezen. Aan de vereisten voor het opleggen van de maatregel is voldaan nu:

- het bewezenverklaarde misdrijven oplevert waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

- de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van goederen het opleggen van

de maatregel eist;

- de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van

de verdachte.

De raadsman heeft verzocht om, als alternatief voor oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, de maatregel voorwaardelijk op te leggen in combinatie met een gesloten uithuisplaatsing, temeer nu de verdachte als first offender moet worden aangemerkt. De rechtbank acht dit geen reële optie. Op meerdere fronten is getracht de steeds verdergaande gedragsproblematiek van de verdachte vlot te trekken. De verdachte heeft laten zien dat ambulante begeleiding onvoldoende resultaat geeft. Bovendien hebben ook de deskundigen gewezen op het risico dat de verdachte zich aan behandeling zal onttrekken en onder meer om die reden tot oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. Slechts indien deze maatregel strafrechtelijk niet haalbaar is, wordt geadviseerd verdachte in een civiel kader gesloten te behandelen. Van doorslaggevend belang in deze acht de rechtbank de meerdere tenlastegelegde en bewezenverklaarde ernstige geweldsdelicten en de noodzaak dat de zorgwekkende ontwikkeling van de verdachte op korte termijn een positieve wending krijgt.

Alles afwegend wordt na te noemen maatregel passend en geboden geacht, waarbij de rechtbank adviseert deze ten uitvoer te leggen in JJI “De Heuvelrug” , locatie “De Overberg”.

Hoewel de ernst van de feiten op zich een jeugddetentie als door de officier van justitie gevorderd rechtvaardigt ziet de rechtbank daar van af, nu het in het belang van de verdachte is om zo spoedig mogelijk met zijn behandeling in het kader van de PIJ-maatregel aan te kunnen vangen.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer], wonende te Rotterdam, ter zake van de onder parketnummer 10/661017-08 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 142,45.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het ten aanzien van de benadeelde partij tenlastegelegde.

Nu de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer] , wonende te Rotterdam, ter zake van de onder parketnummer 10/661017-08 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 20,=.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het ten aanzien van de benadeelde partij tenlastegelegde.

Nu de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 10], wonende te Rotterdam, ter zake van het onder parketnummer 10/661017-08 onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 174,55.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 10/661017-08 onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente berekend vanaf 7 januari 2008 zal worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

De in de vordering genoemde immateriële schade (post ‘emotionele schade’) is niet nader geconcretiseerd. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen redenen ziet zich hierover nader uit te laten, behoeft deze post geen verdere bespreking.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewe¬zen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77s, 77gg, 242, 282, 310, 311, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

-verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/690269-08 onder 1, 2 en 3, onder parketnummer 10/661017-08 onder 1 en 2 en onder parketnummer 10/692908-08 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

-stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hier¬voor vermelde strafbare feiten;

-verklaart de verdachte strafbaar;

-legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en adviseert deze maatregel ten uitvoer te leggen in JJI “De Heuvelrug”, locatie “De Overberg” te Overberg;

-verklaart de benadeelde partij [slachtoffer ] niet-ontvankelijk in de vordering;

-veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

-verklaart de benadeelde partij [slachtoffer ] niet-ontvankelijk in de vordering;

-veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer ] in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

-wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe en veroor¬deelt de verdachte tegen kwij¬ting aan [slachtoffer 10], wonende te Rotterdam, te betalen € 174,55 (zegge: honderdvierenzeventig euro en vijfenvijftig cent), met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

-bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 7 januari 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening;

-wijst af het door de benadeelde partij [slachtoffer 10] meer of anders gevorderde;

-veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

-legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 10] voornoemd te betalen € 174,55 (zegge: honderdvierenzeventig euro en vijfenvijftig cent), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van drie dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

-verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 10], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 10] en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van de Grampel, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. Van der Laan - Kuijt en Peeck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze recht¬bank op 12 maart 2009.

De oudste rechter is buiten staat die vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 12 maart 2009:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING.

[in origineel bijgevoegd]