Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH5968

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
281236 / F1 07-721 en 291253 / F1 07-1976
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepen tegen besluiten van Sti Jeugdzorg gegrond. Nu, gelet op zijn gecombineerde problematiek, de minderjarige zowel zorgaanspraken heeft op grond van de AWBZ als op grond van de Wjz, heeft verweerster niet kunnen volstaan met enkel te beslissen op de indicatieaanvragen van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Civiel recht

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 28 januari 2009.

Zaak-/rekestnummers: 281236/ F1 RK 07-721 en 291253/F1 RK 07-1976

Uitspraak in het geding tussen

[naam eiseres], wonende te [adres], eiseres

gemachtigde mr. R.F.E. Frommé, gevestigd in Apeldoorn

en

Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, verweerster.

1 Ontstaan en loop van de procedure met zaak- en rekestnummers: 281236/ F1 RK 07-721

Bij brief van 16 augustus 2006 heeft eiseres ten behoeve van haar minderjarige zoon [naam zoon] een indicatieaanvraag AWBZ zorg bij verweerster ingediend.

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerster op voornoemde aanvraag beslist.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 22 september 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 januari 2007 heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit I) heeft eiseres bij brief van 26 februari 2007 beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 11 december 2007 een verweerschrift ingediend.

2 Ontstaan en loop van de procedure met zaak- en rekestnummers: 291253/ F1 RK 07-1976

Bij brief van 25 november 2006 heeft eiseres ten behoeve van haar minderjarige zoon [naam zoon] een indicatieaanvraag AWBZ zorg bij verweerster ingediend.

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft verweerster op voornoemde aanvraag beslist.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 april 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 juli 2007 heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit II) heeft eiseres bij brief van 5 september 2007 beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 2 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

3 Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting in de procedures met bovenvermelde zaak- en rekestnummers heeft plaatsgevonden op 9 november 2007. De zaken zijn ter zitting pro forma aangehouden. De behandeling van de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 19 december 2008. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, mr. B.F. Desloover. Voorts is namens verweerster verschenen mr. Eilander.

4 Wettelijk kader

Artikel 5, Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz), luidt:

1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

2. Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:

a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,

b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

3. De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliënt of uit eigen beweging.

4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient en aansluit bij de behoefte van de cliënt. Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode.

5. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen op grond van die wet tegen beschikkingen, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of artikel 6, vierde lid, bevoegd de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft.

5 Standpunten van partijen

Eiseres is van mening dat de bestreden besluiten I en II in strijd zijn met de betreffende en daaraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen, met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met de overige ter zake geldende bepalingen. Zij heeft twee indicatieaanvragen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) ingediend ten behoeve van haar minderjarige zoon [naam zoon]. [Naam zoon] stond op de wachtlijst voor behandeling in het RMPI. Door plaatsgebrek bij het RMPI kon [naam zoon] daar echter niet op korte termijn worden geplaatst. Vanwege de uiterst zorgelijke situatie thuis heeft eiseres zich op advies van verweerster gewend tot het Platform "Voor Elkaar", een oudervereniging voor kinderen met ADHD. Door bemiddeling van het platform werd in juli 2006 een tijdelijke verblijfplaats gevonden voor [naam zoon] op een zorgboerderij waar hij genoemde wachttijd kon overbruggen en werd bij verweerster de indicatieaanvraag AWBZ van 21 augustus 2006 ingediend. Nadat de behandelaar van het RMPI had vastgesteld dat [naam zoon] zeer goede vorderingen maakte, heeft het RMPI de voorkeur gegeven aan continuering van het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij onder poliklinische behandeling van het RMPI, boven een klinische behandeling bij het RMPI. Vervolgens heeft eiseres ten behoeve van [naam zoon] de aanvraag om herindicatie van 25 november 2006 bij verweerster ingediend.

