Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH5636

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
295918 / HA ZA 07-2871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

val van paard; artikel 6:101 BW; eigen schuld; billijkheidscorrectie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 179
Burgerlijk Wetboek Boek 6 181
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 91
JA 2009/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 295918 / HA ZA 07-2871

Uitspraak: 18 februari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

beiden in hun hoedanigheid van ouder en wettelijk vertegenwoordiger van

3. [eiser sub 3],

allen wonende te Hellevoetsluis,

eisers,

advocaat mr. M. Bonarius,

- tegen -

1. de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1],

gevestigd te Hellevoetsluis,

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

beiden wonende te Hellevoetsluis,

4. de naamloze vennootschap N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Tilburg,

gedaagden,

advocaat mr. B.M. Stroetinga.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eisers]" respectievelijk "[gedaagde sub 1]", "[gedaagde sub 2]", "[gedaagde sub 3]" en "Interpolis".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 26 en 29 oktober 2007, met producties;

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek, met productie;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 3 februari 2006 heeft [eiser sub 3] (hierna: “[eiser sub 3]”) in de door [gedaagde sub 1] geëxploiteerde manege onder leiding van [gedaagde sub 2] een paardrijles gevolgd. [eiser sub 3] was toen 13 jaar oud en een reeds gevorderde leerling. [eiser sub 3] is omstreeks haar achtste jaar met paardrijden begonnen en heeft al veel lessen gevolgd. Het voor de les aan [eiser sub 3] toegewezen paard, genaamd Dominant, was eigendom van [gedaagde sub 1]. Dominant heeft een schofthoogte van 1.80 meter.

2.2 [eiser sub 3] is tijdens de les van Dominant gevallen, als gevolg waarvan zij (hersen)letsel heeft opgelopen. [eiser sub 3] is in bewusteloze toestand met de ambulance afgevoerd naar het Erasmus MC, locatie Sophia, te Rotterdam en aldaar opgenomen op de afdeling Intensive Care. Na circa 10 dagen is [eiser sub 3] uit coma ontwaakt. Op 23 februari 2006 is [eiser sub 3] ontslagen uit het Erasmus MC en ter verpleging en revalidatie opgenomen in het Rijndam Revalidatiecentrum te Rotterdam tot en met 18 mei 2006.

2.3 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn vennoten van [gedaagde sub 1].

2.4 [gedaagde sub 1] is tegen aansprakelijkheid voor het onderhavige schadegeval verzekerd bij Interpolis.

3 De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Interpolis hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser sub 3] geleden en nog te lijden schade, welke voorlopig is begroot op € 10.000,= en overigens tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eisers] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde sub 1] is uit hoofde van artikel 6:179 juncto 6:181 Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) jegens [eisers] aansprakelijk voor de schade die [eiser sub 3] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van haar val van het paard Dominant op 3 februari 2006.

3.2 Bij gebreke van een medische eindtoestand laat de schade zich thans nog niet vaststellen.

3.3 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn als vennoten van [gedaagde sub 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap.

3.4 Aan de voorwaarden van artikel 7:954 BW is voldaan, zodat Van der Valk c.s bevoegd is rechtstreeks betaling te vorderen van Interpolis van het bedrag dat [gedaagde sub 1] ter zake van de schade van [eiser sub 3] van Interpolis te vorderen heeft.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eisers] in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen.

[gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Interpolis hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Er is sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW. [eiser sub 3] heeft vrijwillig deelgenomen aan de paardrijles. De vergoedingsplicht van [gedaagde sub 1] dient te worden verminderd tot 50% van de door [eiser sub 3] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.

4.2 De billijkheid eist geen andere verdeling van de vergoedingsplicht. De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 1] tegen aansprakelijkheid voor het onderhavige schadegeval is verzekerd bij Interpolis maakt dat niet anders.

