Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH6406

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
286435 / HA ZA 07-1583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brandschade loods met inventaris en opgeslagen voorraad. Na weigering verzekeraar om schade te vergoeden omdat verzekerde voorgeschreven preventiemaatregelen niet heeft getroffen, spreekt verzekerde assurantietussenpersoon aan tot schadevergoeding. Verzekerde stelt dat tussenpersoon ten onrechte in brief indruk heeft gewekt dat niet treffen voorgeschreven preventiemaatregelen slechts consequenties zou hebben voor dekking inbraakrisico (en dus niet voor dekking brandrisico).

Zorgplicht assuratietussenpersoon. Criterium: redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon. Gelet op alle omstandigheden van het geval (waaronder inhoud polisvoorwaarden en eerdere mededelingen tussenpersoon) kan niet worden aangenomen dat verzekerde inhoud brief in gestelde zin heeft mogen opvatten. Volgt afwijzing vordering verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 286435 / HA ZA 07-1583

Uitspraak: 11 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.F. Bienfait,

- tegen -

de coöperatie met uitsluiting van aansprakelijkheid

COÖPERATIEVE RABOBANK SCHIEDAM-VLAARDINGEN U.A.,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eis[eiseres]” respectievelijk “de Rabobank”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 11 juni 2007 met producties;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

2.2 [eis[eiseres] drijft te [woonplaats] een detailhandel in meubels en beschikt daarnaast over een meubelmakerij/productielocatie, die is gevestigd in een door [eis[eiseres] gehuurde loods in een gebouw aan de [adres] in [woonplaats]. Op 23 augustus 2003 heeft er een brand gewoed in dat gebouw. Ten gevolge van de brand is de loods inclusief inventaris en in de loods opgeslagen voorraad geheel verloren gegaan. Onbekend is hoe de brand heeft kunnen ontstaan.

2.3 Door bemiddeling van de Rabobank had [eis[eiseres] in december 2002 onder andere haar huurdersbelang en inventaris en voorraad van de meubelmakerij onder een “Bedrijven Compact Polis” verzekerd bij N.V. Interpolis Schade (hierna: “Interpolis”). Door Interpolis werd voorlopig dekking verleend met ingang van 10 althans 12 december 2002. De eerste versie van de polis, ingaande op 1 januari 2003, is door Interpolis afgegeven op 24 maart 2003; op 23 april 2003 heeft Interpolis [eis[eiseres] een nieuwe polis toegezonden.

2.4 Op 22 januari 2003 heeft [p[persoon 1] (hierna: “[persoon 1]”) van de Rabobank de loods bezocht. Bij die gelegenheid heeft hij met [persoon 2], directeur van [eis[eiseres], een aantal aandachtspunten voor de brandveiligheid besproken. Tevens heeft [persoon 1] [persoon 2] laten weten dat alvorens het risico definitief door Interpolis zou worden geaccepteerd, Interpolis een inspectie zou laten uitvoeren. Dat laatste is ook geschied; naar aanleiding van de betreffende inspectie hebben Interpolis en [eis[eiseres] een aantal “preventieafspraken” gemaakt, welke in een hierna te noemen polisclausule op papier zijn gezet. De preventieafspraken heeft [eis[eiseres] op 8 april 2003 ontvangen en voor gezien getekend. Op die datum heeft [persoon 1] de te treffen maatregelen stuk voor stuk met [persoon 2] besproken.

2.5 Op de verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing (onder andere) de navolgende clausules, die op enig moment 90 respectievelijk 1116 zijn genummerd.

Clausule 90 luidt voor zover hier relevant als volgt:

“90 Preventieafspraken

Deze clausule geldt voor de gehele polis

Verwijzend naar de preventie-afsprakenclausule vermelden wij onderstaand de preventiemaatregelen waarvan wij uitvoering nodig achten op uiterlijk 15 april 2003:

(…)

5. Het alarmsysteem dient door een NCP/Borg erkend installateur op niveau Es te worden aangepast. Op minimaal drie plaatsen (nabij lijmspuiten, nabij constructiewerk en centraal in de opslagruimte) moet het alarmsysteem worden uitgebreid met rookmelding. (…)”

Clausule 1116 luidt als volgt:

“1116 Preventieafspraken

Deze clausule geldt voor object(en): 103 huurdersbelang bedrijf

204 inventaris

205 voorraad

Met betrekking tot de gedekte gevaren zijn tussen de maatschappij en de verzekerde preventie-afspraken gemaakt, welke de verzekerde dient na te komen.

