Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH4853

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
290021 / HA ZA 07-2050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op (verzekeraars van) bewaarnemer, bij wie een container met nikkel is gestolen. Toerekenbare tekortkoming bewaarnemer wegens onvoldoende zorg ten aanzien van beveiliging van een voertuig (reachstacker) van de bewaarnemer dat door de dieven is gebruikt. Verwijzing naar verschillende stellen algemene voorwaarden niet doeltreffend. Kosten procedure in Engeland vallen niet onder de te vergoeden schade ingevolge art. 23 CMR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 290021 / HA ZA 07-2050

Uitspraak: 18 februari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging MEDITERRANEAN SHIPPING COMPANY S.A.,

gevestigd te Genève, Zwitserland,

eiseres,

advocaat mr J.F. van der Stelt,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

2. de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de naamloze vennootschap REAAL SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

4. de naamloze vennootschap AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

5. de naamloze vennootschap GENERALI SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr R.W.J.M. te Pas.

Partijen worden hierna aangeduid als "MSC" respectievelijk "de verzekeraars".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 8, 10 en 14 augustus 2007;

- akte houdende overlegging producties van MSC;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 november 2007, waarbij een comparitie van

partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 8 mei 2008;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door MSC genomen akte houdende

vermindering van eis, met producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 2 juli 2004 heeft een chauffeur van L. Vos Transport B.V. (hierna: Vos) met een trekker met containerchassis een geladen 20'-container nr. MSCU 164200-1 opgehaald bij een containerterminal in Antwerpen en deze over de weg vervoerd naar Rotterdam. Die avond heeft de chauffeur van Vos de container afgeleverd bij het terrein van Niek Dijkstra Terminals B.V. (hierna: NDT) aan de Bunschotenweg te Rotterdam en daar in opslag gegeven.

2.2

Deze container was geladen met nikkelbriketten in vaten en was aan boord van het

ms. MSC Peggy over zee vervoerd van Fremantle, Australië naar Antwerpen. Ingevolge de betreffende vervoerovereenkomst moest de container worden vervoerd naar een opslagruimte in Rotterdam. Ten behoeve van MSC was aan Vos opdracht gegeven om de container op 1 juli 2004 te vervoeren van Antwerpen naar het terrein van C. Steinweg-Handelsveem B.V. (hierna: Steinweg) aan het Parmentierplein te Rotterdam.

2.3

Tijdens het weekeinde van 3 en 4 juli 2004 is de container vanaf het terrein van NDT gestolen. De lading nikkelbriketten is verdwenen.

2.4

MSC is voor de High Court in Londen aangesproken tot vergoeding van de door de diefstal ontstane schade door WMC Resources Ltd. (hierna: WMC) en Steinweg. De voor het vervoer van Fremantle naar Rotterdam (warehouse) afgegeven waybill was op formulier van MSC, was ondertekend door haar Rotterdamse agent Mediterranean Shipping Company (Nederland) B.V. on behalf of the Master en vermeldde WMC als shipper en als consignee, dat laatste 'c/o C. Steinweg'.

MSC heeft vervolgens - samen met haar Rotterdamse agent en haar expediteur (Medlog N.V.) - voor de rechtbank Rotterdam een vordering ingesteld tegen Vos en NDT tot vergoeding van hetgeen MSC zou moeten voldoen aan WMC en Steinweg (procedure met

zaak-/rolnummer 228143/HA ZA 04-3212). Vos heeft in die procedure een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van NDT ingesteld.

2.5

NDT is op 11 januari 2005 in staat van faillissement verklaard. De procedure tegen NDT is daardoor geschorst.

2.6

NDT had haar aansprakelijkheid onder een stuwadoorsaansprakelijkheidsverzekering verzekerd bij de verzekeraars. De curator van NDT heeft de rechten die NDT onder deze verzekering kan uitoefenen jegens de verzekeraars gecedeerd aan MSC.

3. De vordering

De gewijzigde vordering luidt, verkort weergegeven, om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht te verklaren dat NDT aansprakelijk is voor de door MSC en Vos geleden schade;

II. de verzekeraars te veroordelen, ieder voor het percentage waartoe zij zich onder de polis verbonden hebben, om aan MSC te voldoen:

A. USD 310.000,- en GBP 18.500,-,

B. GBP 22.870,-,

deze bedragen vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, alsmede met de buitengerechtelijke incassokosten van € 4.165,-,

met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van het geding.