5 De beoordeling

5.1 Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] uit hoofde van artikel 6:179 juncto artikel 6:181 BW jegens [eisers] aansprakelijk is voor de schade die [eiser sub 3] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van haar val van het paard Dominant op 3 februari 2006. Evenmin is in geschil dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als vennoten van [gedaagde sub 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap en dat aan de voorwaarden van artikel 7:954 BW is voldaan, zodat Van der Valk c.s bevoegd is rechtstreeks betaling te vorderen van Interpolis van het bedrag dat [gedaagde sub 1] ter zake van de schade van [eiser sub 3] van Interpolis te vorderen heeft. Het gaat in deze zaak nog slechts om de vraag of de schade van [eiser sub 3] mede een gevolg is van (een) aan haar toe te rekenen omstandigheid(heden) op de voet van toepassing van de primaire maatstaf van artikel 6:101 lid 1 BW en vervolgens om de vraag of de uitkomst van die causaliteitsafweging correctie behoeft uit oogpunt van billijkheid op de voet van de subsidiaire maatstaf van die bepaling. Het antwoord op beide vragen is afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst en de verdere omstandigheden van het geval.

5.2 Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] bij het aangaan van de paardrijlesovereenkomst een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot haar aansprakelijkheid voor gebeurtenissen als het onderhavige ongeval. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 1] aan [eisers] in het kader van die overeenkomst toezeggingen heeft gedaan voor het geval zich een ongeval zou voordoen. De paardrijlesovereenkomst als zodanig biedt derhalve in dit geval geen bijzondere aanknopingspunten voor de verdeling van de schade. Dit betekent dat de vraag of de schade van [eiser sub 3] mede een gevolg is van (een) aan haar toe te rekenen omstandigheid(heden) en de vraag of de uitkomst van die causaliteitsafweging correctie behoeft uit oogpunt van billijkheid beantwoord dienen te worden aan de hand van de overige omstandigheden van het geval.

5.3 Aan haar betoog dat sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW hebben [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Interpolis – die overigens aansprakelijkheid voor 50% van de schade van [eiser sub 3] hebben erkend – ten grondslag gelegd dat [eiser sub 3] vrijwillig heeft deelgenomen aan de paardrijles. Ter beoordeling is derhalve of aan de hand van toepassing van de primaire maatstaf van artikel 6:101 lid 1 BW de omstandigheid dat [eiser sub 3] vrijwillig heeft deelgenomen aan de paardrijles een aan haar toe te rekenen omstandigheid is die de vergoedingsplicht van [gedaagde sub 1] doet verminderen.

5.4 In het onderhavige geval, waarin het paard door de eigenaar aan de berijder ter beschikking is gesteld in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles, moet ervan worden uitgegaan dat het gegeven dat [eiser sub 3] vrijwillig heeft deelgenomen aan de paardrijles, causaal heeft bijgedragen aan het ontstaan van haar schade. Ook moet ervan worden uitgegaan dat die causale bijdrage eveneens aan [eiser sub 3] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW. In deze situatie vloeit uit de aard en strekking van de paardrijlesovereenkomst voort dat het onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze overeenkomst niet onverwacht is, en daarmee het risico van – naar verkeersopvattingen objectief voorzienbare – schade, naar verkeersopvattingen tot de risicosfeer van [eiser sub 3] behoort en derhalve aan haar kan worden toegerekend.

5.5 Vast staat dat het ongeval is ontstaan nadat Dominant – onberekenbaar als een paard als zodanig is – plotseling bij de overgang van stappen in galop een onverwachte manoeuvre heeft gemaakt. Dominant strekte zijn linker been naar voren, deed zijn hoofd naar voren en beneden tot kniehoogte, trok de beide voorbenen in en gleed door de bak. Feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat de daarop volgende val van [eiser sub 3] het gevolg is geweest van een rijfout, zijn gesteld noch gebleken. In het bijzonder is niet gesteld of gebleken dat [eiser sub 3], hoewel zij rekening had moeten houden met de mogelijkheid van onberekenbaar gedrag van Dominant zoals zich dat heeft voorgedaan, haar val had kunnen voorkomen en als ruiter is tekort geschoten. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat aan [eiser sub 3] geen onzorgvuldigheid te verwijten is.

5.6 In het kader van de vraag of [gedaagde sub 1] onzorgvuldigheid kan worden verweten heeft [eisers] (bij repliek) als omstandigheden aangevoerd dat Dominant een (te) groot en sterk paard is, dat [eiser sub 3] geen, althans nauwelijks ervaring had met Dominant, dat [gedaagde sub 2] een ongediplomeerde instructrice is en dat galopperen een aanzienlijk gevaarlijker oefening is dan stappen.