De door verweerster afgegeven indicatiebesluiten van 22 augustus 2006 en van 22 februari 2007 zijn ontoereikend om het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij te kunnen bekostigen. Bovendien is bij het besluit van 22 februari 2007 minder zorg geïndiceerd dan bij het besluit van 22 augustus 2006 werd geïndiceerd, terwijl er in de zorgbehoefte van [naam zoon] niets is veranderd. Ook is de toegekende zorg niet in overeenstemming met de zorg die aan [naam zoon] op de zorgboerderij is geboden. Door verschil van inzicht tussen verweerster en het RMPI over de vraag wie de financiële verantwoordelijkheid moet dragen voor het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij en het uitblijven van het nemen van die verantwoordelijkheid door (een van) beide instellingen, heeft de zorgboerderij de financiële verantwoordelijkheid bij eiseres gelegd. Eiseres kan die financiële last niet dragen en is van mening dat zij die last ook niet behoort te hoeven dragen. Dit geldt eens te meer nu bij haar het vertrouwen is gewekt dat de financiële consequentie van de plaatsing van [naam zoon] op de zorgboerderij in orde zouden worden gemaakt.

Eiseres meent voorts dat verweerster gehouden is tot vergoeding van de door haar geleden schade.

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het regelgevend kader niet toereikend is om een langdurig verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij te indiceren. Eiseres heeft zelf geregeld dat [naam zoon] op de zorgboerderij kon verblijven ter overbrugging van de wachttijd voor plaatsing bij het RMPI. Eerst daarna is bij verweerster een indicatieaanvraag ingediend. Omdat de zorgboerderij geen toegelaten AWBZ-instelling is, was plaatsing vanuit de AWBZ niet mogelijk. Om eiseres tegemoet te komen is, achteraf, een indicatie gegeven die een kortdurend verblijf voor [naam zoon] op de zorgboerderij mogelijk maakte. Een dergelijke indicatiestelling kent echter een beperking van maximaal 104 etmalen per kalenderjaar en verlenging behoort niet tot de mogelijkheden.

Met de indicaties zoals die zijn afgegeven, heeft verweerster binnen de juridische mogelijkheden die haar toekomen, voldaan aan de behoefte van [naam zoon]. Het verschil tussen de eerste en tweede indicatiestelling is het gevolg van de wijziging van het doel van het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij. De eerste indicatiestelling zag op tijdelijk verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij ter overbrugging van de wachttijd naar plaatsing bij het RMPI. De tweede indicatiestelling is gebaseerd op het advies van het RMPI om [naam zoon] voorlopig niet in behandeling te nemen, maar hem op de zorgboerderij te laten verblijven gezien de positieve ontwikkeling die hij daar doormaakte. Om die reden werd bij de tweede indicatiestelling Landurig Verblijf geïndiceerd.

Anders dan eiseres stelt, bestaat er geen verschil van mening tussen het RMPI en verweerster over de financiële verantwoordelijkheid voor het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij. Eiseres is er meerdere malen op gewezen dat het voor verweerster niet mogelijk was om voor [naam zoon] langdurig verblijf op de zorgboerderij te indiceren. Ook is in elk indicatiebesluit opgenomen dat ouders contact moeten opnemen met het zorgkantoor. Op verweerster rust geen financiële verantwoordelijkheid. Immers, het financieren van AWBZ-zorgaanbod behoort niet tot de (wettelijke) taken van de Bureaus Jeugdzorg en daarvoor is dus ook geen budget beschikbaar.

Eiseres pretendeert schade te hebben geleden, maar zo al daarvan sprake zou zijn, dan nog ontbreekt iedere vorm van causaliteit. Eiseres heeft gebruik gemaakt van zorg die niet kan worden geschaard onder AWBZ-zorg die op grond van artikel 5, lid 2, onder b, van de Wjz, mogelijk is, zodat de door haar gekozen zorg ook nimmer onder de dekking van een indicatiebesluit kan vallen, aldus verweerster.