Daaraan heeft MSC - kort en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

NDT is aansprakelijk voor de schade als gevolg van de diefstal: jegens Vos uit wanprestatie onder een bewaarnemingsovereenkomst en uit onrechtmatige daad, jegens MSC uit onrechtmatige daad.

NDT is tegenover MSC gehouden tot vergoeding van hetgeen MSC wegens diefstalschade vergoed heeft aan WMC en Steinweg en van alle bijkomende kosten voortgevloeid uit de procedure in Londen.

Ook haar opdrachtnemer Vos is daarvoor tegenover MSC aansprakelijk en Vos heeft op haar beurt een vordering op NDT tot vergoeding van hetgeen Vos aan MSC verschuldigd is.

Vos heeft aan MSC last gegeven tot het op eigen naam ten behoeve van Vos vorderen van schadevergoeding van NDT.

3.2

MSC heeft als cessionaris van NDT onder de aansprakelijkheidsverzekering jegens de verzekeraars aanspraak op vergoeding van de door MSC betaalde schadevergoeding en bijkomende kosten.

Ingevolge een met WMC en Steinweg getroffen schikking heeft MSC USD 310.000,- en GBP 18.500,- betaald. De door MSC gemaakte proceskosten bedragen GBP 22.870,-.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van MSC in de kosten van het geding.

De verzekeraars hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1

NDT is niet aansprakelijk, noch jegens Vos, noch jegens MSC.

Haar kan geen verwijt van de diefstal worden gemaakt. Zij is niet tekortgeschoten onder de bewaarnemingsovereenkomst en heeft ook niet onrechtmatig gehandeld. Zij kan in elk geval een beroep op overmacht doen. Bovendien was sprake van eigen schuld aan de zijde van Vos/MSC, zodat de schade geheel of merendeels voor hun rekening dient te blijven.

4.2

Op de overeenkomst tussen NDT en Vos waren de op het afgegeven 'interchange receipt' vermelde algemene voorwaarden van toepassing. Nu het ging om bewaarneming waren dat de Rotterdamse opslagvoorwaarden. Ingevolge deze voorwaarden is NDT niet of beperkt aansprakelijk.

Daarnaast kan NDT zich op grond van art. 28 lid 3 CMR beroepen op de beperkingen van dit verdrag (art. 23 CMR).

4.3

MSC was geen eigenaar van de goederen en evenmin opdrachtgever van NDT. Er kan geen sprake zijn van een geschonden norm die de belangen van MSC beoogde te beschermen.

4.4

De gevorderde bedragen en rente worden betwist.

5. De beoordeling

5.1

De gestelde lastgeving van Vos aan MSC is - na aanvankelijke betwisting en nadat een akte d.d. 1 juli 2007 was overgelegd - niet langer in geschil.

5.2

Vaststaat dat op 2 juli 2004 een bewaarnemingsovereenkomst met betrekking tot de bewuste container is totstandgekomen tussen NDT en Vos, terwijl tussen NDT en MSC geen contractuele relatie bestond. De rechtsverhouding tussen NDT en MSC wordt beheerst door Nederlands recht.

5.3

De chauffeur van Vos heeft de container op de avond van 2 juli 2004 bij NDT te Rotterdam afgegeven. Deze ontving toen van NDT een 'interchange receipt'.

Op dat stuk stond onder meer gedrukt:"Op al onze werkzaamheden zijn de laatstelijk ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam gedeponeerde Algemene Voorwaarden van de Vereniging van Rotterdamse Stuwadoors, de Algemene Voorwaarden der Federatie van Nederlandse Expediteursorganisatie en Rotterdamse opslagvoorwaarden van toepassing." Deze tekst was ook afgedrukt op facturen die NDT in april, mei en juni 2004 voor uitgevoerde werkzaamheden had verstuurd aan Vos en die zijn overgelegd bij wijze van voorbeeld en ter onderbouwing van de gestelde bestendige relatie tussen NDT en Vos.

5.4

In de op deze stukken afgedrukte tekst wordt verwezen naar drie onderling verschillende stellen algemene voorwaarden, die alle - cumulatief, niet alternatief - op de werkzaamheden van NDT van toepassing worden verklaard, zonder dat op enigerlei, voor Vos begrijpelijke wijze is aangegeven of nader is geregeld welke van die stellen in het concrete geval van toepassing zou moeten zijn. Dat leidt ertoe dat geen van de stellen algemene voorwaarden op de rechtsverhouding tussen NDT en Vos toepasselijk is. Daaraan doet niet af dat in dit geval tussen hen een bewaarnemingsovereenkomst is totstandgekomen, noch dat deze partijen beide werkzaam zijn in de logistieke dienstverlening waarin de genoemde voorwaarden vaak worden gehanteerd (overigens bevatten deze stellen alle drie bepalingen met betrekking tot bewaarneming, die onderling afwijken).

