Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH6007

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
262867 / HA ZA 06-1660
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voldoende onderhoud/zorg door verzekerde? Bewijsclausule. Bemoeilijken bewijspositie verzekeraar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 262867 / HA ZA 06-1660

Uitspraak: 4 maart 2009

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te St. Peter Port, Guernsey,

eiseres,

advocaat: mr. O.E. Meijer te Rotterdam,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap HDI VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te ’s-Gravenhage,

3. de naamloze vennootschap GENERALI SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amsterdam,

4. de naamloze vennootschap FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V., gevestigd te Amstelveen,

5. [gedaagde sub 5], gevestigd te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap CORINS B.V., gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. B.S. Janssen te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "verzekeraars".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 30 mei 2006 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met productie;

- conclusie van dupliek, met productie;

- de voorafgaand aan de pleidooien ter griffie van deze rechtbank ingekomen brief zijdens verzekeraars d.d. 1 september 2008, met producties;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitnotities, met producties, de akte overlegging producties aan de zijde van [eiseres] en de zijdens verzekeraars overgelegde foto’s;

- akte na pleidooi aan de zijde van [eiseres], met producties;

- antwoordakte na pleidooi aan de zijde van verzekeraars, met producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiseres] (met als enig aandeelhouder [persoon 1]) was vanaf september 2000 eigenaar van het in 1988 bij [bedrijf] gebouwde 28,54 meter lange zeiljacht “[het jacht]” (verder: ‘het jacht’).

2.2 In 1998 heeft het jacht een ‘refit’ ondergaan ten bedrage van DEM 2.000.000,-.

2.3 Via haar tussenpersoon ING Bank heeft [eiseres] het jacht op de beurs verzekerd tegen onder meer verlies of beschadiging van het jacht en de inboedel daarvan. Verzekeraars hebben op deze polis ingetekend.

2.4 De op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden Pleziervaartuigen ING Bank 01-2000 (verder: ‘de polisvoorwaarden’) bepalen onder meer:

“Art. 1 Definities (…)

1.14 Eigen gebrek

Een minderwaardige eigenschap in of van de verzekerde zaak (of onderdelen daarvan), welke vergelijkbare zaken (of onderdelen daarvan), rekening houdende met soort gebruik, kwaliteit, staat en ouderdom, niet vertonen. (…)

Art. 2 Omschrijving van de dekking

2.1 Vaartuig

2.2 Vergoed wordt verlies of beschadiging van het verzekerde vaartuig of een deel daarvan als gevolg van:

- een van buiten komend onheil;

- eigen gebrek (art. 249 Wetboek van Koophandel) (…)

2.3 Ingeval van schade aan het vaartuig zal de vergoeding onder deze verzekering als volgt worden vastgesteld:

2.4 Indien in geval van schade het verzekerde vaartuig wordt gerepareerd, worden, met terzijdestelling van de wettelijke regelingen, de reparatiekosten vergoed, onder aftrek van een veronderstelde verbetering nieuw voor oud, tot ten hoogste het verzekerde bedrag. (…) Verzekeraars hebben het recht vergoeding van de reparatiekosten op te schorten zolang de schade niet deugdelijk is gerepareerd; verzekeraars dienen in de gelegenheid te worden gesteld de reparatie te controleren.

2.5 Indien in geval van schade het verzekerde vaartuig:

- niet kan worden gerepareerd;

- niet wordt gerepareerd, hoewel het mogelijk is; uit macht van verzekerde is geraakt en terugverkrijging niet binnen redelijke termijn is te verwachten, wordt met terzijdestelling van de wettelijke regelingen de vervangingswaarde van het verzekerde vaartuig onmiddellijk voor de schade vergoed ten hoogste het verzekerde bedrag.

De schadevergoeding voor het vaartuig (…) zal nimmer hoger zijn dan het bedrag dat zou zijn betaald, indien reparatie plaatsvond. (…)

2.7 Op de vergoeding wordt in mindering gebracht de waarde van de restanten;

- van de vervangen onderdelen bij toepassing van de regeling onder 2.12;

- van het verzekerde vaartuig bij toepassing van de regeling onder 2.13.

