Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH6238

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
316785 / HA ZA 08-2504
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet dwangbevel ongegrond. Besluit heeft in formele rechtskracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 316785 / HA ZA 08-2504

Uitspraak: 11 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiser,

advocaat aanvankelijk mr. P.H. de Bruin, thans niet langer ten processe vertegenwoordigd,

- tegen -

de GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. van Harmelen.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "de gemeente".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van het tussenvonnis van deze rechtbank van 17 december 2008 en de daarin genoemde processtukken.

1.2 Bij het vonnis van 17 december 2008 is een comparitie van partijen gelast, die op 14 januari 2009 zou plaatsvinden. Daarbij is aangegeven dat de rechtbank zonder comparitie of nadere stukkenwisseling uitspraak zou doen, als partijen daar in onderling overleg de voorkeur aan zouden geven.

1.3 Voorafgaand aan de comparitie heeft de toenmalige raadsman van [eiser] zich onttrokken. De comparitie heeft toen geen doorgang gevonden en de zaak is verwezen naar de rol van 21 januari 2009, alwaar niemand zich voor [eiser] gesteld heeft.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 9 januari 2006 is door een toezichthouder van de gemeentelijke dienst Stadstoezicht aan de Groene Hilledijk te Rotterdam ter hoogte van huisnummer 210 op de openbare weg huisvuil in een KOMO vuilniszak aangetroffen.

2.2 Op deze datum was het niet toegestaan op die locatie huisvuil aan te bieden, zulks op grond van het bepaalde in artikel 4.2.15 van de APV Rotterdam.

2.3 Uit onderzoek van het huisvuil is gebleken dat zich tussen de afvalstoffen aan [eiser] gerichte correspondentie bevonden.

2.4 Stadstoezicht heeft direct spoedeisende bestuursdwang toegepast en de afvalstoffen direct verwijderd. De gemeente (Stadstoezicht) heeft het besluit tot toepassing van bestuursdwang op 20 februari 2006 (hierna het besluit) schriftelijk aan [eiser] kenbaar gemaakt. [eiser] stond op dat moment ingeschreven op het adres waarnaar de beschikking is verzonden. In het besluit is vermeld dat [eiser] de kosten verbonden aan het verwijderen van de afvalstoffen, ter hoogte van het bedrag van € 59,-, voor 13 maart 2006 betaald diende te hebben. [eiser] heeft geen bezwaar aangetekend tegen dit besluit.

2.5 Bij brieven van 16 juni 2006 en 15 september 2006 heeft de gemeente [eiser] nogmaals verzocht om tot betaling over te gaan.

2.6 Naar aanleiding van de brief van 16 juni 2006 heeft [eiser] de gemeente een brief gestuurd waarin hij bezwaar maakt tegen de sanctie en stelt het zelf niet te hebben gedaan.

2.7 Bij brief van 23 april 2007 heeft de gemeente aangekondigd dat zij de invordering van de kosten uit handen zou geven. Op 31 januari 2008 heeft de gemeente een dwangbevel uitgevaardigd, tot invordering van de kosten van bestuursdwang, welk dwangbevel op 25 augustus 2008 aan hem is betekend.

3 Vordering

3.1 [eiser] vordert, wanneer het verzet deugdelijk wordt verklaard, het dwangbevel buiten effect te stellen, met veroordeling van de gemeenten in de kosten van de procedure.

3.2 Hij heeft geen idee waarop hij de kosten van toepassing bestuursdwang zou moeten betalen. Daarnaast is hij in zijn belangen geschaad doordat de gemeente 2,5 jaar heeft laten verstrijken tussen de dag waarop bestuursdwang zou zijn toegepast. Het is daardoor lastig om verweermiddelen te verzamelen. Ten slotte heeft het verhalen van de kosten van bestuursdwang een punitief karakter. Dat verhaal dient binnen een redelijke termijn plaats te vinden en 2,5 jaar is geen redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM.

4 Verweer

4.1 Het verweer strekt tot niet ontvankelijk verklaring dan wel ontzegging van de vorderingen onder ongegrondverklaring van het verzet, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.2 De gemeente beroept zich op de vaststaande feiten en stelt dat de toegepaste bestuursdwang geen punitief karakter heeft. Ook het invorderen van bestuursdwangkosten is niet punitief van aard.

5 Beoordeling

5.1 De advocaat van [eiser] heeft zich kort voor de comparitie onttrokken. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen alwaar zich geen nieuwe advocaat voor [eiser] gesteld heeft. [eiser] kan daardoor geen proceshandelingen meer verrichten.

5.2 Er zal daarom geen comparitie meer plaatsvinden en ook geen nadere stukkenwisseling. Dat brengt met zich dat [eiser] niet heeft gereageerd op het met stukken onderbouwde verweer van de gemeente. Dat moet ertoe leiden dat het verweer van de gemeente en de daaraan ten grondslag liggende stellingen als vaststaand kunnen worden aangenomen, zoals onder 2 ook al tot uitdrukking is gebracht, omdat deze door [eiser] niet weersproken zijn.

5.3 Hierdoor kan vastgesteld worden dat het besluit tot bestuursdwang formele rechtskracht heeft. De inhoud van het besluit mag bij [eiser] bekend verondersteld worden en [eiser] heeft daartegen niet tijdig bezwaar gemaakt.

5.4 [eiser] is op grond van artikel 5:25 Awb de door de gemeente gemaakte kosten van bestuursdwang in beginsel verschuldigd en de gemeente mag deze mitsdien op hem verhalen. Enkel indien de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de overtreder dienen te komen, is de overtreder de kosten van bestuursdwang niet (geheel) verschuldigd.

5.5 [eiser] heeft zich erop beroepen dat hij in zijn belangen in geschaad en dat de redelijke termijn is geschonden, waarbij hij er van uit gaat dat sprake is van een sanctie met een punitief karakter. Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] niet in zijn belangen geschaad, omdat hij al in 2006 wist, althans had kunnen weten, dat en waarom bestuursdwang werd toegepast. Voorts zij overwogen dat de invordering van dwangsommen geen punitief karakter heeft (ABRvS 24 december 2003, JB 2004, 84). Ten slotte is van belang dat de gemeente niet te lang stil heeft gezeten. Zij heeft [eiser] aangeschreven en aangemaand en aldus meermalen de kans geboden de verschuldigde kosten alsnog te voldoen. Van feiten en omstandigheden op grond waarvan de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van [eiser] zouden moeten komen is derhalve geen sprake.

5.6 Ten slotte zij volledigheidshalve nog overwogen dat op grond van artikel 5:26 Awb de gemeente de kosten ex artikel 5:25 AWB, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, kan invorderen.

5.7 Uit het vorenstaande volgt dat het verzet ongegrond is en dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van de gemeente worden veroordeeld.

6 De beslissing

De rechtbank,

in oppositie

Wijst de vordering af

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot aan de uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 254,- aan vast recht en € 384,- aan salaris voor de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin.

Uitgesproken in het openbaar.

2009/1917