De overige bezwaren die tegen gelding van bepaalde algemene voorwaarden zijn aangevoerd kunnen onbesproken blijven.

5.5

Als gevolg van de diefstal van de container was NDT niet in staat te voldoen aan haar verplichting tot teruggave daarvan (artt. 7:600 en 7:605 lid 4 BW). Voor deze tekortkoming en voor de daardoor ontstane schade is NDT jegens Vos aansprakelijk, tenzij NDT aantoont dat de diefstal haar niet kan worden toegerekend, omdat zij heeft voldaan aan haar verplichting tot het in acht nemen van de zorg van een goed bewaarnemer (art. 7:602 BW).

Voor aansprakelijkheid tegenover MSC is vereist dat NDT niet de haar betamende zorgvuldigheid heeft betracht tegenover derde-belanghebbenden bij de zich onder haar in opslag bevindende container.

Bij de beoordeling van één en ander zijn diverse omstandigheden van belang.

5.6

Overgelegd zijn onder meer: een expertiserapport van Hettema + Disselkoen B.V. (ingeschakeld door de verzekeraars van Vos), een expertiserapport van EVH Surveys International B.V. (ingeschakeld door verzekeraars van WMC), een expertiserapport van Expertisebureau A. Hammacher (ingeschakeld door verzekeraars van NDT), een proces-verbaal van aangifte van diefstal door [X.] van NDT, een getuigenverklaring van [Y.], destijds terminal medewerker bij NDT en een verklaring van [Z.], chauffeur in dienst van Vos.

5.7

Gelet op deze stukken en op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, kan het navolgende worden overwogen.

(a) NDT hield zich bedrijfsmatig tegen vergoeding bezig met de opslag van lege en geladen containers op haar terrein in de haven van Rotterdam. De inhoud van geladen containers zal veelal een aanmerkelijke waarde hebben en diefstal daarvan zal dan leiden tot aanzienlijke schade. Van NDT mocht daarom worden verwacht dat zij alle voorzorgsmaatregelen trof die van een normaal en redelijk handelend professioneel opslagbedrijf konden worden verlangd, in het bijzonder ter voorkoming van diefstal.

(b) Het opslagterrein van NDT bevond zich op een groter haventerrein waarvan NDT een gedeelte had gehuurd van scheepsreparatiebedrijf D. van de Wetering B.V. die zelf de rest van het terrein in gebruik had. Het deel van NDT was niet afgescheiden van de rest. Het totale terrein grensde aan één zijde aan het water (Prins Johan Frisohaven) om de drie andere zijden bevond zich een hek van metaalgaas met een hoogte van 2 à 2,50 m en met prikkeldraad aan de bovenzijde. Er was één toegangspoort met slagbomen en een rolpoort. Tijdens de werkuren van Van de Wetering zat er een portier bij de poort. Buiten die werktijden was de poort gesloten.

Er was geen videobewaking van het terrein. Alleen het kantoor van NDT was voorzien van een alarm; wanneer dit afging werd een beveiligingsbedrijf gewaarschuwd. In het navolgende wordt ervan uitgegaan dat er buiten de werktijden met enige regelmaat vanaf de openbare weg langs het terrein werd gesurveilleerd door het beveiligingsbedrijf.

(c) NDT had één reachstacker, een voertuig waarmee containers konden worden opgetild en verplaatst. De reachstacker stond altijd klaar op het terrein. Deze was voorzien van een gewoon slot en een slot aan de zijkant waarmee alles kon worden geblokkeerd. Na werktijd werd de sleutel van het gewone slot in het kantoor gelegd, terwijl men de sleutel van het andere slot altijd in het slot liet zitten. De reachstacker was niet voorzien van een alarm of een startonderbreker.

(d) Op vrijdagavond 2 juli 2004 heeft Vos de container bij NDT in opslag gegeven. Met behulp van de reachstacker is de container van het chassis getild en op het terrein geplaatst.