2.8 Vergoed wordt verlies of beschadiging van de inboedel als gevolg van:

- brand, explosie, zelfontbranding en blikseminslag; (…)

2.12 De vergoeding geschiedt op basis van nieuwwaarde van de inboedel. Met slijtage of veroudering wordt slechts rekening gehouden indien de daardoor ontstane waardevermindering vóór de schade meer bedraagt dan de helft van de nieuwwaarde.

2.13 In geval van beschadiging, maar naar het oordeel van de schaderegelaars herstelbare schade, zullen de herstelkosten worden vergoed, verhoogd met een na herstel eventueel nog overgebleven waardevermindering, een en ander echter tot maximaal het bedrag van de nieuwwaarde. (…)

Art. 3 Uitsluitingen

3.1 Van deze verzekering is/zijn uitgesloten: (…)

3.6 schade veroorzaakt door of ontstaan uit: (…)

3.15 schade aan de verzekerde zaken, als bedoeld in art. 1.4 t/m 1.8 als gevolg van een verzekerde te verwijten onvoldoende onderhoud van en/of onvoldoende zorg voor de verzekerde zaken; (…)

3.23 schade door geleidelijke inwerking van (…) vocht; (…)

Art. 5 Verplichtingen in geval van schade (…)

5.3 Bescheiden

Verzekerde is verplicht alle ontvangen bescheiden zoals aansprakelijkstelling, dagvaarding en stukken betreffende strafvervolging terstond aan verzekeraars te doen toekomen en zich te onthouden van iedere toezegging, verklaring of handeling waaruit erkenning van een verplichting tot schadevergoeding afgeleid zou kunnen worden.

5.4 Inlichtingen

Verzekerde is voorts verplicht aan verzekeraars alle inlichtingen te geven (gevraagd of ongevraagd) die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van een schadegeval.

5.5 Niet-nakoming

(…) indien verzekerde de hem, in art. 5.1 t/m 5.4 opgelegde verplichtingen niet nakomt, vervalt het recht op uitkering indien en voor zover de belangen van verzekeraars door niet-nakoming zijn geschaad. (…)

Art. 7 Behandeling van een schadegeval

7.1 Vaststelling van schade

Indien verzekeraars zulks nodig achten, zullen zij de schade doen vaststellen door een door hen te benoemen deskundige, aan wie alle gewenste inlichtingen, bescheiden, enz. inzake de schade dienen te worden overlegd. De kosten van deze schadevaststelling komen ten laste van verzekeraars. (…)

Art. 11 Eigen risico

Verzekerde zal van alle ten laste van deze polis komende schaden een eigen risico dragen van een bedrag per gebeurtenis als op het polisblad of laatst afgegeven polisaanhangsel vermeld. Het eigen risico is niet van toepassing:

- in geval van totaal verlies van het vaartuig;

- op vergoeding ter zake van schade wegens aansprakelijkheid;

- op vergoeding van schade als bedoeld onder art. 2.29 (persoonlijke schade, opm. rb.). (…)

Art. 20 Bewijslast

Verzekerde hoeft een van buiten aankomend onheil niet aan te tonen. De verzekeraars behouden het recht te bewijzen dat de schade is veroorzaakt door een niet gedekt evenement.”

2.5 Per 22 december 2004 is de dekking van de verzekeringovereenkomst gewijzigd in een zogenoemde stilligdekking en is de premie verlaagd. Het polisaanhangsel 6 van 27 januari 2005 bepaalt ten aanzien van de dekking, voor zover thans relevant:

“Dekking: Hoofdzakelijk stilliggen te Marmaris Turkije, Nestel Marina. Maximaal één week varen per jaar. (…)

Bijzondere voorwaarden: (…)

Bewaakte jachthaven

Ten tijde dat het jacht onbeheerd is, is de verzekering uitsluitend van kracht voorzover er in een bewaakte jachthaven is afgemeerd.

Eigen risico: EUR 60.000,00 per gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen met één en dezelfde oorzaak.”

2.6 In de ochtend van 20 mei 2005 is er brand uitgebroken aan boord van het jacht als gevolg van een lekkende spiraalslang van de handdouche in de kombuis. Onder de spoelbak in de kombuis, waarbij de handdouche behoorde, bevond zich een boiler met elektrische aansluitingen.

2.7 Ten tijde van de brand lag het jacht op haar vaste ligplaats in de permanent bewaakte jachthaven Nestel Marina te Marmaris (Turkije). Er is in de maanden voorafgaand aan de brand niet met het jacht gevaren. Het jacht, inclusief de boiler, was constant aangesloten op (wal)stroom.