De verzekerde verplicht zich de reeds bestaande als ook de gerealiseerde voorgeschreven preventiemaatregelen in een behoorlijke werkzame toestand te houden.

Indien in geval van schade blijkt dat de verzekerde zijn verplichtingen niet is nagekomen, verliest hij alle recht op schadevergoeding, tenzij hij aantoont dat daardoor de schade niet is veroorzaakt of daarmee geen verband houdt.”

2.6 Op verzoek van [eiseres] heeft Interpolis de in clausule 90 genoemde datum (15 april 2003) gewijzigd in 1 juni 2003. Op 23 april 2003 heeft [persoon 1] de loods nogmaals bezocht. Tijdens dat bezoek constateerde hij dat [eiseres] nog niet had zorggedragen voor het uitvoeren van alle door Interpolis voorgeschreven preventiemaatregelen. Diezelfde dag heeft [persoon 1] [eiseres] een brief geschreven, waarin stond:

“Hiermede bericht ik u dat de preventieafspraken (zie clausule 90 Preventieafspraken van de polis) gerealiseerd dienen te zijn voor 1 juni 2003. De genoemde datum in de polis van 15 april 2003 komt hiermede te vervallen.

Voor wat betreft het inbraakrisico deel ik u nog mede dat het voor de dekking noodzakelijk is dat er een alarmsysteem niveau ES aanwezig en in werking is. Zolang er geen alarmsysteem is, is er geen dekking voor het inbraak/vandalismerisico.”

2.7 Op 23 augustus 2003 had [eiseres] het voorgeschreven alarmsysteem met rookmelders nog niet laten aanbrengen. Om die reden heeft Interpolis met een beroep op eerdergenoemde clausules [eiseres] dekking ontzegd voor de schade die [eiseres] ten gevolge van de brand van die datum heeft geleden.

2.8 In het kader van een door [eiseres] geëntameerd voorlopig deskundigenbericht heeft de door de rechtbank Breda benoemde deskundige, [persoon 3], verbonden aan het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding, op 6 juli 2005 een deskundigenbericht uitgebracht. Daarin heeft de betreffende deskundige geconcludeerd:

“dat de afwezigheid van een alarm-/brandmeldinstallatie, zoals beschreven in de polisvoorwaarden, mogelijk verband houdt met de ontstane brandschade, maar dat dit verband niet waarschijnlijk en zeker niet aantoonbaar is.”

2.9 Gelet op de inhoud van het deskundigenrapport van [persoon 3] heeft [eiseres] berust in de weigering van Interpolis, dekking te verlenen voor de schade van [eiseres].

3 De vordering

3.1 De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Rabobank te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 355.365,20 alsmede een bedrag van EUR 9.579,50 ter zake van de kosten van het voorlopig deskundigenbericht en een bedrag van EUR 5.160,00 ter zake van de door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten, alles vermeerderd met rente en de proceskosten.

3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering ten grondslag gelegd dat de Rabobank is tekortgeschoten in de op haar als tussenpersoon jegens [eiseres] rustende zorgplicht. Door [eiseres] bij bovengenoemde brief van 23 april 2003 te laten weten dat het inbraakrisico niet gedekt was omdat [eiseres] niet had zorggedragen voor het uitvoeren van de overeengekomen preventiemaatregelen, heeft de Rabobank de indruk gewekt dat er voor wat betreft het – voor [eiseres] belangrijkere – brandrisico geen probleem bestond. [eiseres] mocht daarop afgaan en hoefde er dus geen rekening mee te houden dat er voor het brandrisico ook geen dekking zou zijn. Ten onrechte is de verkeerde indruk van [eiseres] vervolgens niet door de Rabobank weggenomen. Voor de schade die [eiseres] lijdt omdat Interpolis haar dekking voor de brandschade heeft ontzegd, is de Rabobank gelet op het voorgaande jegens [eiseres] aansprakelijk, aldus (steeds) [eiseres].

