Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH6446

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
10/661336-06 en 10/662218-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Aan de ISD-veroordeelde is de (wettelijke) mogelijkheid ontnomen een rechterlijk oordeel te krijgen over de noodzakelijkheid van de voortduring van zijn detentie. Schending van artikel 5 lid 4 EVRM.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 38s
Wetboek van Strafvordering 509aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: 10/661336-06 en 10/662218-07

Datum uitspraak: 18 maart 2009

Beslissing van de Rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 509aa van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichtingen Rijnmond, Stadsgevangenis te Rotterdam,

raadsman mr. J.L.A.M. le Cocq d’Armandville, advocaat te Rotterdam.

PROCEDURE

Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 28 februari 2007, is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

De veroordeelde heeft op 12 augustus 2008 verzocht informatie in te winnen omtrent de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en te gelasten dat de maatregel zal worden beëindigd indien komt vast te staan dat er op dit moment alleen maar een straf ten uitvoer wordt gelegd.

Door de officier van justitie is aan het dossier toegevoegd een verklaring d.d. 7 januari 2009 van de directeur van de inrichting waar de veroordeelde verblijft omtrent de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in de openbare raadkamer van 4 maart 2009.

De raadsman van veroordeelde heeft aangevoerd dat van het verzoek thans weinig over gebleven is omdat sinds de indiening van het verzoek inmiddels een onwenselijke periode van 7 maanden is verstreken en de ISD-maatregel zeer spoedig tot een einde komt.

De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek in raadkamer geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.

De verdachte is in raadkamer gehoord.

BEOORDELING

Op 12 augustus 2008 is namens de veroordeelde een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 38s lid 1 Sr. Ruim 5 maanden later is bij het arrondissementsparket Rotterdam ingekomen het bericht van de directeur als omschreven in genoemd artikel. Bijna twee maanden later is het verzoek in raadkamer behandeld.

Met het verstrijken van deze bijna 7 maanden is de termijn van 2 jaar van de aan de verdachte op 27 februari 2007 opgelegde ISD-maatregel inmiddels verstreken. Aan de beoordeling van de noodzaak van de voorzetting van de tenuitvoerlegging komt de raadkamer daarom niet meer toe. De veroordeelde zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek wegens het gebrek aan belang.

Gelet op het pleidooi van de raadsman ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de gang van zaken vanaf 12 augustus 2008 zich verdraagt met ons nationale en internationale recht. Door deze gang van zaken immers heeft de veroordeelde in rechte geen antwoord kunnen krijgen op de door hem op 12 augustus 2008 opgeworpen vraag. Een vraag die er toe zou hebben kunnen leiden dat zijn detentie in het kader van de aan hem opgelegde ISD-maatregel op enig moment tot een einde zou zijn gekomen.

De procedure van 38s Sr welke zijn procedureregels kent in artikel 509aa Sv noemt geen termijnen voor de behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 38s Sr. Wel stelt 509aa Sv de eis dat de voorzitter van de rechtbank na ontvangst van de inlichtingen van de directeur van inrichting onmiddellijk een termijn voor behandeling van het verzoek bepaalt.

Het internationale recht, meer in het bijzonder artikel 5 lid 4 EVRM, stelt dat een ieder die van zijn vrijheid is beroofd ‘by arrest or detention shall be entitled to take proceedings by which the lawfulness of his detention shall be decided speedily by a court and his release ordered if the detention is not lawful’.

De waarborg die artikel 5 lid 4 EVRM biedt is in beginsel niet bedoeld voor gedetineerden die bij rechterlijk vonnis tot die detentie zijn veroordeeld. In die gevallen ligt immers de controle van de detentie in beginsel in deze rechterlijke beoordeling besloten. Echter, in een geval als het onderhavige waarin de wetgever tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de maatregel mogelijk heeft willen maken biedt artikel 5 lid 4 EVRM de waarborg dat een dergelijke beoordeling spoedig (speedily) plaats heeft.

Gelet op de inrichting van de procedure van 38s Sr jo 509aa Sv hebben het arrondissementsparket en de rechtbank (gezamenlijk) aldus een verdragsrechtelijke verplichting om tot een zo spoedig mogelijke behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 38s Sr over te gaan.

Deze inspanningsverplichting dwingt tot een grotere spoed dan waarvan in de onderhavige zaak is gebleken. De raadkamer is dan ook van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van het EVRM geen sprake is geweest. Hierdoor is aan de veroordeelde de (wettelijke) mogelijkheid ontnomen een rechterlijk oordeel te krijgen over de noodzakelijkheid van de voortduring van zijn detentie.

Gelet op het voorgaande is sprake van een schending van artikel 5 lid 4 EVRM.

Het enkele vaststellen van de verdragsrechtelijke schending is op zichzelf genomen gelet op de ernst daarvan een onvoldoende genoegdoening. Nu aan de materiële beslissing niet wordt toegekomen biedt de onderhavige procedure geen mogelijkheden voor compensatie.

BESLISSING

De rechtbank

verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beslissing is genomen door

mr. Janssen, voorzitter,

en mrs. Poell en Schukking, rechters, in tegenwoordigheid van De Sain, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 maart 2009.

De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.