2.8 Het jacht is in april 2006 in niet-gerepareerde staat verkocht voor een bedrag van

€ 700.000,-.

3. De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verzekeraars te veroordelen om aan [eiseres] te voldoen het bedrag van € 2.016.429,30, met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiseres] heeft als gevolg van de brand schade geleden, welke door [bedrijf 2] is begroot op een bedrag van € 2.016.429,30. Verzekeraars zijn op grond van artikel 2.2 van de polisvoorwaarden gehouden dit schadebedrag aan [eiseres] te vergoeden.

3.2 De schade is veroorzaakt door een van buiten komend onheil, eruit bestaande dat de monteur in 2002 bij de vervanging van de kraan in de kombuis de daaraan bevestigde spiraalslang geschikt heeft bevonden voor hergebruik en weer heeft gemonteerd. Althans is er sprake van een van buiten komend onheil doordat een bezoeker van het jacht een te harde ruk aan de spiraalslang heeft gegeven waardoor deze is beschadigd. Ofwel is er sprake van een eigen gebrek doordat de spiraalslang heeft gelekt en deze lekkage door de constructie van het jacht niet waarneembaar was.

3.3 Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de polisvoorwaarden kan [eiseres] volstaan met het stellen dat sprake is van schade als gevolg van een van buiten komend onheil en dienen verzekeraars te bewijzen dat de schade is veroorzaakt door een niet gedekt evenement.

3.4 Tot de schade behoort ook een bedrag van € 10.000,- aan inboedelschade, die ingevolge artikel 2.8 van de polisvoorwaarden is gedekt.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

Verzekeraars hebben daartoe (uiteindelijk) het volgende aangevoerd:

4.1 De brand is ontstaan door een langdurig lekkende spiraalslang in het keukenkastje. De schade is derhalve niet veroorzaakt door een van buiten komend onheil of een eigen gebrek, maar door slijtage van de spiraalslang. Schade als gevolg van slijtage valt niet onder de dekking van de verzekering.

4.2 Het beroep van [eiseres] op artikel 20 van de polisvoorwaarden gaat niet op. De ratio van dit artikel is dat de verzekerde geen dekking onder de polis ontbeert als sprake is van een onbekende oorzaak en het vermoeden bestaat dat sprake is van een van buiten komend onheil. In dit geval is de schadeoorzaak echter bekend en gesteld, te weten het lekken van de spiraalslang. Dit is niet aan te merken als een van buiten komend onheil. Betwist wordt dat de schade is veroorzaakt doordat een bezoeker van het jacht een harde ruk aan de spiraalslang heeft gegeven.

4.3 De schade is bovendien op grond van artikel 3.15 van de polisvoorwaarden van dekking uitgesloten omdat sprake is van aan [eiseres] te verwijten onvoldoende onderhoud aan en/of onvoldoende zorg voor de verzekerde zaken, zoals blijkt uit de bevindingen v[bedrijf 3] in het rapport van 5 september 2005 (productie 2 bij conclusie van antwoord). Daarnaast heeft [eiseres] onvoldoende zorg betracht door het jacht, hoewel het nauwelijks werd gebruikt en niet was bemand, op walstroom aangesloten te laten.

4.4 De schade is ontstaan door de geleidelijke inwerking van vocht. Deze schadeoorzaak is, als bepaald in artikel 3.23 van de polisvoorwaarden, uitgesloten van verzekeringsdekking.

4.5 [eiseres] is haar verplichtingen voortvloeiend uit artikelen 5.3 en 5.4 van de polisvoorwaarden niet nagekomen. Op grond van artikel 5.5 van de polisvoorwaarden is het recht op schadevergoeding komen te vervallen.

[eiseres] heeft het onderzoek bemoeilijkt door aanvankelijk te verklaren dat de tekeningen van de elektriciteitsschema’s en andere installatietekeningen van het jacht bij de brand waren beschadigd ofwel afgevoerd, terwijl later bleek dat deze wel degelijk beschikbaar waren. Daarnaast heeft [eiseres] zonder deugdelijke onderbouwing geweigerd mee te werken aan het herstel van het jacht in Turkije, maar bleef zij er op staan dat het jacht voor een aanzienlijk hoger bedrag bij de [bedrijf 1] te Medemblik zou worden hersteld. Tot slot heeft [eiseres] bij dagvaarding aangegeven dat zij het jacht in 2006 in beschadigde staat heeft verkocht. Deze omstandigheid is van belang voor de nadere vaststelling van de omvang van de schade. Ten onrechte heeft [eiseres] verzekeraars hiervan niet op de hoogte gesteld.

