Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH5979

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
307599 / HA ZA 08-1285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst woning. Vordering contractuele boete wegens niet doorgaan koop. Beroep op niet hoeven afgaan op fatale termijn na ingebrekestelling op grond van uitlatingen makelaar verkoper verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 307599 / HA ZA 08-1285

Uitspraak: 4 maart 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[woonplaats]seres],

[woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Haulussy.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 13 mei 2008;

conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek;

- akte aan de zijde van [eiseres].

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen – voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Bij schriftelijke koopovereenkomst d.d. 4 en 7 juli 2007 hebben [eiseres] en haar gewezen echtgenoot [echtgenoot van eiseres], aan [gedaagde] en diens toenmalige partner [persoon 1] verkocht, het huis met garage en tuin aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De koopsom bedroeg € 202.500,=.

2.2 In de koopovereenkomst is bepaald dat de akte van levering gepasseerd zal worden op 2 januari 2008, of zoveel eerder of later als partijen tezamen overeenkomen.

2.3 Artikel 8 van de koopovereenkomst bepaalt dat (ver)kopers elkaar onherroepelijk volmacht verlenen om namens elkaar de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten uit te oefenen.

2.4 Artikel 10 van de koopovereenkomst bepaalt dat indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, de wederpartij van de nalatige de overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst kan ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete verbeuren van € 20.500,00, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal.

2.5 Bij schriftelijke overeenkomst d.d. 16 januari 2008 is Coenraads ontslagen uit haar verplichtingen voortvloeiende uit de koopovereenkomst.

2.6 [eiseres] en [echtgenoot van eiseres] zijn van echt gescheiden. In het echtscheidingsconvenant d.d. 8 november 2006, is, in aanmerking nemende dat de woning tot de huwelijkse gemeenschap behoort en te koop stond, bepaald dat de netto verkoopopbrengst van de woning toekomt aan [eiseres].

2.7 Bij brief van 22 januari 2008 is [gedaagde] in gebreke gesteld en is hem tot uiterlijk 30 januari 2008 de tijd gegeven om de woning af te nemen.

2.8 Bij brief van 19 februari 2008 is de koopovereenkomst ontbonden, waarbij aanspraak is gemaakt op de contractuele boete op de voet van artikel 10 van de koopovereenkomst.

2.9 Bij brief van 29 februari 2009 is [gedaagde] gesommeerd tot betaling van de contractuele boete, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en rente.

2.10 Bij brief van 5 maart 2008 heeft [eiseres] [gedaagde] aangeboden de woning alsnog af te nemen, met betaling van € 5.000,= extra en kwijtschelding van de contractuele boete.

2.11 [gedaagde] heeft de woning niet afgenomen.

3 De vordering

3.1 De, gewijzigde, vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 17.750,= te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2008 en met de kosten van deze procedure.

3.2 [eiseres] beroept zich op de vaststaande feiten en stelt verder het volgende.

Zij heeft recht en belang om de boete te vorderen. Zij heeft schade geleden doordat zij de woning voor de transportdatum heeft verlaten en ontruimd. Zij heeft vanaf dat moment dubbele woonlasten gehad, en kosten gemaakt voor de opslag van meubels en dergelijke.

Er zijn geen omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd, althans zijn de door [gedaagde] aangevoerde gronden onjuist of liggen deze niet in de risicosfeer van [eiseres].

3.3 Omdat [eiseres] de woning op 23 april 2008 aan een derde heeft verkocht voor

€ 205.000,=, zijnde € 2.500,= meer dan [gedaagde] zou betalen, acht zij het redelijk om de (oorspronkelijke) hoofdsom van haar vordering met dat bedrag te verminderen.

3.4 [eiseres] betwist dat Brandax, in de persoon van [persoon 2], aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat hij de brief van 22 januari 2008 slechts als een formele brief moest zien.

4 Het verweer

4.1 Het verweer strekt tot afwijzing althans niet ontvankelijk verklaring van de vordering, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres], in de kosten van het geding.

4.2 [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat hij op 28 februari 2008 alsnog passende financiering heeft verkregen. [eiseres] bleek toen niet bereid om de woning te leveren omdat zij de woning al in januari/februari 2008 had verkocht aan een derde.

4.3 Bij monde van [persoon 2], heeft de voor beide partijen optredende makelaar Brandax [gedaagde] te kennen gegeven dat de brief van 22 januari 2008 slechts als een formele brief moest worden gezien, en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken omdat de financiering alsnog spoedig rond zou komen. Op de dag dat [gedaagde] de brief van 19 februari 2008 ontving, ontving hij, eveneens van Brandax, een op 15 februari 2008 gedateerde brief waarbij aan hem een offerte voor een passende financiering werd toegezonden. Op basis van de mededelingen van [persoon 2] mocht hij erop vertrouwen dat 30 januari 2008 niet als een bindende en fatale termijn zou worden gehanteerd. Dat geldt des te meer omdat [eiseres] erkent dat Brandax tevens voor haar is opgetreden.