Hadders heeft verklaard dat de container direct op de grond werd gezet; hij stond met de deuren tegen een andere container aan en er werd geen andere container bovenop gestapeld. Naar zeggen van Hadders deelde de chauffeur van Vos hem mee dat er nikkel in de container zat en vroeg deze hem de container daarom veilig weg te zetten, zonder nadere aanwijzingen. Volgens Hadders was het uitzonderlijk dat goederen met zo'n waarde als een container met nikkel bij NDT werden geplaatst.

Oudenaarden heeft verklaard dat hij de medewerker van NDT heeft gevraagd of NDT ervoor kon zorgen dat de container hoog op een stack geplaatst kon worden en dat de deuren geblokkeerd werden; hem werd gezegd dat dit zou worden geregeld; desgevraagd heeft hij bevestigd dat de reden van zijn verzoek gelegen was in het feit dat de container iets van waarde bevatte.

Toen Oudenaarden bij Hadders in het kantoor van NDT was, waren daar nog één of meer andere personen aanwezig. Oudenaarden heeft ook documenten afgegeven waarop de lading van de container was vermeld.

(e) Het bedrijf van NDT sloot die vrijdagavond omstreeks 23.00 uur. In het weekeinde werd er nooit gewerkt. Bij Van de Wetering werd in dat weekeinde overdag wel gewerkt (tot zondagmiddag 12.00 uur). De portier van Van de Wetering had toen niets bijzonders opgemerkt.

(f) Op maandag 6 juli 2004 werd 's ochtends vroeg (na 5.15 uur) geconstateerd dat de reachstacker vlak bij het hek stond (op ca. 40 m afstand van de portiersloge), met de voorwielen diep in de modder en de arm met 20'-spreader over het hek. Het slot van de reachstacker was verbroken en de bedrading lag eruit. Kennelijk had men deze doorverbonden om de reachstacker te starten. Aan de andere zijde van het hek bevond zich een fietspad, met daarachter een verhoging en dan de openbare weg. Op het fietspad waren sporen te zien van een vrachtauto of oplegger en een trottoirband was deels geplet. In het hekwerk bij het portiersgebouw werd een vers opengeknipt gat aangetroffen. De bewuste container was verdwenen.

5.8

Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat de diefstal van de container is gepleegd tussen zondagmiddag 5 juli 12.00 uur en maandag 6 juli 2004 omstreeks 5.15 uur

en wel doordat één of meer dieven via een opengeknipt gat het terrein waren opgegaan, daar het gewone slot (van de cabine) van de reachstacker hadden geforceerd en deze hadden gestart door bedrading door te verbinden, met de reachstacker de bewuste container hadden opgetild, daarmee naar het hek waren gereden en deze aan de andere zijde van het hek op een voertuig hadden geplaatst, dat vervolgens met de container was weggereden.

Kennelijk gaan ook partijen van deze toedracht uit.

5.9

Als opslagbedrijf in het Rotterdamse havengebied moest NDT zich ervan bewust zijn dat diefstallen van geladen containers vanaf een opslagterrein regelmatig voorkomen, dat de dieven vaak weten welke containers de moeite waard zijn en dat daarbij ook gebruik zou kunnen worden gemaakt van op het terrein aanwezig hulpmaterieel.

Hoewel men bij NDT wist dat de container een waardevolle lading had (NDT-medewerker Hadders heeft verklaard dat bij aflevering is gezegd dat de lading uit nikkel bestond, wat ook uit de begeleidende documenten bleek), heeft NDT deze kennelijk niet tussen of onder andere containers in een stack geplaatst.

De dieven konden het terrein vrij eenvoudig (te voet) betreden en konden de op het terrein klaar staande reachstacker starten en bedienen, nadat zij het gewone slot daarvan hadden geforceerd en de contactdraden hadden doorverbonden. NDT had rekening behoren te houden met dieven die beschikten over de daartoe benodigde kennis en vaardigheid. Gesteld noch gebleken is dat de reachstacker een voertuig is waarvan de bediening een buitengewone en niet bij dergelijke dieven te verwachten bekwaamheid eist. De sleutel van een slot om de hele reachstacker te blokkeren was in het slot gelaten. Een andere beveiliging van de reachstacker - zoals een startonderbreker of een alarm, dan wel plaatsing buiten werktijd in een afgeschermde omgeving - ontbrak. Er zijn geen concrete omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat die beveiliging niet in redelijkheid kon worden verlangd of niet het gewenste effect zou hebben gehad.

Er kan tenslotte van worden uitgegaan dat NDT geen diefstalverzekering had afgesloten.