4.6 Verzekeraars betwisten de omvang van de gestelde schade. Subsidiair is het voor de berekening van de hoogte van de schade van belang te beschikken over de details van de verkoop van het jacht door [eiseres]. [eiseres] dient deze informatie te verstrekken op straffe van verval van haar rechten als bepaald in artikel 5.5 van de polisvoorwaarden. Daarnaast is de hoogte van de door [eiseres] geclaimde schade ten onrechte gebaseerd op een offerte van [bedrijf 1], terwijl Admiralty Marine Projects te Marmaris voor dezelfde werkzaamheden een offerte heeft uitgebracht van € 485.000,-. Ingevolge artikel 2.5 van de polisvoorwaarden zijn verzekeraars nimmer gehouden tot betaling van een hoger bedrag dan de kosten van reparatie. Dat bedrag kan niet meer bedragen dan € 485.000,-. Voorts strekt op een eventuele schadeuitkering in mindering het eigen risico van € 60.000,-.

4.7 Verzekeraars betwisten de omvang van de gestelde inboedelschade.

5. De beoordeling

5.1 De polis biedt dekking voor schade aan het jacht als gevolg van een van buiten komend onheil en eigen gebrek, zo bepaalt artikel 2.2 van de polisvoorwaarden.

Partijen zijn het eens over de directe schadeoorzaak, in die zin dat zij beiden menen dat door de - in lichte mate - lekkende spiraalslang in de kombuis van het jacht drinkwater is gelekt op de elektrische aansluiting van de boiler en dat daardoor brand is ontstaan. Partijen houdt echter - voor zover relevant - verdeeld wat de oorzaak is van de lekkage van de spiraalslang en of deze (verder gelegen) oorzaak kan worden aangemerkt als een onder de polis gedekt evenement.

5.2 De polis en de polisvoorwaarden zijn algemeen van aard en houden weinig concrete voorschriften voor de verzekerde in. Zo ontbreken bijvoorbeeld specifieke bepalingen op het gebied van onderhoud en maatregelen ter voorkoming van schade. Hieruit en uit de omstandigheid dat ook schade als gevolg van eigen gebrek gedekt is alsmede uit de bewijsclausule leidt de rechtbank af dat kennelijk beoogd is een ruime dekking te bieden.

eigen gebrek

5.3 [eiseres] betoogt onder meer dat de schade is veroorzaakt door een eigen gebrek. Verzekeraars hebben dit gemotiveerd weersproken.

Artikel 1.14 van de polisvoorwaarden bepaalt dat onder eigen gebrek dient te worden verstaan “een minderwaardige eigenschap in of van de verzekerde zaak (of onderdelen daarvan), welke vergelijkbare zaken (of onderdelen daarvan), rekening houdende met soort gebruik, kwaliteit, staat en ouderdom niet vertonen.” Dit sluit aan op het bepaalde in artikel

artikel 249 (oud) WvK (thans artikel 7:951 BW), volgens welke bepaling als eigen gebrek moet worden aangemerkt een minderwaardige eigenschap van een verzekerde zaak, die zij niet behoorde te hebben, zoals een constructie- of een ontwerpfout.