6 Overwegingen

In het verweerschrift inzake de procedure 291253/F1 RK 07-1976 heeft verweerster uiteengezet dat zij met ingang van 1 januari 2005 is belast met de uitvoering van de indicatiestelling AWBZ voor zover dit jeugdigen met psychiatrische problematiek betreft en dat de juridische kaders daarvoor zijn te vinden in de Wjz, de AWBZ, het uitvoeringsbesluit Wjz en het besluit Zorgaanspraken AWBZ. Artikel 2 van het besluit Zorgaanspraken AWBZ impliceert volgens verweerster dat altijd eerst dient te worden bezien of gevraagde zorg op basis van een andere wet kan worden bekostigd. Voor jeugdigen die zowel opvoedings- of opgroeiproblemen als een psychiatrische aandoening hebben - waarbij een verband tussen deze twee bestaat - zal de jeugdzorg veelal op beide aspecten zijn gericht. In dat geval kan de betrokkene gelijktijdig aanspraak maken op grond van de Wjz en de AWBZ, aldus verweerster.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat bij [naam zoon] sprake is van zowel opvoedings- of opgroeiproblemen als een psychiatrische aandoening; bij hem werden een oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een dysthyme stoornis vastgesteld. Onder verwijzing naar hetgeen verweerster in voornoemd verweerschrift heeft uiteengezet, is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval dan ook sprake van een situatie waarin voor [naam zoon] gelijktijdig zorgaanspraken bestaan op grond van de Wjz en de AWBZ.

Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wjz blijkt onder meer dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om met de introductie van het bureau jeugdzorg één toegangspoort tot alle vormen van jeugdzorg te creëren. Het begrip jeugdzorg is in de wet breed gedefinieerd en omvat onder meer zorg waarop ingevolge de Wjz aanspraak bestaat en zorg waarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat. Een van de uitgangspunten van de Wjz is het realiseren van een samenhangend aanbod van jeugdzorg dat aansluit op de behoefte, terwijl het aanbod van jeugdzorg bovendien dient te voldoen aan de eis dat zij voor de jeugdige de meest aangewezene is te achten. Het bureau jeugdzorg vormt de essentiële schakel tussen vraag en aanbod en dient een cliënt bij te staan bij het verwezenlijken van zijn aanspraak.

Met de taken van verweerster zoals deze zijn omschreven in artikel 5 van de Wjz, met name in lid 3 van dit artikel, en met de rol en verantwoordelijkheid van jeugdzorg ten aanzien van opvoeding en zorg zoals die uit de Wjz en uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan blijkt, valt niet te rijmen dat verweerster meent zich met het afgeven van voornoemde indicatiestellingen in het onderhavige geval adequaat van haar taken te hebben gekweten. Immers, niet in geschil is dat [naam zoon] dringend zorg behoefde, terwijl de voor hem beoogde behandeling bij het RMPI niet van start kon gaan vanwege wachtlijstproblematiek. Uit de stukken blijkt dat [naam zoon] voorafgaande aan de indicatieaanvraag van 21 augustus 2006 tweemaal opgenomen is geweest wegen suïcidaal gedrag en zelfbeschadiging, dat hij niet langer thuis kon verblijven omdat eiseres hem niet de zorg kon bieden die hij nodig had. terwijl het gevaar voor suïcidaal gedrag niet kon worden uitgesloten. Nu, gelet op zijn gecombineerde problematiek, [naam zoon] zowel zorgaanspraken heeft op grond van de AWBZ als op grond van de Wjz, heeft verweerster niet kunnen volstaan met enkel te beslissen op de indicatieaanvragen van eiseres, te minder daar al van meet af aan duidelijk was dat het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij niet paste binnen het regelgevend kader waarop verweerster haar besluiten heeft gebaseerd. Het standpunt van verweerster dat zij met de indicaties zoals die zijn afgegeven, binnen de juridische mogelijkheden die haar toekomen, heeft voldaan aan de behoefte van [naam zoon], strookt niet met de door de directeuren van de Bureaus jeugdzorg gezamenlijk aangescherpte kerntaak die als volgt is geformuleerd: "Voor kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, garandeert bureau jeugdzorg de noodzakelijke bescherming en organiseert zij de juiste zorg."