4 Het verweer

4.1 Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding. De Rabobank heeft daartoe het volgende aangevoerd.

4.2 Voor [eiseres] was volstrekt duidelijk dat de met Interpolis overeengekomen preventiemaatregelen moesten worden uitgevoerd en dat er bij gebreke daarvan geen dekking was voor het brandrisico. Door de Rabobank is ook nimmer een andere indruk gewekt. Integendeel heeft de Rabobank in de persoon van [persoon 1] [eiseres] bij meerdere gelegenheden laten weten dat wanneer [eiseres] nalatig zou blijven de voorgeschreven maatregelen te treffen, zij geen dekking zou hebben onder de verzekeringspolis. Mede gelet daarop heeft [eiseres] uit de inhoud van de brief van de Rabobank van 23 april 2003 niet de conclusie mogen trekken dat uitvoering van die werkzaamheden nog slechts van belang was voor het inbraak- (en dus niet (meer) voor het brand-) risico, aldus (steeds) de Rabobank.

5 De beoordeling

5.1 Bij de beoordeling van de eventuele aansprakelijkheid van de Rabobank voor de schade van [eiseres] dient de vraag te worden beantwoord of de Rabobank tegenover [eiseres] de zorg heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het de taak is van een assurantietussenpersoon om te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben.

5.2 Naar het oordeel van de rechtbank moet de onder 2.6 geciteerde passage uit de brief van de Rabobank van 23 april 2003 als onjuist althans onvolledig worden aangemerkt. Ten onrechte wordt in die brief alleen melding gemaakt van de consequenties van het ontbreken van het voorgeschreven alarm voor de dekking van het inbraakrisico (en dus niet van de gevolgen voor de dekking van het brandrisico). De vraag rijst dan of dit met zich brengt dat de Rabobank in de nakoming van de op haar jegens [eiseres] rustende zorgplicht is tekortgeschoten.

5.3 Door [eiseres] is niet betwist dat zij kennis heeft genomen van de preventiemaatregelen die Interpolis voorschreef. Evenmin heeft [eiseres] betwist dat [persoon 1] de betreffende voorschriften tijdens een bespreking d.d. 8 april 2008 één voor één met [eiseres] heeft doorgenomen. [eiseres] moet dan ook duidelijk zijn geweest dat zij aan de betreffende voorschriften diende te voldoen wilde zij dekking onder de polis hebben. Dat er wat de voorgeschreven maatregelen betreft een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen het inbraakrisico enerzijds en het brandrisico anderzijds blijkt niet uit de tekst van de clausules 90 en 1116. Integendeel wordt in clausule 1116 gesproken van het verlies van “alle recht op schadevergoeding”. Verder duidt de inhoud van clausule 90 sub 5, waar melding wordt gemaakt van uitbreiding van de alarminstallatie met rookmelders, erop dat de voorgeschreven alarminstallatie niet alleen betrekking heeft op het inbraakrisico maar ook op het brandrisico.

Een onderscheid tussen de consequenties voor inbraak- en brandrisico is (los van genoemde brief van 23 april 2003, op de betekenis waarvan in het hiernavolgende zal worden ingegaan) ook nimmer door de Rabobank gemaakt. [eiseres] heeft dat laatste niet betwist. Wel heeft zij gesteld dat zij door ontvangst van de brief van de Rabobank van 23 april 2003 een andere indruk kreeg, namelijk dat het ontbreken van de voorgeschreven alarminstallatie geen consequenties had voor de dekking van het brandrisico, en dat zij ook op die indruk mocht afgaan.

5.4 Bij de vraag welke waarde moet worden toegekend aan de (blijkens het voorgaande niet geheel juiste althans onvolledige) brief van de Rabobank van 23 april 2003 gaat het erom hoe [eiseres] de inhoud van de betreffende brief heeft begrepen en hoe zij die redelijkerwijs heeft mogen begrijpen.