De wijze waarop de spiraalslang is gemonteerd waardoor de beschadiging hiervan - volgens [eiseres] - niet snel zichtbaar was als gevolg waarvan corrosie aan de elementen van de daaronder gelegen boiler is ontstaan, kan niet worden aangemerkt als een eigen gebrek van de spiraalslang zelf. Van een minderwaardige eigenschap in vorenbedoelde zin is evenmin sprake in geval van beschadiging tengevolge van slijtage, zoals [eiseres] betoogt. Dit zou anders zijn indien de spiraalslang een mate van slijtage vertoonde die deze soort zaak niet behoorde te hebben, mede gezien de leeftijd en de wijze van gebruik ervan. Voorzover [eiseres] dit heeft willen betogen, heeft zij dit betoog onvoldoende feitelijk onderbouwd. De enkele omstandigheid dat zich, volgens [eiseres], aan boord van het jacht meerdere vergelijkbare slangen bevonden die na al die jaren niet lekten, rechtvaardigt deze conclusie niet. De overige door [eiseres] ingenomen stellingen ten aanzien van de aard en mate van de beschadiging van de spiraalslang, te weten dat deze nauwelijks zichtbaar was en dat deze het gevolg was van een harde ruk die aan de slang is gegeven, onderbouwen voornoemd standpunt evenmin. Hetgeen [eiseres] aanvoert biedt derhalve onvoldoende feitelijke grondslag om haar ter zake tot bewijs toe te laten. Dit betekent dat het beroep op een eigen gebrek faalt.

van buiten komend onheil

5.4 Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de raadsman van [eiseres] aangegeven niet langer de stelling te handhaven dat de brand is veroorzaakt door een van buiten komend onheil bestaande uit de beslissing van een monteur om de spiraalslang indertijd niet te vervangen maar opnieuw te gebruiken.

Het van buiten komend onheil is er volgens [eiseres] wel in gelegen dat een derde kennelijk een te harde ruk heeft gegeven aan de spiraalslang, waardoor er een beschadiging aan de slang is ontstaan, met de lekkage tot gevolg.

Partijen zijn het erover eens dat een dergelijke rechtstreekse fysieke geweldsinwerking van buitenaf kan worden aangemerkt als een van buiten komend onheil in de zin van de polis. Voorts staat als onweersproken tussen partijen vast dat niet als een van buiten komend onheil kan worden aangemerkt een gedraging van [persoon 1], die als feitelijke eigenaar van het schip en daarmee als verzekerde in de zin van de polis kan worden aangemerkt.

5.5 Artikel 20 van de polisvoorwaarden bepaalt dat de verzekerde een van buiten aankomend onheil niet hoeft aan te tonen en dat de verzekeraars het recht behouden te bewijzen dat de schade is veroorzaakt door een niet gedekt evenement.

Partijen verschillen van mening over de betekenis van deze bepaling.

De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de uitleg van een polisvoorwaarde, die onderdeel uitmaakt van een verzekeringsovereenkomst die tot stand is gekomen op basis van een zogenoemde beurspolis. Nu over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden en niet is gesteld dat dit in dit geval anders is, is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de betreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Daarbij dient meegewogen te worden dat de polis zoals hiervoor onder 5.2 is toegelicht, in een ruime dekking voorziet. Uitgaande van deze wijze van uitleg van de clausule, is de rechtbank van oordeel dat uitleg op de door verzekeraars voorgestane wijze niet in de rede ligt. Immers, noch uit de tekst van de clausule als zodanig noch uit de overige polisvoorwaarden kan worden afgeleid dat deze bewijsclausule slechts aan de orde is als de feitelijke oorzaak van de schade niet komt vast te staan.

Het is derhalve, op grond van artikel 20 van de polisvoorwaarden, aan verzekeraars om te bewijzen dat een andere oorzaak dan een van buiten komend onheil heeft geleid tot de beschadiging van de spiraalslang. Verzekeraars stellen dat de lekkage, en daarmee de brand, is veroorzaakt door slijtage van de spiraalslang, hetgeen [eiseres] gemotiveerd betwist. Het bewijs van deze stelling is niet zonder meer af te leiden uit het eenzijdige, dat wil zeggen op verzoek van verzekeraars, door [bedrijf 3] opgestelde deskundigenrapport waarin melding wordt gemaakt van langdurige slijtage van de spiraalslang. Deze conclusie volgt evenmin uit de bevindingen van de door [eiseres] ingeschakelde deskundige [persoon 2]. Verzekeraars zullen dus worden toegelaten tot het bewijs van voornoemde stelling.

5.6 Vooruitlopend op de bewijslevering overweegt de rechtbank reeds het navolgende.

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [eiseres] desgevraagd te kennen gegeven niet meer over de spiraalslang te beschikken, omdat zij het jacht met inbegrip van de spiraalslang heeft verkocht. Of de spiraalslang door de nieuwe eigenaar van het jacht is vervangen en deze al dan niet beschikbaar is voor onderzoek is [eiseres] niet bekend, zo heeft zij verklaard. Voorts heeft [eiseres] aangegeven dat de door corrosie beschadigde boiler is vernietigd.