5.10

Naar het oordeel van de rechtbank heeft NDT niet de van haar te verlangen zorg in acht genomen, in het bijzonder omdat haar reachstacker zoals hiervoor aangegeven zonder al te veel problemen kon worden gebruikt voor het stelen van de container. Het beroep op overmacht faalt. Dat betekent dat NDT toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen als bewaarnemer tegenover Vos en verplicht is de schade die deze daardoor lijdt te vergoeden.

5.11

Het beroep op eigen schuld van Vos/MSC kan niet slagen. Daarvoor is onvoldoende dat Vos regelmatig containers bij NDT in opslag gaf en goed bekend was met het bedrijf van NDT en het niveau van veiligheid aldaar, noch dat Vos een met kostbare nikkel geladen container bij NDT in bewaring heeft gegeven.

5.12

Met betrekking tot de bewuste container was sprake van een keten van overeenkomsten.

In dit geding is niet in geschil dat MSC verplicht was de container met nikkelbriketten te vervoeren en af te leveren bij Steinweg en uit dien hoofde aansprakelijk was tegenover haar wederpartij(en). Niet is betwist dat MSC terzake van de diefstalschade aan deze wederpartij(en), WMC (en Steinweg), de onder 3.2 genoemde schikkingsbedragen van

USD 310.000,- en GBP 18.500,- heeft betaald.

Evenmin is omstreden dat Vos tegenover (uiteindelijk) MSC aansprakelijk is uit vervoerovereenkomst. Bij dat laatste gaat het om internationaal wegvervoer waarop de CMR van toepassing is. De aansprakelijkheid van Vos tegenover MSC is daarom beperkt overeenkomstig art. 23 CMR (onbeperkte aansprakelijkheid als bedoeld in art. 29 CMR is hier niet aan de orde). Niet is betwist dat Vos als bewaargever van NDT vergoeding kan vorderen van wat zij aan MSC dient te vergoeden. Vos kan van NDT niet meer vorderen dan wat zij aan MSC dient te vergoeden, afgezien van schade van Vos zelf waaromtrent niets is gesteld. Ten aanzien van MSC in haar hoedanigheid van lasthebber van Vos geldt hetzelfde.

Ingevolge art. 7:608 lid 2 BW is NDT tegenover MSC op grond van onrechtmatige daad niet verder aansprakelijk dan zij is tegenover Vos uit hoofde van de bewaarnemings-overeenkomst. Gelet op het voorgaande kan de op die grondslag van onrechtmatige daad gebaseerde vordering van MSC op NDT onbesproken blijven.

5.13

De verzekeraars, die onder de stuwadoorsaansprakelijkheidsverzekering en krachtens de cessie verplicht zijn het door NDT verschuldigde aan Vos/MSC te vergoeden, hebben betwist dat de gestolen lading nikkel een waarde had van USD 310.000,-. Zij wijzen erop dat in de expertiserapporten lagere bedragen worden genoemd (USD 236.060,- en

USD 214.600,-).

Als niet betwist kan ervan worden uitgegaan dat de lading een brutogewicht had van

20.760 kg, zodat de aansprakelijkheid ingevolge art. 23 lid 3 CMR is beperkt tot 20.760 x 8,33 SDR = 172.930,80 SDR, te vermeerderen met de CMR-rente van art. 27 CMR.

Deze renteverplichting van NDT tegenover Vos/MSC eindigde niet met het faillissement van NDT op 11 januari 2005. Dit volgt ook niet uit art. 128 Fw.

5.14

De kosten die verband houden met de voor de High Court in Londen gevoerde procedure tussen WMC en Steinweg enerzijds en MSC anderzijds vallen niet onder de in art. 23 CMR bedoelde schadeposten. Ook kunnen deze kosten in dit geding niet op een andere grond van (de verzekeraars van) NDT worden gevorderd (zoals art. 6:96 BW).

5.15

De verzekeraars voeren onbetwist aan dat ingevolge de polis voor NDT een eigen risico gold van € 500,-, zodat zij dat bedrag niet hoeven te vergoeden.

5.16

Nu vooralsnog niet duidelijk is dat de waarde van de gestolen lading nikkel uitgaat boven het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid, kan nog geen einduitspraak worden gedaan.

Voor het geval partijen thans niet zelf tot afwikkeling mochten kunnen komen, zal de rechtbank een comparitie van partijen bevelen.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen:

beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd, met hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr A.N. van Zelm van Eldik op

31 maart 2009 pro forma.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

10.