5.5 In de brief van 23 april 2003 valt niet te lezen dat het niet treffen van de voorgeschreven preventiemaatregelen geen consequenties heeft voor de dekking van het brandrisico. De vraag is of [eiseres] dat wel – a contrario redenerend – had mogen afleiden uit het feit dat slechts melding wordt gemaakt van het inbraakrisico. Mede gelet op de inhoud van de clausules 90 en 1116 en hetgeen daarover eerder door [eiseres] en de Rabobank was besproken, beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend.

5.6 [eiseres] had de toepasselijke polisvoorwaarden ontvangen en was van de inhoud daarvan op de hoogte (de voorgeschreven preventiemaatregelen heeft zij zelfs expliciet voor gezien getekend). Verder heeft de Rabobank onbetwist gesteld dat [persoon 1] [eiseres] (in ieder geval op 8 april 2003) heeft gewezen op haar verplichting om (ook) een alarminstallatie aan te brengen wilde zij aanspraak kunnen maken op dekking onder de verzekeringspolis. Dat daarbij een onderscheid is gemaakt tussen inbraakrisico enerzijds en brandrisico anderzijds is niet gesteld of gebleken.

5.7 Onder genoemde omstandigheden kan niet worden aangenomen dat [eiseres] redelijkerwijs uit de brief van de Rabobank van 23 april 2003 mocht begrijpen dat voor dekking van het brandrisico niet (langer) vereist was dat er een alarminstallatie werd aangebracht. Een en ander zou in strijd zijn geweest met de inhoud van de polisvoorwaarden en wat de Rabobank (in de persoon van [persoon 1]) [eiseres] daarover eerder had laten weten. Zo het al zo was dat [eiseres] uit de brief van 23 april 2003 heeft geconcludeerd dat het aanleggen van een alarminstallatie niet (meer) nodig was voor dekking van het brandrisico, had het tenminste op haar weg gelegen om die conclusie ter bevestiging aan de Rabobank voor te leggen. Het door [eiseres] gestelde gebrek aan deskundigheid als het gaat om verzekeringen doet daar niet aan af. Dit geldt eens temeer wanneer zij, zoals zij zelf heeft gesteld, op dat moment al offertes voor een alarmsysteem had opgevraagd en ontvangen. Niet gesteld of gebleken is echter dat zij de Rabobank om genoemde bevestiging heeft gevraagd, laat staan dat de Rabobank [eiseres] daarop een dergelijke bevestiging heeft verstrekt.

5.8 Het enkele feit dat in de brief van 23 april 2003 een onjuistheid althans onvolledigheid voorkomt brengt, alle in het hiervoorgaande genoemde omstandigheden in aanmerking genomen, dus niet met zich dat moet worden geoordeeld dat de Rabobank niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon betaamt. Voorts valt niet in te zien dat [persoon 1] uit de contacten die hij na verzending van genoemde brief met [eiseres] heeft gehad, had moeten afleiden dat [eiseres] er blijkbaar van uitging dat het aanleggen van de alarminstallatie niet meer vereist was voor dekking van het brandrisico. [eiseres] heeft in dat verband onvoldoende gesteld. Om die reden kan [persoon 1]

– en daarmee de Rabobank – er geen verwijt van worden gemaakt dat hij een dergelijke indruk bij [eiseres], zo die op dat moment aanwezig zou zijn geweest, niet heeft weggenomen.

5.9 Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiseres], die zijn gebaseerd op de stelling dat de Rabobank in haar zorgplicht jegens [eiseres] is tekortgeschoten, dienen te worden afgewezen en dat de overige stellingen van partijen geen bespreking behoeven.

5.10 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Rabobank tot aan deze uitspraak worden begroot op:

- vast recht EUR 4.735,00

- salaris advocaat EUR 4.000,00 (2,0 punten x tarief EUR 2.000,00)

totaal EUR 8.735,00.

6 De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank begroot op EUR 8.735,00;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman op 11 maart 2009.