Verzekeraars hebben ter gelegenheid van het pleidooi gesteld bij verschillende inspecties aan [eiseres] te hebben gevraagd of zij de slang als bewijs althans voor onderzoek mochten meenemen of zekerstellen, maar dat dit werd geweigerd door [eiseres], alsmede dat zij daarop hebben aangegeven dat [eiseres] de slang dan in elk geval goed moest bewaren.

Verzekeraars hebben voorts betoogd dat doordat [eiseres] desondanks het jacht met spiraalslang en al heeft verkocht de bewijslast en het bewijsrisico ten aanzien van de relevante oorzaak van het lekken van de spiraal op [eiseres] is komen te rusten, in ieder geval voorzover aan de slang om wat voor reden dan ook geen onderzoek meer zou kunnen worden verricht. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou het onaanvaardbaar zijn als het bepaalde in artikel 20 van de polisvoorwaarden ertoe zou kunnen leiden dat verzekeraars in bewijsnood zouden komen te verkeren omdat [eiseres] bewijs achterhoudt, aldus verzekeraars.

[eiseres] heeft in reactie op dit betoog onder meer aangegeven dat de expert van verzekeraars vijfmaal aan boord van het jacht is geweest en de spiraalslang uitvoerig heeft onderzocht en dat daarnaast ook vertegenwoordigers van verzekeraars herhaalde malen aan boord van het jacht zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als het bepaalde in artikel 20 van de polisvoorwaarden ertoe zou leiden dat verzekeraars in bewijsnood zouden komen te verkeren omdat [eiseres] bewijs achterhoudt, dan wel zoek heeft gemaakt. Echter, in dit stadium is niet vast te stellen of en in hoeverre van bewijsnood aan de zijde van verzekeraars sprake is. Immers, niet staat vast dat de spiraalslang niet meer beschikbaar is. Bovendien blijkt uit het door verzekeraars gedane bewijsaanbod (sub 2.3 van de pleitnota) - te weten onder meer het leveren van bewijs door het als getuigen laten horen van de ingeschakelde deskundigen en het onderzoeken van vergelijkbare spiraalslangen als de onderhavige - niet op voorhand dat verzekeraars in bewijsnood verkeren.

Partijen kunnen bij conclusies na (al dan niet gehouden) enquête zich er nader over uitlaten of en in hoeverre verzekeraars door toedoen van [eiseres] in bewijsnood zijn komen te verkeren alsmede over de gevolgen daarvan. Het komt de rechtbank echter wel zinvol voor dat [eiseres] reeds voorafgaand aan de bewijslevering bij akte laat weten of de spiraalslang nog beschikbaar is. De zaak zal naar de rol worden verwezen teneinde [eiseres] hiertoe in de gelegenheid te stellen. Desgewenst kunnen verzekeraars hierop bij antwoord reageren, bij welke gelegenheid zij tevens opgave kunnen doen van de (eventueel) te horen getuigen of zich kunnen uitlaten over een andere wijze van bewijslevering.

uitsluitingen: onvoldoende onderhoud/zorg

5.7 Verzekeraars beroepen zich op enkele uitsluitingsbepalingen. Zo stellen zij dat [eiseres] onvoldoende onderhoud heeft verricht en zorg heeft betracht, zodat de schade op grond van artikel 3.15 van de polisvoorwaarden van dekking onder de polis is uitgesloten. Verzekeraars maken [eiseres] ter zake vier verwijten.

5.7.1 Ten eerste verwijten verzekeraars [eiseres] dat zij in het algemeen onvoldoende onderhoud heeft verricht aan het jacht. Zij verwijzen daarbij naar de bevindingen op pagina 8 van het rapport van de door hen ingeschakelde expert [bedrijf 3]. [eiseres] betoogt dat het jacht goed werd onderhouden door [persoon 3] van EuroYacht Marine Electronics en regelmatig werd bezocht door [persoon 1] en dat het in een eersteklas jachthaven lag. Bovendien zijn de voorbeelden van - beweerdelijk - achterstallig onderhoud door afwezigheid van de door artikel 3.15 van de polisvoorwaarden vereiste causaliteit irrelevant, aldus [eiseres].