4.4 Subsidiair doet [gedaagde] een beroep op matiging van de boete. Hij betwist in dat verband dat [eiseres] schade heeft geleden. Daarnaast stelt hij dat hij er, op grond van de uitlatingen van Brandax, geen rekening mee hoefde te houden dat aanspraak op de boete zou worden gemaakt. De uitlatingen van Brandax moeten immers aan [eiseres] worden toegerekend. [gedaagde] stelt verder dat hij niet beschikt over financiële middelen om de boete te voldoen en dat van opzet geen sprake is.

4.5 Ten slotte betwist [gedaagde] de verschuldigdheid van wettelijke rente.

5 De beoordeling

5.1 Vaststaat dat [gedaagde] de woning niet heeft afgenomen op de in de koopovereenkomst bepaalde dag. Na de ingebrekestelling bij brief van 22 januari 2008 heeft hij de woning evenmin uiterlijk op 30 januari 2008 afgenomen. [gedaagde] verkeert daardoor in verzuim, zodat de contractuele boete in beginsel verschuldigd is.

5.2 [gedaagde] heeft zich er op beroepen dat hij er, op grond van uitlatingen van [persoon 2], op mocht vertrouwen dat 30 januari 2008 niet als fatale termijn zou gelden, wat [eiseres] betwist. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] aldus dat hij bedoelt te stellen dat de schijn van aanwezigheid van een toereikende volmacht is gewekt. Dat beroep kan niet slagen omdat [gedaagde] niet stelt door welke gedraging of verklaring van [eiseres] hij heeft aangenomen en redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht voor het doen van die uitlating was verleend. Artikel 3:61 lid 2 BW stelt voor een geslaagd beroep op schijn van volmachtverlening immers als eis dat degene in wiens naam gehandeld is, zelf de schijn van de aanwezigheid van een toereikende volmacht heeft gewekt.

5.3 Subsidiair heeft [gedaagde] een beroep op matiging van de boete gedaan. Artikel 6:96 BW neemt tot uitgangspunt dat matiging van een boete alléén is toegestaan indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt, kan tot matiging worden overgegaan. Daarbij moet worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, NJ 2007,262).

5.4 In dit geval heeft de boete zowel de functie van een prikkel tot nakoming, als de functie van gefixeerde schadevergoeding, nu [eiseres] ingevolge de koopovereenkomst recht heeft op aanvullende schadevergoeding, naast de boete. [eiseres] heeft echter niet onderbouwd gesteld dat zij méér schade heeft geleden dan het bedrag van de boete, en dat ook niet gevorderd. Hoeveel schade [eiseres] daadwerkelijk heeft geleden, heeft zij niet gesteld.

5.5 [gedaagde] heeft niet betwist dat [eiseres] de woning heeft ontruimd en verlaten vóór de aanvankelijk overeengekomen transportdatum van 2 januari 2008. De stelling dat [eiseres] de woning in januari/februari 2008 aan een derde had verkocht, is door hem bij dupliek niet gehandhaafd. Daardoor kan als vaststaand feit worden aangenomen dat [eiseres] de woning opnieuw verkocht en, op 23 april 2008, geleverd heeft. Uitgaande van de oorspronkelijke transportdatum van 2 januari 2008, kan worden aangenomen dat zij gedurende een maand of vier extra kosten heeft moeten maken.

In dit verband is voorts van belang dat [eiseres] de meeropbrengst van de verkoop geheel ten laste van de gevorderde boete heeft gebracht, hoewel zij daartoe niet verplicht was.

Op grond van deze omstandigheden is er geen aanleiding om in de verhouding tussen de werkelijke schade en de boete grond te zien voor matiging. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat [gedaagde] niet gesteld heeft dat het boetebeding tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat zou leiden.

5.6 Omdat het beroep op de gestelde uitlatingen van [persoon 2] wordt gepasseerd, is dat geen omstandigheid die van invloed kan zijn bij de beoordeling van het beroep op matiging van de boete.

5.7 Verder wordt meegewogen dat [gedaagde] niets heeft gesteld over de reden waarom hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de woning in januari 2008 af te nemen. Zijn beroep op zijn financiële situatie wordt niet onderbouwd, en is bovendien een omstandigheid die voor zijn eigen rekening en risico moet komen.

5.8 Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om de boete te matigen. De, gewijzigde, vordering wordt toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente. Er is immers sprake van vertraging in de voldoening van een geldsom. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure, waarbij voor de berekening van het salaris voor de advocaat, wordt uitgegaan van de omvang van de verminderde vordering.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 17.750,00 (zegge: zeventienduizendzevenhondervijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 1 maart 2008 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 445,= aan vast recht, op € 85,44 aan overige verschotten en op € 904,= aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin.

Uitgesproken in het openbaar.

2009