5.7 Niet valt in te zien dat het inzetten van [gedaagde sub 2] als niet-gediplomeerd instructrice van de rijles van [eiser sub 3] een omstandigheid betreft die in een zodanig verband staat met de schade van [eiser sub 3], dat deze schade als een gevolg daarvan aan [gedaagde sub 1] moet worden toegerekend. Immers, gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 2] een onervaren instructrice is. Evenmin is gesteld of gebleken dat de door [gedaagde sub 2] aan [eiser sub 3] gegeven opdracht om Dominant te instrueren over te gaan van stappen in galop op zich zelf niet had mogen worden gegeven. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 1] in dit verband tekort is/zijn geschoten in toezicht en/of het treffen van voorzorgsmaatregelen om (de gevolgen van) een ongeval als het onderhavige te voorkomen. Ook het enkele gegeven dat galopperen een aanzienlijk gevaarlijker oefening is dan stappen, betekent nog niet dat [gedaagde sub 1] een verwijt treft ter zake van het toewijzen van Dominant aan [eiser sub 3]. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat, zoals [eisers] stelt, Dominant een (te) groot en sterk paard is waarmee [eiser sub 3] nauwelijks ervaring had. Immers, gesteld noch gebleken is dat [eiser sub 3] nooit eerder had gegaloppeerd of op een groot paard als Dominant had gereden. Evenmin is gesteld of gebleken dat de oefening onder uitzonderlijke omstandigheden plaatsvond. Daarbij komt dat als niet (voldoende gemotiveerd) weersproken vast staat dat Dominant vóór het [eiser sub 3] overkomen ongeval niet eerder een dergelijke onverwachte manoeuvre heeft gemaakt bij de overgang van stappen in galop en dat na het [eiser sub 3] overkomen ongeval ook niet meer heeft gedaan.

Aldus moet het ervoor worden gehouden dat aan [gedaagde sub 1] geen verwijt valt te maken met betrekking tot de toewijzing van Dominant aan [eiser sub 3] en moet ervan worden uitgegaan dat het ongeval is gebeurd uitsluitend als gevolg van de eigen energie van het paard en het daarin opgesloten onberekenbare element. Hoewel evident is dat de gevolgen van de eigen, ongecontroleerde energie van een paard groter kunnen zijn wanneer het galoppeert en/of wanneer een kind een voor zijn/haar leeftijd qua postuur groot paard berijdt, maakt dit – zonder nadere onderbouwing die ontbreekt – niet dat [gedaagde sub 1] onzorgvuldigheid valt te verwijten.

5.8 Nu noch [eiser sub 3] noch [gedaagde sub 1] van het ongeval als zodanig enig verwijt valt te maken, worden als relevante factoren voor de zogenoemde billijkheidscorrectie aan de zijde van [eisers] aangemerkt dat [eiser sub 3] tegen de schadelijke gevolgen van het ongeval niet is verzekerd en de jonge leeftijd van [eiser sub 3] ten tijde van het ongeval. Aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden als relevante factoren aangemerkt dat zij is verzekerd tegen het risico dat zich hier heeft verwezenlijkt en dat de paardrijlessen worden gegeven tegen een commercieel tarief, zodat zij de mogelijkheid had de premies van een dergelijke verzekering door te berekenen in de financiële vergoeding voor de paardrijles.

5.9 Alles afwegende komt de rechtbank uit op een verdeling van de schade over beide partijen van 70:30 aan de zijde van [gedaagde sub 1] respectievelijk [eisers] Nu tegen de hoofdelijke veroordeling en gevorderde rente geen verweer is gevoerd, zullen [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Interpolis mitsdien hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van 70% van de schade van [eiser sub 3], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van de verschillende schadecomponenten tot aan de dag der voldoening.

5.10 De gevorderde betaling van € 10.000,= aan voorlopige schadevergoeding wordt wegens het ontbreken van een (deugdelijke) feitelijke grondslag afgewezen.

5.11 [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Interpolis zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Interpolis hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eisers] van 70% van de door [eiser sub 3] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 3 februari 2006, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van de verschillende schadecomponenten tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en Interpolis in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] bepaald op € 300,00 aan vast recht, op

€ 175,20 aan overige verschotten en op € 904,00 aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voorzover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren.

Uitgesproken in het openbaar.

801/336