Zonder nadere toelichting, die verzekeraars niet hebben gegeven, valt niet in te zien dat de door [bedrijf 3] vastgestelde - en door [eiseres] weersproken - gebreken relevant zijn voor de onderhavige schade. Het gaat dan om gebrekkig(e) reddingsmiddelen, schilderwerk en zeewaardigheid van het jacht. Ook het in het rapport genoemde niet functioneren van de brandblussers is in dit kader niet relevant aangezien gesteld noch gebleken is dat in dit concrete geval de schade beperkt of voorkomen had kunnen worden indien de brandblussers wel aan de door [bedrijf 3] bedoelde normen hadden voldaan.

Het door verzekeraars in dit kader gedane beroep op de uitsluiting van artikel 3.15 van de polisvoorwaarden faalt derhalve.

5.7.2 Ten tweede betogen verzekeraars dat [eiseres] heeft nagelaten de spiraalslang tijdig te vervangen. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat volgens verzekeraars [eiseres] de spiraalslang diende te vervangen vóórdat deze naar redelijke verwachting bij normaal gebruik beschadigd zou kunnen raken als gevolg van slijtage.

Aan dit verwijt komt geen zelfstandige betekenis toe. Indien immers na bewijslevering door verzekeraars komt vast te staan dat de spiraalslang door slijtage is beschadigd, is geen sprake van een van buiten komend onheil. In dat geval biedt de polis geen dekking en komen de uitsluitingsgronden niet aan de orde. Indien echter niet komt vast te staan dat de spiraalslang door slijtage is beschadigd, ontbreekt het door artikel 3.15 van de polisvoorwaarden vereiste causale verband tussen de schade en het verweten nalaten van tijdige vervanging van de spiraalslang in vorenbedoelde zin.

5.7.3 Ten derde verwijten verzekeraars [eiseres] dat zij heeft nagelaten de spiraalslang periodiek te controleren. Verzekeraars stellen dat bij periodieke controle de beschadiging of de slijtage van de spiraalslang tijdig zou zijn opgemerkt en dat de schade aan het jacht in dat geval zou zijn voorkomen.

Vooropgesteld zij dat op de gronden als hiervoor onder 5.7.2 weergegeven dit verwijt van verzekeraars geen zelfstandige bespreking behoeft voorzover het betrekking heeft op (het constateren van de gevolgen van) slijtage van de spiraalslang.

Zoals hiervoor onder 5.2 weergegeven biedt de polis een ruime dekking en bevatten de polisvoorwaarden geen specifieke voorschriften, ook niet ten aanzien van de wijze waarop de verzekerde onderhoud aan het schip dient te verrichten. Uit de polis vloeit derhalve geen verplichting voort voor de verzekerde tot periodieke controle in voornoemde zin.

Tussen partijen staat vast dat de locatie van de slijtage of beschadiging zich bevond vlakbij de aanhechting van de spiraalslang en dat deze slechts zichtbaar was als de spiraalslang geheel uit zijn houder werd getrokken. Vast staat voorts dat bij een normaal gebruik van de spiraalslang dit gedeelte van de slang niet zichtbaar was.

Derhalve kan niet worden aangenomen dat [eiseres] de beschadiging van de spiraalslang bij normaal gebruik had kunnen en moeten constateren. Bijzondere omstandigheden die voor [eiseres] aanleiding hadden moeten zijn om de slang aan een nader onderzoek te onderwerpen, zijn onvoldoende gesteld of gebleken.

Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat op [eiseres] een bijzondere zorg- of onderhoudsplicht rustte die meebracht dat zij de spiraalslang - al dan niet periodiek - had moeten controleren, als door verzekeraars betoogd.

5.7.4 Verzekeraars betogen ten vierde dat [eiseres] onvoldoende zorg in acht heeft genomen door het jacht aangesloten te laten op walstroom hoewel het jacht nauwelijks werd gebruikt en niet bemand in bedrijf was.

Gesteld noch gebleken is dat de polisvoorwaarden een ter zake dienend voorschrift bevatten. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom de door verzekeraars aangehaalde binnen de Nederlandse jachthavens geldende - contractuele normen - ook voor [eiseres] ten aanzien van het in Marmaris gelegen jacht zou gelden. Niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] enig ter plaatse geldend voorschrift heeft geschonden.