De rechtbank volgt verweerster evenmin in haar opvatting dat zij zonder meer gebonden is aan de voor de indicatiebesluiten gehanteerde protocollen en dat afwijken daarvan eenvoudigweg niet mogelijk is. Desgevraagd ter zitting heeft verweerster bevestigd dat genoemde protocollen louter als intern beleid gelden, zodat reeds hierom niet valt in te zien waarom afwijken van die protocollen niet mogelijk zou zijn. Verweersters handelwijze in het onderhavige geval strookt ook niet met haar opvatting. Immers, verweerster heeft in weerwil van het feit dat de zorgboerderij niet tot de toegelaten AWBZ-instellingen behoort wel indicatiebesluiten afgegeven op basis waarvan [naam zoon] op de zorgboerderij kon verblijven, hetgeen op zichzelf bezien reeds afwijking van het gehanteerde regelgevend kader inhoudt.

De rechtbank deelt niet het standpunt van verweerster dat er geen enkele aanleiding zou hebben bestaan om van genoemde protocollen af te wijken. Reeds uit de brief van 16 augustus 2006 van het Platform "Voor Elkaar" aan verweerster blijkt dat er een modus moest worden gevonden om (de kosten van) het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij en de indicatiestelling op elkaar af te stemmen. Nu kennelijk reeds in augustus 2006 werd voorzien dat er mogelijke een discrepantie zou ontstaan tussen de zorgbehoefte van [naam zoon] en de grenzen van de door verweerster gehanteerde protocollen, had verweerster naar het oordeel van de rechtbank in het kader van haar rol en verantwoordelijkheid in voornoemde brief aanleiding kunnen en moeten zien om te onderzoeken of afwijken van de protocollen in de rede lag.

Tenslotte komt het de rechtbank niet onaannemelijk voor dat bij eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, dat de bekostiging van het verblijf van [naam zoon] op de zorgboerderij niet op eiseres zou worden afgewenteld. Eiseres is door verweerster verwezen naar meergenoemd platform. Op de agenda voor de handelingsbespreking betreffende [naam zoon] op 14 februari 2007, wordt als een van de aanwezigen bij die bespreking verweersters indicatiesteller genoemd en staat als een van de te bespreken punten vermeld het tweede evaluatieverslag van 10 februari 2007. Uit bedoeld evaluatieverslag blijkt dat [naam zoon] een woonplek op de boerderij krijgt aangeboden voor een jaar ("indicatie volgens plaatser") en wordt vermeld: "financieel kan het niet anders dan dat hier de nodige gelden tegenover staan, zeker wanneer men beseft hoeveel een klinisch bed kost." Verweerster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat van de zijde van verweerster kanttekeningen zijn geplaatst bij de hiervoor geciteerde opmerking uit het evaluatieverslag. Voorts is namens eiseres ter zitting gesteld, en is niet weersproken door verweerster, dat er een verslag bestaat van een bijeenkomst met het RMPI van 24 februari 2007, waaruit blijkt dat verweersters indicatiesteller heeft bevestigd dat de kosten zouden worden afgedekt.

Gelet op al het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de bestreden besluiten I en II in strijd zijn met artikel 5, Wjz, en met het zorgvuldigheidsbeginsel en dat zij niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat beide beroepen gegrond dienen te worden verklaard. Verweerster dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van eiseres te beslissen.

Bij de te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren van eiseres dient verweerster tevens te beslissen op het verzoek van eiseres om vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden.

De rechtbank ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten € 1.288,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt per beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 9 november 2007, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 19 december 2008, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--).

7 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen gegrond,

vernietigt de bestreden besluiten I en II,

bepaalt dat Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam aan eiseres het betaalde griffierecht van € 286,-- voldoet,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 1.288,-- en wijst verweerster aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. M.J. van den Broek-Prins, als voorzitter, en mr. M.H. Soutendijk-van Appeldoorn en mr. E.M.M. Engbers, als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. C.K. van Dijk als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.