In algemene zin moet voor brand aan boord worden gewaakt, en daaraan draagt bij dat bij het verlaten van het schip de spanning van elektrische apparatuur wordt afgesloten en het schip van de walstroom wordt afgesloten. Dat [eiseres] dit niet heeft gedaan, leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat zij een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. De vergelijking met de zaak waarover deze rechtbank oordeelde op 10 oktober 2007 (met zaak-/rolnummer 253160/HA ZA 06-42), gaat in die zin mank dat in die zaak het schip in winterstalling lag en dus langere periode niet in gebruik was. In dit geval werd echter het normale gebruik gemaakt van het jacht zoals dat in de polis was voorzien (te weten stilliggen in de jachthaven van Marmaris). Verzekeraars hebben niet bestreden dat het jacht periodiek werd bezocht door zowel [persoon 1] als [persoon 3]. Van een gedurende langere periode onbeheerd achterlaten van het jacht is derhalve onvoldoende gebleken.

Het verwijt van verzekeraars dat [eiseres] haar zorgplicht heeft geschonden door het jacht op walstroom aangesloten te laten faalt derhalve.

5.7.5 Op bovenstaande gronden faalt het beroep van verzekeraars op onvoldoende onderhoud of zorg als bedoeld in artikel 3.15 van de polisvoorwaarden.

inwerking vocht

5.8 Evenmin treft doel het beroep van verzekeraars op artikel 3.23 van de polisvoorwaarden, waarin is bepaald dat van dekking is uitgesloten schade door de geleidelijke inwerking van vocht. Partijen verschillen van mening over de betekenis van deze bepaling. Zoals hiervoor reeds is overwogen maakt deze voorwaarde onderdeel uit van een beurspolis en vloeit uit de wijze van totstandkoming van een dergelijke polis voort dat de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de betreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze bepaling derhalve (wegens haar karakter van uitsluiting) beperkt en zoveel mogelijk letterlijk te worden uitgelegd. Daarmee strookt niet de door verzekeraars bepleite uitleg dat ook een atypisch schadegeval, als het onderhavige, waarin lekkage tot brand leidt omdat ongelukkigerwijs het lekkende water op de elektrische aansluitingen van de daaronder gelegen boiler terechtkomt, valt aan te merken als schade door inwerking van vocht.

schending informatieplicht

5.9 Verzekeraars doen voorts een beroep op het bepaalde in artikel 5.4 en 5.5 van de polisvoorwaarden, kort gezegd inhoudende dat [eiseres] onvoldoende heeft meegewerkt aan het verstrekken van informatie aan verzekeraars en aan reparatie van het jacht in Turkije. Volgens verzekeraars is hierdoor het recht op schadevergoeding komen te vervallen. [eiseres] heeft dit gemotiveerd weersproken.

Een beroep op een dergelijke uitsluiting is gelet op de tekst van artikel 5.5 van de polisvoorwaarden slechts aan de orde indien vast staat dat verzekeraars door het gestelde tekortschieten van [eiseres] in hun belangen zijn geschaad. Dit is onvoldoende gesteld of gebleken ten aanzien van de gestelde schending door [eiseres] van de op haar rustende informatieplicht.

De door verzekeraars voorgestelde en door [eiseres] geweigerde wijze van reparatie kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin leiden tot een algeheel verval van recht. Dit aspect kan wel een rol spelen bij de vaststelling van de hoogte van de (eventuele) schadevergoeding, gelet ook op het bepaalde in artikel 2.5 van de polisvoorwaarden.

schade

5.10 In voorkomend geval zal de hoogte van de schade in een later stadium aan de orde komen, waaronder ook de wijze van schadeberekening en de post inboedelschade die onder het regime van artikel 2.8 van de polisvoorwaarden valt. Bij gelegenheid zal [eiseres] onder meer een nadere onderbouwing dienen te geven van de door haar geraamde inboedelschade ad € 10.000,-. Daarbij gaat de rechtbank er overigens vanuit dat deze schadepost is inbegrepen in de door [eiseres] gevorderde hoofdsom ad € 2.016.429,30.

5.11 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 15 april 2009 voor aktewisseling als hiervoor bedoeld onder 5.6, eerst aan de zijde van [eiseres].

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. E. Mentink en

mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

Uitgesproken in het openbaar.

1581/106/1885